← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221018.2N.16 Rolnummer: P.22.0871.N Zaak: V. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-12-13 Raadplegingen: 514 - laatst gezien 2026-06-15 09:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.16 Fiches 1 - 6 De bepalingen van de artikelen 19 en 25, eerste lid, Grondwet en de artikelen 4, § 1, en 5, eerste lid, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, in het bijzonder wanneer op grond daarvan het recht op vrije meningsuiting met inbegrip van de persvrijheid wordt afgewogen tegenover het recht op eerbiediging van het privéleven van degene ten aanzien waarvan persoonsgegevens worden verwerkt, dienen te worden toegepast in overeenstemming met de artikelen 8 en 10 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en dat Hof heeft met het oog op de onderlinge afweging van die belangen een aantal beoordelingscriteria vooropgesteld, zoals: - de bijdrage van de verwerking van de persoonsgegevens aan een debat van algemeen belang; - de vraag of degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt al dan niet een publiek figuur is, dan wel door zijn gedrag heeft bijgedragen tot de miskenning van de privacy waarop hij zich beroept; - de inhoud, de vorm en de impact van de publicatie; - de wijze en de plaats waarop de informatie is verkregen en de waarheidsgetrouwheid ervan

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 19 Vrije woorden: Vrijheid van meningsuiting - Afweging van het recht op vrije meningsuiting met inbegrip van de persvrijheid tegenover het recht op eerbiediging van het privéleven - Criteria Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Artt. 4, § 1, en 5, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 25 Vrije woorden: Persvrijheid - Afweging van het recht op vrije meningsuiting met inbegrip van de persvrijheid tegenover het recht op eerbiediging van het privéleven - Criteria Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Artt. 4, § 1, en 5, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 - Artikel 4, § 1 - Algemene voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegeven - Afweging van het recht op vrije meningsuiting met inbegrip van de persvrijheid tegenover het recht op eerbiediging van het privéleven - Criteria Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Artt. 4, § 1, en 5, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Vrije woorden: Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 - Artikel 5, eerste lid,
  1. a)en
  2. f)- Gevallen waarin persoonsgegevens mogen worden verwerkt - Algemene voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegeven - Afweging van het recht op vrije meningsuiting met inbegrip van de persvrijheid tegenover het recht op eerbiediging van het privéleven - Criteria Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Artt. 4, § 1, en 5, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Recht op eerbiediging van het privéleven - Afweging tegenover het recht op vrijheid van meningsuiting met inbegrip van de persvrijheid - Criteria Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Artt. 4, § 1, en 5, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 10 Vrije woorden: Vrijheid van meningsuiting - Persvrijheid - Afweging tegenover het recht op eerbiediging van het privéleven - Criteria Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Artt. 4, § 1, en 5, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Fiches 7 - 10 Artikel 10 EVRM waarborgt geen onbeperkte vrijheid van meningsuiting, zelfs niet wanneer het gaat om persberichtgeving over ernstige aangelegenheden van algemeen belang aangezien artikel 8 EVRM ook een bijzondere aandacht voor de bescherming van het privéleven vereist, zeker wanneer de aantasting ervan volgt uit het gebruik van technische middelen zoals heimelijke geluids- of beeldopnames en een persoon bovendien , naargelang de concrete omstandigheden, het gewettigde vertrouwen mag hebben dat wat hij zegt of doet valt onder de bescherming van zijn privéleven, ongeacht of hij een publiek figuur is, zodat persberichtgeving, ongeacht het feit dat zij bijzonder beschermingswaardig is ter wille van het algemeen belang, in bepaalde gevallen kan moeten wijken voor de bescherming van het privéleven van degene die zich op daarop beroept; het gegeven dat een persoon geen publiek figuur is impliceert evenwel nog niet dat het recht op eerbiediging van zijn privéleven steeds voorrang moet krijgen op de persvrijheid aangezien de betrokkenheid van een niet-publiek