← België

M. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221025.2N.8 Rolnummer: P.22.0813.N Zaak: M. contra M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-12-15 Raadplegingen: 565 - laatst gezien 2026-06-18 16:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.8 Fiche Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf, die deels effectief en deels met uitstel van tenuitvoerlegging wordt uitgesproken en aan die beklaagde door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied is toegekend, wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor de toegekende voorlopige invrijheidstelling dan wel bij het einde van de aan het uitstel verbonden proeftijd indien die zich daarna situeert en omgekeerd

(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: HERHALING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 56, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.22.0813.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS: (…) I. De procedurele voorgaanden.
  1. Eiser werd bij vonnis van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de dato 10 november 2021, gewezen op tegenspraak, schuldig bevonden aan feiten van diefstal met geweld of bedreiging met de verzwarende omstandigheden dat het misdrijf gepleegd werd onder tweede van de in artikel 471 vermelde omstandigheden en het geweld of de bedreiging een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden tot gevolg heeft gehad (inbreuk op artikel 473, eerste en derde lid Strafwetboek). Deze feiten vonden plaats op 26 april
  2. De akte van aanhangigmaking voorzag dat eiser het misdrijf gepleegd heeft sedert hij veroordeeld werd bij arrest van het hof van beroep te Gent van 12 mei 2010, tot een gevangenisstraf van 54 maanden waarvan een uitstel van 5 jaren voor 10 maanden, wegens diefstal met geweld, arrest in kracht van gewijsde gegaan op het ogenblik van de nieuwe feiten, en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is (artikel 56, eerste en tweede lid Strafwetboek). Bij gemeld vonnis werd deze staat van wettelijke herhaling bewezen verklaard en eiser, zich bevindend in staat van wettelijke herhaling, werd op strafgebied veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar (alsmede de bijdrage aan het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, een bijdrage voor het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, een vaste vergoeding voor beheerskosten, de eigen kosten van de strafvordering en, hoofdelijk met medeveroordeelden, de overige kosten van de strafvordering). Op burgerlijk gebied werd eiser, hoofdelijk met medeveroordeelden, veroordeeld tot betaling van een provisionele schadevergoeding en werd een deskundigenonderzoek bevolen met betrekking tot verweerster. De verdere behandeling van de zaak op burgerlijk werd onbepaald uitgesteld en de beslissing over de interesten en de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding werd aangehouden. De burgerlijke beschikkingen van het vonnis werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard niettegenstaande iedere voorziening. Tegen gemeld vonnis werd door eiser hoger beroep ingesteld en door het openbaar ministerie tegen eiser.
  3. Bij het bestreden arrest van het Hof van beroep te Gent van 18 mei 2022 werd het beroepen vonnis op strafgebied en op burgerlijk gebied in alle onderdelen en beslissingen lastens eiser bevestigd. De zaak werd voor verdere behandeling van de aangehouden burgerlijke belangen verzonden naar de eerste rechter. (…) III. Het enig middel van eiser.
  4. Eiser voert de schending aan van artikel 56, eerste en tweede lid, Strafwetboek. Eiser voert aan dat het bestreden arrest ten onrechte de toestand van wettelijke herhaling aanneemt met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten van 26 april 2021, op basis van het arrest van 12 mei 2010, waarbij eiser door het Hof van beroep te Gent veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 54 maanden, waarvan 10 maanden met een uitstel voor 5 jaar. In zijn middel houdt eiser voor dat hij met betrekking tot zijn veroordeling bij arrest van 12 mei 2010 in voorlopige hechtenis heeft gezeten van 14 november 2008 t.e.m. 28 april 2009 en na zijn veroordeling opnieuw werd opgesloten middels onmiddellijke aanhouding en strafeinde bekwam op 28 januari
  5. Hij werd op 22 december 2003 vroegtijdig in vrijheid gesteld met oog op landsverwijdering door de strafuitvoeringsrechtbank en uit de stukken blijkt volgens eiser niet dat deze voorlopige invrijheidstelling werd herroepen. Het effectief gedeelte van de hoofdgevangenisstraf zou aldus volgens eiser zijn ondergaan op 28 januari 2016, ogenblik waarop de vijfjarige termijn van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek een aanvang neemt. Wat betreft het verleende uitstel van tenuitvoerlegging van 10 maanden gevangenisstraf gedurende 5 jaar blijkt uit de stukken niet dat dit werd herroepen, zodat ervan uit dient gegaan te worden dat eiser deze straf volledig heeft ondergaan bij het verstrijken van de proeftermijn, zijnde vijf jaar na het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van 12 mei 2010, i.e. op 28 mei
  6. Vanaf die datum neemt voor die straf de vijfjarige termijn van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek een aanvang. De vijfjarige termijn van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek was in beide gevallen reeds verstreken op het ogenblik van de thans bewezen verklaarde feiten.
