← België

P. contra BELGISCHE STAAT fod Finaniën

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 oktober 2022

) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221021.1N.5 Fiche 1 Er is sprake van nieuwbouw, waarop een btw-tarief van 21 pct. van toepassing is, indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw

het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden; dit is eveneens het geval, wanneer wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw,

in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Tarief van 6% - Onderscheid verbouwing

nieuwbouw - Criteria Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 37 - 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr. 20 van 20 juli 1970 - 20 - 20-07-1970 - Art. 1 - 31 Link Justel databank 19700720-31 Fiche 2 De rechter beoordeelt onaantastbaar of de uitgevoerde werken de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele, van een woning tot voorwerp hebben dan wel of er sprake is van nieuwbouwwerken, onverminderd de mogelijkheid voor het Hof om na te gaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat de werken een nieuwbouw tot stand hebben gebracht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Tarief van 6% - Onderscheid verbouwing

nieuwbouw - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 37 - 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr. 20 van 20 juli 1970 - 20 - 20-07-1970 - Art. 1 - 31 Link Justel databank 19700720-31 Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2022, nr. 37, p. 6-

  1. - DESTERBECK, Françis; Noot'Nieuwbouw of verbouwing? Cassatie preciseert verder' BJS-Bulletin juridique social - 2023, n° 707, p.
  2. - COUTUREAU, François; Note'Travaux de rénovation: position restrictive de la Cour de cassation' T.Not.-Tijdschrift voor notarissen - 2023, nr. 7/8, p. 534-
  3. - MASSIN, Yvan; Noot'Waar ligt de grens tussen 'vernieuwbouw'

'renovatie'?' Tekst van de conclusie F.21.0053.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (…)

  1. Bespreking van het eerste middel. VIERDE ONDERDEEL. 2.
  2. Eisers verwijten de appelrechter zijn besluit dat de werken niet op relevante wijze op de wezenlijke elementen van de structuur van de bestaande woning rusten (zoals vereist voor de kwalificatie van verbouwing) te hebben afgeleid uit feiten die geen verband houden met de wezenlijke of dragende elementen van de woning (de vervanging van de dakconstructie, van de vloer van de verdieping

van de binnenmuren)

zelfs uit feiten die op het tegendeel wijzen (de fundering

draagmuren werden precies verstevigd om de werken te kunnen dragen)

die door de andere vaststellingen in het arrest bevestigd worden (het gelijkvloers, de funderingen

alle buitenmuren, zij het niet alle op hun volle hoogte of lengte, werden behouden). Door die onmogelijke gevolgtrekking miskent de appelrechter volgens eisers de wettelijke begrippen "nieuwbouw"

"verbouwing" (Schending van artikel 37 Btw-Wetboek, artikel 1, eerste

tweede lid, KB nr. 20 van 20 juli 1970, van de rubrieken XXXI, § 1, 1°

§ 3

, 1°,

XXXVIII, § 1, 1°

§ 3

, 1° van tabel A van de bijlage bij voormeld besluit

, voor zoveel als nodig, van rubriek XXXVII van dezelfde tabel), minstens het wettelijk begrip feitelijke vermoedens (Schending van de artikelen 1349

1353 Oud B.W.). 2.2. Het geschil betreft de vraag of de werken die de eisers aan een oude hoeve lieten uitvoeren, bestaande uit

erzijds werken aan het bestaande gebouw

anderzijds de uitbreiding van het bestaande gebouw, kunnen worden beschouwd als werken in onroerende staat die als ‘het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen

het onderhouden, met uitzondering van het reinigen, geheel of ten dele van een uit zijn aard onroerend goed’ kunnen worden beschouwd, die krachtens tabel A, rubriek XXXI, § 3, 1°, van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 onderworpen zijn aan het verlaagd btw-tarief van 6 pct., dan wel als nieuwbouwwerken dienen te worden beschouwd dewelke aan het normale btw-tarief van 21 pct. onderworpen zijn. De regelgever verduidelijkte niet wat onder de begrippen ‘het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen

het onderhouden, met uitzondering van het reinigen, geheel of ten dele van een uit zijn aard onroerend goed’

‘nieuwbouwwerken’ moet worden verstaan. Derhalve dienen deze begrippen in hun normale betekenis te worden begrepen. De fiscale administratie trachtte meermaals het onderscheid tussen beide begrippen te verduidelijken, op een wijze die mij verenigbaar voorkomt met de normale betekenis van deze begrippen: 2.2.1. In de Aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 ‘verlaagd tarief in onroerende sector vanaf 01.08.1986’ verduidelijkte de administratie voor het eerst dat “ onder ‘omvorming’ wordt verstaan de verbouwing aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken

de uitbreiding van bestaande vertrekken. Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren)

, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de struktuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als een bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt: 1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen

kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn struktuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader); (…)” (eigen onderlijning) 2.2.2. In beslissing nr. E.T. 106.933 van 1 september 1994 preciseerde de fiscale administratie onder welke omstandigheden een uitbreiding als een verbouwing kan worden beschouwd: “Hierna wordt verduidelijkt in welk geval een vergroting van een gebouw al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake BTW-tarieven (vgl. aanschr. 6/1986 (Z. BTW-Rev. 73/297, nr. 30). De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult

er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.’ (eigen onderlijning) 2.2.3. De criteria opgenomen in de Aanschrijving nr. 6

de beslissing nr. E.T. 106.933 werden overgenomen in de administratieve commentaren bij het WBTW (

door de bevoegde minister bevestigd in antwoord op diverse parlementaire vragen omtrent de duiding van het onderscheid tussen verbouwing

nieuwbouw)