persoon bij een publiek feit aanleiding kan geven tot een rechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens, zelfs met gebruik van technische middelen, zonder dat die verwerking noodzakelijkerwijze moet wijken voor de eerbiediging van zijn privéleven en daarbij is de omstandigheid dat het publiek feit verband houdt met een privéaangelegenheid niet doorslaggevend maar wel bepalend is, naast de aard en het doel van de verwerking van de persoonsgegevens, de redelijke privacy-verwachting die de betrokkene kon koesteren in de concrete omstandigheden waarin hij zich bevond; de rechter oordeelt onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak of de betwiste verwerking van persoonsgegevens onrechtmatig is wegens een onevenredige inbreuk op het privéleven van de persoon wiens gegevens worden verwerkt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Recht op eerbiediging van het privéleven - Geen publieke figuur - Afweging tegenover het recht op vrijheid van meningsuiting met inbegrip van de persvrijheid bepaald in artikel 10 EVRM - Rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens - Gebruik van technische middelen - Publiek feit verband houdende met een privéaangelegenheid - Aard en doel van de verwerking van de persoonsgegevens - Redelijke privacyverwachting - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 10 Vrije woorden: Vrijheid van meningsuiting - Persvrijheid - Beperking - Persberichtgeving over ernstige aangelegenheden van algemeen belang - Afweging tegenover het recht op eerbiediging van het privéleven bepaald in artikel 8 EVRM - Aantasting van de eerbiediging van het privéleven - Publieke figuur - Gebruik van heimelijke geluids- of beeldopnames - Aard en doel van de verwerking van de persoonsgegevens - Redelijke privacyverwachting - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 - Artikelen 4, § 1, en 5, eerste lid - Rechtmatigheid van de verwerking - Afweging van het recht op vrije meningsuiting met inbegrip van de persvrijheid tegenover het recht op eerbiediging van het privéleven - Aard en doel van de verwerking van de persoonsgegevens - Redelijke privacyverwachting - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Verwerking van persoonsgegevens - Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 - Artikelen 4, § 1, en 5, eerste lid - Afweging van het recht op vrije meningsuiting met inbegrip van de persvrijheid tegenover het recht op eerbiediging van het privéleven zoals bepaald in de artikelen 8 en 10 EVRM - Aard en doel van de verwerking van de persoonsgegevens - Redelijke privacyverwachting Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 25 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2023, nr. 19, p. 1772-
  1. - VANDENDRIESSCHE, Gerrit; Noot'Het heimelijk filmen voor journalistieke doeleinden' JLMB-Revue de jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles - 2024, n° 37, p. 1664-
  2. - RUELLE, Victoria; Note'La sempiternelle mise en balance entre le droit à la vie privée, la liberté d'expression et le droit de l'information' Tekst van de conclusie P.22.0871.N Conclusie van advocaat-generaal A. Winants: Op de zitting van de tweede kamer van het Hof van Cassatie van 18 oktober 2022 heeft advocaat-generaal Alain Winants in substantie het volgende gezegd: Procedurele antecedenten.
  3. Op 27 november 2017 stelde eiser in cassatie zich burgerlijke partij in handen van de onderzoeksrechter te Antwerpen tegen de huidige verweerders in cassatie uit hoofde van feiten gekwalificeerd als belaging (betichting A – artikel 442bis Strafwetboek) en inbreuken op de wet van 8 december 1992 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de zogenaamde Privacywet (betichting B). Aanleiding voor deze klacht waren beelden die door middel van een verborgen camera op 20 oktober 2017 waren gemaakt door of in opdracht van de verweerders in cassatie die beiden als journalist werkzaam waren bij de nieuwswebsite Apache, de eerste (V.) als hoofdredacteur en de tweede (A.) als free-lance journalist. De betrokken opname werden gemaakt bij de aankomst van een aantal genodigden op een privé-verjaardagsfeest dat eiser in cassatie op 20 oktober 2017 gaf in een Antwerps restaurant en waarbij meerdere genodigden, waarvan een aantal deel uitmaakten van het stadsbestuur van de stad Antwerpen, aldaar toekwamen en begroet werden door eiser in cassatie. De opnames werden vervolgens gemonteerd en verwerkt tot een filmpje met de titel "De favoriete bouwpromotor van B.D.W." en op de website van Apache geplaatst.