  7. Het algemeen herhalingsregime wordt in het Strafwetboek geregeld in de artikelen 54 t.e.m. 57bis
(1)
(2). De algemene herhaling wordt onderscheiden van de bijzondere herhaling. Bij algemene herhaling volstaat het dat de door de wet gestelde voorwaarden vervuld zijn en dit ongeacht de aard van het nieuwe misdrijf. In andere gevallen vereist de wet (veelal in bijzondere strafwetgeving) dat het nieuwe misdrijf hetzelfde is of alleszins van dezelfde aard is als het misdrijf waarvoor de dader een vroegere veroordeling heeft opgelopen (bv. artikel 391bis, 508bis en 565 Strafwetboek; artikel 5 Drugswet)
(3). De wetgever heeft nagelaten het begrip “herhaling” of “recidive” te definiëren. Opdat er sprake zou kunnen zijn van herhaling moeten er volgens de rechtspraak en rechtsleer drie cumulatieve voorwaarden vervuld zijn. Vooreerst moet een persoon reeds een vroegere veroordeling hebben opgelopen tot een straf die in kracht van gewijsde is getreden
(4). Sedert de inwerkingtreding van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende justitie
(5)moeten ook veroordelingen uitgesproken door de strafrechter van een andere lidstaat van de Europese Unie in aanmerking worden genomen (artikel 57bis Strafwetboek j° artikel 99bis Strafwetboek). Vervolgens moet er een nieuw misdrijf zijn en ten slotte moet het geval van herhaling in de wet bepaald zijn (vandaar dat men spreekt van wettelijke herhaling). De staat van wettelijke herhaling vormt geen persoonlijke omstandigheid, maar betreft een toestand
(6). 6. Huidige casus heeft betrekking op de toestand van herhaling van een wanbedrijf na veroordeling tot een correctionele straf (wanbedrijf na wanbedrijf), voorzien in artikel 56, tweede lid, Strafwetboek. Artikel 56, tweede lid, Strafwetboek, bepaalt dat in geval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste één jaar, de veroordeelde kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld, indien de veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is. Deze staat van wettelijke herhaling is derhalve slechts tijdelijk: de persoon bevindt zich slechts in staat van wettelijke herhaling indien hij het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf is verjaard. Deze termijn van vijf jaar neemt aldus geen aanvang op de dag dat de eerste veroordeling kracht van gewijsde heeft. Wanneer er geen aanvang werd genomen met de uitvoering van de straf, zal er rekening moeten gehouden worden met de verjaringstermijn van de straf. De verjaring van de correctionele straffen wordt geregeld door artikel 92 Strafwetboek
(7). 7. De notie “ondergaan van de straf” dient niet letterlijk te worden geïnterpreteerd. Het Hof heeft geoordeeld dat bij een veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf met uitstel en indien dit uitstel niet werd herroepen, de straf geacht wordt te zijn ondergaan op het einde van de proeftijd. De bij artikel 56, tweede lid, Strafwetboek bepaalde termijn van vijf jaar gaat in op dat tijdstip
(8). Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat in geval van voorwaardelijke invrijheidstelling de straf wordt geacht te zijn ondergaan op het einde van de proeftijd en niet op het tijdstip van de invrijheidstelling zelf
(9)
(10). Deze rechtspraak lijkt mij evenzeer van toepassing te zijn wanneer de strafuitvoeringsrechtbank aan een veroordeelde de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering, toekent. Artikel 71, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat indien tijdens de proeftijd geen enkele herroeping heeft plaatsgehad, de veroordeelde definitief in vrijheid wordt gesteld. Derhalve zal de straf geacht te zijn ondergaan op het einde van de proeftijd die geldt voor deze strafuitvoeringsmodaliteit en neemt vanaf dan de vijfjarige termijn van artikel 56, tweede lid, Strafwet een aanvang. De duur van de proeftijd wordt bepaald volgens de regels van artikel 71, tweede, derde en vierde lid, Wet Strafuitvoering.