(1). 2.3. Voormelde criteria, zoals zij door de fiscale administratie werden uitgewerkt, werden door het Hof in twee recente arresten bevestigd: In een arrest van 25 juni 2020
(2)formuleerde het Hof de volgende regel met betrekking tot het onderscheid tussen een verbouwing

een nieuwbouw: “Aldus is er sprake van nieuwbouw, waarop een btw-tarief van 21 pct. van toepassing is, indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw

het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden. Er is sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren,

, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw”. In een arrest van 25 juni 2021

(3)formuleerde het Hof de volgende regel met betrekking tot de vraag onder welke omstandigheden een uitbreiding van een bestaand gebouw als een verbouwing kan worden beschouwd: “Dit geldt ook voor een verbouwing die het gebouw uitbreidt of wijzigt, voor zover de oppervlakte van het oorspronkelijk onroerend goed betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte

dit nieuwe gedeelte niet onafhankelijk kan gebruikt worden, maar het oorspronkelijke gedeelte dat werd behouden

waarmee het een geheel vormt, aanvult”. 2.4. Onderhavige zaak betreft niet een geval waarin ofwel werken aan een bestaand gebouw worden uitgevoerd ofwel aan een bestaand gebouw een uitbreiding wordt toegevoegd, maar wel een geval waarin zowel aan een bestaand gebouw werken worden uitgevoerd als aan het aldus aangepaste bestaand gebouw een uitbreiding wordt toegevoegd. Noch de voormelde administratieve richtlijnen, commentaren

beslissingen noch de voormelde arresten van het Hof expliciteren hoe men een dergelijk geval moet benaderen. Logischerwijs moet men in een dergelijk geval eerst nagaan of

in welke mate het bestaande gebouw wordt verbouwd dan wel herbouwd. Slechts wanneer komt vast te staan dat het oude gebouw louter werd verbouwd, dient men na te gaan of

in welke mate de oppervlakte van dat verbouwde gebouw betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte

het nieuwe gedeelte functioneel een geheel met het oude gedeelte vormt. Wanneer daarentegen komt vast te staan dat het oude gedeelte werd herbouwd, moet niet meer nagegaan worden of

in welke mate de oppervlakte van dat verbouwde gebouw betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte

het nieuwe gedeelte functioneel een geheel met het oude gedeelte vormt; in dat geval is sprake van een uitbreiding aan een nieuwbouw

moet het geheel als een nieuwbouw worden beschouwd

(4). 2.5. In voorliggend geval lijkt het mij, in het licht van voormelde rechtspraak van het Hof dat wanneer de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw,

in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen, eveneens moet worden uitgegaan van een nieuwbouw. De appelrechter stelt vast

oordeelt p. 11 dat: * de vloerplaat volledig werd vernieuwd, net zoals de houten roostering van de eerste verdieping volledig werd vervangen door een betonnen constructie; * de fundering werd behouden, maar geenszins volstond

substantieel diende te worden verstevigd door middel van een funderingsplaat; * zelfs al was gepland om de bouwwerken wezenlijk te laten steunen op de bestaande fundering

draagmuren, het niet uitgesloten is dat de werken kwalificeren als een nieuwbouw omdat in werkelijkheid de dragende structuren te zwak waren

substantieel dienden vernieuwd te worden; * eisers erkennen dat tijdens de werken werd vastgesteld dat de muren dermate vetuus waren dat ze moesten worden afgebroken, dat het dak volledig rot was

moest worden vervangen

dat doordat de bouwput voor de bouw van een nieuwe kelder te groot was, de achtergevel in oude staat niet kon worden behouden; * op basis van de plannen

de wijze van uitvoering blijkt dat de nieuwe toestand niet wezenlijk gesteund is op nog oude werkelijk behouden fundering

draagmuren. Aldus verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 2.6. Voor het overige lijkt het onderdeel mij geheel afgeleid uit de vergeefs aanvoerde schending van artikel 37 WBTW, artikel 1, eerste

tweede lid, koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, van de rubrieken XXXI, § 1, 1°,

§ 3

, 1°,

XXXVIII, § 1, 1°,

§ 3

, 1°, van tabel A van de bijlage van dit besluit,

is het derhalve niet ontvankelijk. (…) 4. Besluit: Verwerping. _________________________________

(1)Zie BTW-commentaar, Boek II, Hoofdstuk 7, Afdeling 4, punt 8, rubriek C.
(2)Cass. 25 juni 2020, F.19.0069.N, AC 2020, nr. 456, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.11.
(3)Cass. 25 juni 2021, F.20.0032.N, arrest niet gepubliceerd.
(4)Vgl. analyse in de Voorafgaande beslissing nr. 2019.1112 van 24 maart 2020. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221021.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221021.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.