  4. De huidige verweerders in cassatie werden door de raadkamer te Antwerpen naar de correctionele rechtbank verwezen uit hoofde van de bovenvermelde telastleggingen. Bij vonnis van 20 januari 2021 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, werden de huidige verweerders in cassatie vrijgesproken en werd de burgerlijke vordering van huidig eiser in cassatie ontvankelijk doch ongegrond verklaard.
  5. Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend namens eiser in cassatie op 22 januari 2021 terwijl het openbaar ministerie geen hoger beroep instelde. De huidige verweerders in cassatie stelden middels hun beroepsbesluiten incidenteel beroep in. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 9 juni 2022 werd het hoger beroep van eiser in cassatie ongegrond verklaard en werd het beroepen vonnis bevestigd. De incidentele beroepen van de verweerders in cassatie werden gegrond verklaard en eiser in cassatie werd veroordeeld tot een schadevergoeding van 5000 euro aan elk van hen wegens tergend of roekeloos geding. Op 23 juni 2022 werd tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld door de eiser. Onderzoek van het middel.
  6. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM en artikel 5, eerste lid, f), van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018) omdat het arrest de op de telastlegging B gesteunde burgerlijke rechtsvordering van de eiser verwerpt en oordeelt dat de verweerders geen fout hebben begaan, zich daarbij steunende op de belangenafweging bepaald in artikel 5, eerste lid, f), van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992). Volgens eiser in cassatie maakt het arrest evenwel een verkeerde toepassing van die bepaling omdat het eisers recht op eerbiediging van zijn privéleven niet in concreto afweegt tegen de persvrijheid van de verweerders. Eiser in cassatie houdt staande dat zijn persoonsgegevens zonder zijn toestemming werden verzameld op een privéaangelegenheid, dat zij derhalve tot zijn privéleven behoren en dat het hof van beroep, teneinde de afweging van de proportionaliteit correct te maken, rekening diende te houden met het feit dat de eiser geen publiek figuur is. Hij verwijt aan het arrest dat het oordeelt dat het gegeven dat de persoonsgegevens werden verzameld tijdens een publiek feit volstaat om te oordelen dat de verweerders eisers recht op eerbiediging van zijn privéleven niet disproportioneel hebben miskend.
  7. Eerst dient te worden opgemerkt dat de telastlegging B lastens beide verweerders betrekking heeft op een inbreuk op artikel 4, § 1, 1°, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, met name het op 20 oktober 2017 niet eerlijk en rechtmatig verwerken van persoonsgegevens. De Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018, in werking getreden vanaf 5 september 2018 en die in het middel wordt vermeld, is uiteraard niet van toepassing op feiten die dateren van vóór de inwerkingtreding ervan. In zoverre het middel schending van de Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018 aanvoert, kan het niet worden aangenomen.
  8. De problematiek die alhier centraal staat is die van de afweging tussen twee fundamentele rechten met name het recht op de eerbiediging van het privéleven enerzijds en het recht op vrije meningsuiting, daaronder begrepen het recht op persvrijheid anderzijds. Deze fundamentele rechten worden beschermd door verschillende zowel nationale als internationale bepalingen, met name de artikelen 19 en 25 van de Grondwet
(1)-
(2)en de artikelen 8 en 10 EVRM
(3)-
(4). In de voorliggende casus is het binnen de Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 dat die afweging dient te gebeuren, waarbij het de artikelen 4, § 1, en 5, eerste lid zijn die in aanmerking dienen te worden genomen.