  1. Waarover het Hof zich tot op heden niet expliciet heeft uitgesproken, is het antwoord op de vraag wanneer de termijn van herhaling van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek begint te lopen ingeval een veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf die deels effectief en deels met uitstel van tenuitvoerlegging wordt uitgesproken en waarbij tijdens de uitvoering van het effectieve strafgedeelte aan de veroordeelde de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering, wordt toegekend. Wat betreft het gedeelte van de hoofdgevangenisstraf die met uitstel van tenuitvoerlegging wordt uitgesproken, wordt dit gedeelte van de straf geacht te zijn ondergaan op het einde van de door de rechter toegestane duur van het uitstel (de proeftijd). Wat betreft het gedeelte van de hoofdgevangenisstraf die effectief werd opgelegd en waarbij tijdens de uitvoering van het effectieve strafgedeelte aan de veroordeelde de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering, wordt toegekend, wordt deze straf geacht te zijn ondergaan op het einde van de proeftijd die geldt voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit. Deze beide proeftijden zijn niet noodzakelijk gelijklopend. Het lijkt mij in zulk geval dat de vijfjarige termijn van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek, slechts een aanvang neemt op het einde van de proeftijd die zich in tijd het laatste situeert. Met andere woorden in zulk geval zal de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek, hetzij op het einde van de aan het uitstel verbonden proeftijd, hetzij op het einde van de proeftijd die geldt voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit indien die zich daarna situeert, en omgekeerd.
  2. In deze zaak werd de staat van wettelijke herhaling vermeld in de akte van aanhangigmaking en stelde het beroepen vonnis vast dat de wettelijke voorwaarden van de wettelijke herhaling vervuld zijn
(11). Het bestreden arrest neemt deze motieven over (pag. 17 van het arrest). Op basis van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kan niet nagegaan worden of eiser de straf die uitgesproken werd door het arrest van 10 mei 2010 volledig heeft ondergaan op 28 januari 2016, zoals het middel voorhoudt. Het middel lijkt mij het Hof te verplichten tot een onderzoek van de feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. Het middel lijkt dan ook niet ontvankelijk. CONCLUSIE: verwerping. _______________________________________
(1)Het Strafwetboek voorziet volgende gevallen van algemene herhaling: herhaling van misdaad na misdaad (artt. 54 en 55 Strafwetboek), herhaling van misdaad na wanbedrijf (art. 55bis Strafwetboek, nieuw geval van herhaling ingevoerd door de wet van 5 mei 2019 tot invoeging van een artikel 55bis in het Strafwetboek, wat herhaling betreft, BS 28 mei 2019; zie J. ROZIE, “De recidivewet van 5 mei 2019: de vergiftigde kers op de repressieve taart”, NC 2019, 291-302; M.-A. BERNAERT en D. VANDERMEERSCH, “La loi du 5 mai 2019 insérant dans le Code pénal un article 55bis: un nouvel essai manqué pour pallier les discriminations épinglées par la Cour constitutionnelle en matière de récidive”, JT 2019, 490-492), herhaling van wanbedrijf na misdaad (art. 56, eerste lid, Strafwetboek), herhaling van wanbedrijf na wanbedrijf (art. 56, tweede lid, Strafwetboek) en in artikel 57 Strafwetboek is een specifiek regime voorzien voor militaire misdrijven.
(2)Zie S. VANDROMME, “Herhaling: algemeen strafrecht” in Comm. Straf., Antwerpen, Kluwer 2003, 1-27.
