← België

D. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221107.3N.6 Rolnummer: C.21.0243.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-01-12 Raadplegingen: 531 - laatst gezien 2026-06-18 23:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221107.3N.6 Fiche Het vormt voor een geïnterneerde persoon een buitensporige procedurele last om een vordering in schadevergoeding te moeten instellen vóór het einde van de periode waarin hij van zijn vrijheid is beroofd in omstandigheden die strijdig zijn met artikel 5 EVRM; een dergelijke vereiste houdt geen rekening met de kwetsbaarheid van de geïnterneerde persoon als gevolg van zijn geestelijke gezondheidstoestand en zijn vrijheidsberoving, noch met het feit dat een geïnterneerde persoon gedurende zijn vrijheidsberoving in omstandigheden strijdig met artikel 5 EVRM - voornamelijk ernaar streeft om deze omstandigheden te doen evolueren door om een overplaatsing naar een aangepaste instelling of een invrijheidsstelling te verzoeken

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)EHRM, 6 april 2021, Venken e.a. t. België. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Toegang tot de rechter - Geïnterneerde - Kwetsbare positie - Vordering tot schadevergoeding - Tijdstip - Verjaring Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de conclusie C.21.0243.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het hof van beroep Antwerpen gewezen op 30 november
  2. Door eiser wordt er een middel aangevoerd.
  3. Het middel. A. Probleemstelling. De problematiek in huidige zaak is of de appelrechter op grond van de overwegingen die hij heeft weerhouden om te oordelen dat de vordering van eiser deels verjaard is, een buitensporige last legt in hoofde van de eiser en dat hierdoor aan de betrokkene een reële toegang tot de rechter wordt ontzegd. Eén en ander valt te beoordelen in het licht van de bepalingen van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de recente rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. B. Beoordeling. a. Ontvankelijkheid. (…) b. Gegrondheid. Luidens artikel 5.5 EVRM heeft diegene die het slachtoffer is geworden van een arrestatie of een detentie, in strijd met de bepalingen van artikel 5 EVRM, recht op een schadeloosstelling. Gerechtigheid op een schadevergoeding houdt, in voorkomend geval, in dat de schadelijdende partij een vordering in rechte dient in te stellen. Het recht van toegang tot een rechter wordt gewaarborgd door de artikelen 6.1 en 13 EVRM. Dit recht van toegang is evenwel geen absoluut recht. Het kan dus beperkt worden, maar enkel in zoverre dit de essentie van het recht niet aantast
(1). Bovendien moeten de beperkingen een legitiem doel nastreven en de aangewende middelen dienen proportioneel te zijn met het nagestreefde doel
(2). Een verjaringstermijn kan zo een beperking van de toegang tot de rechter zijn. Zij is er op gericht om rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te vrijwaren. Dit betreft derhalve een legitiem doel
(3). Maar de verjaringstermijn mag echter niet tot gevolg hebben dat zij het recht op toegang tot de rechter uitholt. Een gebeurlijke aantasting van dit recht kan het gevolg zijn van de aard van de verjaringstermijn of de toepassing ervan
(4). Inzake de beoordeling van het geschil dat voor Uw Hof is gebracht is er een recent arrest van het Hof van de Rechten van de Mens dat desbetreffend decisief is, namelijk het arrest Venken e.a. t. België van 6 april 2021. Het EHRM oordeelt dat de omstandigheden van detentie in de psychiatrische vleugel van een gevangenis, gelet op het overschrijden van de redelijke termijn om de geïnterneerde in een aangepaste instelling onder te brengen, gekwalificeerd dient te worden als een voortdurende schending
(5). Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door onderbrekingen ingevolge periodes van invrijheidstelling op proef. Verder oordeelt het EHRM dat vereisen dat geïnterneerden een gerechtelijke procedure tot schadevergoeding zouden opstarten, voor er een einde gesteld is aan de voortdurende schending, een buitensporige last in hunne hoofde zou leggen. Zo een vereiste zou geen rekening houden met de kwetsbaarheid van de geïnterneerden gelet op hun mentale gezondheid en de vrijheidsberoving
(6)
(7). Immers, tijdens deze periode van voortdurende schending bestaat, volgens het EHRM, de hoofdbekommernis van de geïnterneerde in het doen evolueren van de omstandigheden van zijn detentie door een overbrenging naar een aangepaste instelling dan wel een invrijheidstelling
(8). Derhalve, door op grond van de overwegingen die aan te treffen zijn in de randnummers 7.1, 7.2 en 7.3 van de bestreden beslissing te oordelen dat een deel van de vordering van eiser is verjaard, schendt de appelrechter de artikelen 5.5, 6.1 en 13 EVRM en verantwoordt hij dienvolgens niet naar recht zijn beslissing. Conclusie: Cassatie. __________________________________
(1)Cass. 29 januari 2016, AR C.14.0006.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.3, AC 2016, nr. 67.
(2)EHRM 25 februari 2014, nr. 15835/08, Loncar t. Bosnië en Herzegovina, randnummer 37.
(3)EHRM 30 juni 2016, nr. 56778/10, Foltis t. Duitsland, randnummer 39.
(4)EHRM, 12 januari 208, nr. 26111/02, Mizzi t. Malta, randnummer 89.
(5)EHRM, 6 april 2021, nr. 46130/14, Venken t. België, randnummer 151.
(6)EHRM, 6 april 2021, o.c., randnummer 152.
(7)Dit ligt in het verlengde van wat het EHRM eerder beslist heeft in een zaak tegen Estland. EHRM, 29 januari 2019, nr. 23226/16, Nikitin e.a. t. Estland.
(8)EHRM, 6 april 2021, o.c., randnummer 152. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221107.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221107.3N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.