  1. Artikel 4, § 1, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt: “Persoonsgegevens dienen: 1° eerlijk en rechtmatig te worden verwerkt; 2° voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden te worden verkregen en niet verder te worden verwerkt op een wijze die, rekening houdend met alle relevante factoren, met name met de redelijke verwachtingen van de betrokkene en met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, onverenigbaar is met die doeleinden. (…); 3° toereikend, terzake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt; 4° nauwkeurig te zijn en, zo nodig, te worden bijgewerkt; alle redelijke maatregelen dienen te worden getroffen om de gegevens die, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt, onnauwkeurig of onvolledig zijn, uit te wissen of te verbeteren; 5° in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer te worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of verder worden verwerkt, noodzakelijk is. (…)”.
  2. Artikel 5, eerste lid, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt dat persoonsgegevens slechts mogen worden verwerkt in één van de volgende gevallen: “a) wanneer de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend; (…) f) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van deze wet, niet zwaarder doorwegen”.
  3. Dit betekent dus dat de wanneer naar aanleiding van een verwerking van persoonsgegevens de afweging dient te worden gemaakt tussen het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op vrije meningsuiting, waaronder de persvrijheid dient te worden begrepen, deze afweging de artikelen 8 en 10 EVRM, zoals die worden begrepen en uitgelegd door het EHRM dient te eerbiedigen. In deze materie heeft het EHRM een omvangrijke rechtspraak
(5)ontwikkeld waaruit een aantal beoordelingscriteria kunnen worden afgeleid die dienstig zijn bij het maken van die afweging, zodat in het kader van de verwerking van persoonsgegevens dient te worden nagegaan of: - de verwerking bijdraagt tot een debat van algemeen belang; - de persoon wiens gegevens verwerkt worden al dan niet een publiek figuur is; - de persoon wiens gegevens verwerkt worden zelf door zijn gedrag heeft bijgedragen aan de miskenning van de privacy die hij inroept. Tevens dient nagegaan te worden: - welk de inhoud, de vorm en de weerslag is van de publicatie; - op welke wijze en op welke plaats de informatie werd verkregen; - welk de waarheidsgetrouwheid is van de informatie. 10. Het EHRM heeft er ook aan herinnerd dat artikel 10 EVRM geen absolute en onbeperkte vrijheid van meningsuiting waarborgt, zelfs wanneer het erom gaat ernstige aangelegenheden van algemeen belang aan te kaarten
(6). Bij herhaling heeft het EHRM er ook op gewezen dat er vanuit de invalshoek van artikel 8 EVRM bijzondere aandacht dient te worden gegeven aan de bescherming van het privéleven, voornamelijk wanneer de aantastingen ervan voortvloeien uit het gebruik van clandestiene geluids- of beeldopnames en foto’s
(7). Daarenboven onderstreept het EHRM ook dat naargelang de omstandigheden een persoon, zelfs indien het gaat om een publieke figuur, een gewettigd vertrouwen (une espérance légitime) mag koesteren in de eerbiediging en bescherming van zijn privéleven
(8). In dergelijke gevallen dient de persberichtgeving, hoe pertinent en beschermwaardig ze ook zou zijn vanuit het oogpunt van het algemeen belang, plaats te maken voor de bescherming van het privéleven van de betrokkene.
  1. Omgekeerd evenwel betekent dit niet dat het feit dat de betrokken persoon geen publiek figuur is zou impliceren dat de eerbiediging van het privéleven in alle omstandigheden steeds voorrang moet krijgen op de vrijheid van meningsuiting en de daaronder begrepen persvrijheid. Een niet-publiek persoon kan inderdaad betrokken zijn bij een publiek feit dat, gelet op de omstandigheden, van aard is een rechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens te rechtvaardigen, zelfs wanneer die gegevens zouden worden verzameld met gebruik van technische en al dan niet heimelijke middelen. De omstandigheid dat het publieke feit een privé aangelegenheid betreft komt mij dan ook als mij irrelevant over. Wel bepalend zijn enerzijds de aard en de doelstelling van de verwerking van de gegevens en anderzijds, rekening houdende met de concrete omstandigheden, de redelijke privacyverwachting die de betrokkene mag koesteren.