(3)De Commissie tot hervorming van het strafrecht stelt een andere aanpak van de recidiveregels voorop en pleit voor een verfijning waarbij het systeem van algemene herhaling wordt verlaten maar wel nog wordt voorzien in een systeem van bijzondere herhaling (J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, m.m.v. J. DE HERDT, M. DEBAUCHE en M. TAEYMANS, Commissie voor de hervorming van het strafrecht. Voorstel van voorontwerp van Boek I van het Strafwetboek, Brugge, die Keure 2016, 153-159). De tekst werd opgenomen in het wetsvoorstel van 24 september 2019 tot invoering van een nieuw Strafwetboek, ingediend door de heren Philippe Goffin, Koen Geens en Servais Verherstraeten en mevrouw Katja Gabriëls (Parl.St. Kamer, Doc 55 417/001) en het wetsvoorstel van 12 februari 2020 tot instelling van een nieuw Strafwetboek (boek 1 en 2), ingediend door mevr. Özlem Özen en c.s. (Parl. St. Kamer, Doc 55 1011/001). Deze wetsvoorstellen voorzien in een algemeen artikel (resp. artikel 61 en 63) dat bepaalt dat in de bij wet bepaalde gevallen de op een misdrijf gestelde straf kan worden verhoogd naar een straf van het onmiddellijk hogere niveau indien op het ogenblik van het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren verlopen zijn te rekenen vanaf de dag waarop de vorige veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn van vijf jaar wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de veroordeelde de facto zijn vrijheid was ontnomen.
(4)Cass. 2 mei 2012, AR P.12.0667.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120502.2, AC 2012, nr. 268; Cass. 19 december 1984, AR 3915, AC 1984, nr. 251.
(5)BS 14 mei 2014.
(6)Cass. 30 juni 2004, AR P.04.0784.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040630.22, AC 2004, nr. 367, RAGB 2005, afl. 6, 489, noot J. ROZIE, RW 2005-2006, 580, noot S. VANDROMME.
(7)Art. 92 Strafwetboek bepaalt dat, behoudens straffen met betrekking tot misdrijven zoals bepaald in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater, die onverjaarbaar zijn, correctionele straffen verjaren door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dagtekening van het arrest of van het in laatste aanleg gewezen vonnis, of te rekenen van de dag waarop het in eerste aanleg gewezen vonnis niet meer kan worden bestreden bij wege van hoger beroep. Indien de uitgesproken straf drie jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn tien jaren.
(8)Cass. 13 september 2016, AR P.16.0665.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.9, AC 2016, nr. 487; Cass. 16 oktober 2012, AR P.12.0537.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121016.3, AC 2012, nr. 535; Cass. 2 mei 2001, AR P.01.0121.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010502.10, AC 2001, nr. 248; Cass. 15 juli 1997, AR P.97.0805.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970715.4, AC 1997, nr. 316; Cass. 24 juni 1992, AR 9910, AC 1992, nr. 561, met conl. Van Janssens de Bisthoven, advocaat-generaal, op datum in Pas., Rev.dr.pén., 1992, 1006, met noot, RW 1992-93, 781, met noot, JT 1992, 639 met noot; contra: Luik 23 maart 1987, JLMB 1988, 1012 met noot F. KEFER.
(9)Cass. 23 oktober 1996, AR P.96.0493.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961023.7, AC 1996, nr. 398.
(10)Zie over de situatie van een voorlopige invrijheidstelling: J. ROZIE, “Over herhaling en voorlopige invrijheidstelling” (noot onder Cass. 30 juni 2004), RABG 2005, afl. 6, 492-495; S. VANDROMME, “Wanneer begint de termijn van herhaling van art. 56, tweede lid, Sw. te lopen, ingeval de veroordeelde in vrijheid werd gesteld” (noot onder Cass. 30 juni 2004), RW 2005-2006, nr. 15, 581-582.
(11)Het Hof oordeelde dat bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie, de rechter de beslissing dat de beklaagde zich in staat van wettelijke herhaling bevindt, regelmatig met redenen omkleedt door de vaststelling dat de wettelijke voorwaarden van de wettelijke herhaling vervuld zijn (Cass. 3 juni 2003, AR P.03.0516.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030603.10, AC 2003, nr. 334). PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221025.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961023.7 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970715.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010502.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030603.10 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040630.22 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120502.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121016.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230208.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230208.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.