  2. Gelet op al deze elementen en gegevens lijkt het me evident dat het tot de onaantastbare beoordeling van de rechter behoort na te gaan of, in de concrete omstandigheden van de zaak en rekening houdende met de aard en het doel van de verzameling en verwerking van de persoonsgegevens, deze als onrechtmatig dienen te worden bestempeld omdat het zou gaan om een onevenredige inbreuk op het privéleven van de betrokkene. Het Hof zal terzake enkel dienen na te gaan of de rechter uit de door hem weerhouden feiten en elementen geen gevolgen afleidt die met die feiten geen verband hebben of die op grond ervan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen is faalt het dan ook naar recht.
  3. Het komt mij voor dat de appelrechters
(9)in hun arrest wel degelijk en op een uitgebreide manier de belangen van de eerbiediging van het privéleven enerzijds en de vrijheid van meningsuiting, inclusief persvrijheid anderzijds, tegen mekaar hebben afgewogen. Ik verwijs daarvoor naar het bestreden arrest met name naar de pagina’s 4 t.e.m. 19 en beperk me hier tot het vermelden van een aantal elementen die de beslissing van de appelrechters hebben gemotiveerd. Een aantal elementen hebben betrekking op de concrete omstandigheden en de context waarin de gegevensvergaring en -bewerking heeft plaatsgevonden:
  1. a)de hoedanigheid van de verweerders, respectievelijk hoofdredacteur en journalist bij de nieuwssite Apache die een onderzoek voerde naar de integriteit van het Antwerpse stadsbestuur in een aantal vastgoedprojecten waarin de eiser als bouwpromotor was betrokken (p.7);
  2. b)de locatie waar de opnames gebeurden, met name op de publieke weg, in casu aan de overkant van het restaurant waar het privé verjaardagsfeest van de eiser plaatsvond en waar de genodigden, ondermeer leden van het Antwerpse stadsbestuur, werden ontvangen en begroet, een gebeuren dat eenieder die zich daar zou bevinden kon waarnemen (pp. 7-8-9);
  3. c)de specifieke hoedanigheid van de eiser, met name zijn lidmaatschap van de nv L.I.G. alsmede zijn zelf verkondigde betrokkenheid als bouwpromotor bij grote projecten (p.7);
  4. d)het achteraf monteren van de beelden van de aankomst van de genodigden en de plaatsing ervan op het internet (p. 8);
  5. e)de vaststelling dat enkel de handelingen die op het publieke domein gesteld werden (ontvangst en begroeting) verwerkt werden en de eiser in deze omstandigheden niet kan stellen dat hij in zijn redelijke privacyverwachting werd verschalkt (p. 7). 14. Nadien gaat het hof van beroep over tot een analyse van de feiten van de zaak in het licht van de bepalingen van de artikelen 4, § 1, 1°, en 5, eerste lid,
  6. f)Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, de artikelen 19 en 25 Grondwet en de bepalingen van de artikelen 8 en 10 EVRM. Ik haal hierbij de volgende overwegingen aan:
  7. a)in het kader van artikel 5, eerste lid,
  8. f)Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 is de verwerking van gegevens mogelijk zonder toestemming van de betrokkene en dat is met name het geval wanneer de vergaring, verwerking en daaropvolgende berichtgeving van die gegevens betrekking heeft op een onderwerp dat in de concrete omstandigheden van maatschappelijk belang is, - zij het lokaal belang -, in dit geval de mogelijke bindingen tussen leden van het Antwerpse stadsbestuur en L.I.G. nv, tegen de achtergrond van enkele grootschalige vastgoedprojecten in de stad Antwerpen waarover reeds enige maatschappelijke en politieke ophef bestond (pp.12-13);
  9. b)in die omstandigheden moet de verkrijging en verwerking van de gegevens worden beschouwd worden als noodzakelijk voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, f), Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, namelijk de uitoefening van het recht op de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van informatie, onder meer in de media en is er geen toestemming vereist van de betrokkene aangezien het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op de bescherming van deze wet niet zwaarder doorwegen, mede gelet op het beperkte en publieke karakter van de verwerkte gegevens (pp.1213-15);
  10. c)de persvrijheid als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting wordt beschermd door de artikelen 19 en 25 Grondwet en door artikel 10 EVRM en is een fundament van een democratische samenleving gelet op de belangrijke rol die de pers te spelen heeft in de berichtgeving van thema’s van algemeen belang en politiek bestuur van een samenleving (pp. 14-15);
  11. d)het gerechtvaardigd belang waarvan sprake in artikel 5, eerste lid, f), Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 was, zoals blijkt uit het voorgaande, hier wel degelijk aanwezig, hetgeen op zich de verwerking van de gegevens verantwoordt en andere beschouwingen, zoals het feit dat het ging om een privé aangelegenheid die op zich geen aangelegenheid van maatschappelijk belang uitmaakt, noch het feit dat de betrokkene geen publiek figuur is zijn dan ook terzake niet dienend (p. 15);
  12. e)de verwerking van de gegevens staan alhier in nauw verband met het destijds aan de gang zijnde publiek debat betreffende de bindingen van het Antwerpse stadsbestuur met de nv L.I.G waarin de eiser een vooraanstaande rol speelde, zijnde een feit met een publiek karakter waarin de eiser betrokken is (pp.16-17);
  13. f)in het licht van de maatschappelijke aangelegenheid van algemeen belang was de verwerking van de gegevens dan ook een gerechtvaardigd doel en waren de terzake verkregen en verwerkte gegevens ter zake dienend, nauwkeurig en niet overmatig (p. 15). 15. Het komt mij dan ook voor dat op basis van al deze elementen en gegevens de appelrechters wel degelijk en in concreto zijn overgegaan tot een belangenafweging tussen enerzijds de persvrijheid van de verweerders (als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting) en anderzijds de eerbiediging van het privéleven van de eiser en dat zij wettig konden beslissen dat de verwerking van de gegevens het recht op bescherming van het privéleven van de eiser niet heeft miskend op een disproportionele wijze. Het middel kan niet worden aangenomen. Conclusie. Verwerping van het cassatieberoep. ________________________________________
(1)Art. 19 Grondwet: “De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd”.
(2)Art. 25 Grondwet: “De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; (…)”.
(3)Art. 8 EVRM: “
  1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
  2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.
(4)Art. 10 EVRM: “
  1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. (…).
  2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen”.
(5)EHRM 10 november 2015 (Grote Kamer), nr. 40454/07, Couderc en Hachette Filipacchi Associés t. Frankrijk; EHRM 27 juni 2017 (Grote Kamer), nr. 17224/11, Medžlis Islamske Zajednice Brko en anderen t. Bosnie-Herzegovina; EHRM 27 juni 2017 (Grote Kamer), nr. 931/13, Satakunnan Markkinapörssi Oy en Satamedia Oy t. Finland; EHRM 14 januari 2021, nrs. 281/15 en 34445/15, Société Editrice de Mediapart en anderen t. Frankrijk.
(6)EHRM 14 januari 2021, nrs. 281/15 en 34445/15, Société Editrice de Mediapart en anderen t. Frankrijk, ro 83.
(7)Ibid. ro 84 en de aldaar geciteerde rechtspraak van het EHRM.
(8)Ibid. ro 87 en de aldaar geciteerde rechtspraak van het EHRM.
(9)Aangezien de verweerders in cassatie in eerste aanleg waren vrijgesproken en enkel de eiser in cassatie hoger beroep aantekende (geen hoger beroep van het OM), dienden de appelrechters zich enkel nog uit te spreken over de gegrondheid van de tegen hen gestelde burgerlijke rechtsvordering. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221018.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.