← België

G. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 november 2022

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 6 Het eerlijke karakter van het proces kan in het gedrang komen wanneer de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs omdat er twijfel bestaat over de onpartijdigheid van de verbalisanten en over de volledigheid van de door hen aan het strafdossier toegevoegde bewijsgegevens; de vrees voor een partijdige bewijsgaring moet evenwel objectief zijn gerechtvaardigd; daarvoor is niet vereist dat het bewijs wordt geleverd dat de verbalisanten effectief partijdig hebben gehandeld of bewijsmateriaal à décharge hebben achtergehouden, maar de rechter moet wel vaststellen dat er objectieve redenen voorhanden zijn die bij de partijen de gewettigde vrees doen ontstaan dat dit het geval is geweest; het objectief vastgestelde feit dat een verbalisant contact heeft gezocht met een door een getuige aangewezen potentieel slachtoffer van de beklaagde en van die vruchteloos gebleken poging niet spontaan melding heeft gemaakt in een aan het strafdossier toegevoegd proces-verbaal, impliceert niet noodzakelijk dat er twijfel moet bestaan over de betrouwbaarheid van de bewijsgaring in zijn geheel

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 11 De rechter mag de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering slechts uitspreken wanneer hij omstandigheden vaststelt waardoor het instellen of voortzetten van de strafvordering met eerbiediging van het recht op een eerlijk proces niet meer mogelijk is; de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering valt zodoende niet samen met de onregelmatigheid van de handeling die is verricht tijdens de uitoefening van de strafvordering of die aan de oorsprong ervan ligt; de rechter moet het onherroepelijke karakter van de aantasting van het recht op een eerlijk proces, dat aldus is vereist als voorwaarde voor het niet ontvankelijk verklaren van de strafvordering, in concreto vaststellen; daarvoor moet hij de zaak in haar geheel onderzoeken en nagaan of er aan de door hem vastgestelde onregelmatigheid reeds is geremedieerd in een andere fase van het strafonderzoek, dan wel nog kan worden geremedieerd in de vonnisfase; het is daarbij in het bijzonder van belang dat de beklaagde globaal genomen de authenticiteit van het tegen hem aangevoerde bewijs integraal en met kennis van zaken heeft kunnen betwisten en zich zo nodig tegen het gebruik ervan heeft kunnen verzetten; de rechter beoordeelt aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak onaantastbaar de gevolgen die de door hem vastgestelde onregelmatigheid heeft gehad voor de wijze waarop de beklaagde zijn recht op een eerlijk proces al dan niet nog kan uitoefenen; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 28bis

, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.22.0825.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De loyauteit in de opsporing en de beoordeling van deze vereiste door de vonnisrechter”

  1. Voorgaanden en middel.
  2. In deze zaak is de vraag aan de orde of het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar is aangetast doordat de politie niet onmiddellijk een proces-verbaal opstelt van bericht dat zij via een fictief Facebookaccount heeft gericht aan een mogelijk slachtoffer, met de vraag om de politie te contacteren voor het afleggen van een verklaring.
  3. Eiser wordt vervolgd wegens verkrachting van en aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging van de meederjarige M.L. (telastleggingen A.2 en B.2). De correctionele rechtbank te Antwerpen achtte de feiten bewezen, samen met beweerde gelijkaardige feiten ten aanzien van J.R (telastleggingen A.1 en B.1), en heeft eiser veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van drie jaar. Er was volgens de correctionele rechtbank geen sprake van een deloyaal onderzoek en daaruit voortvloeiend een miskenning van het recht op een eerlijk proces.
  4. Het hof van beroep te Antwerpen nam eveneens aan dat er geen sprake is van een deloyale en partijdige bewijsgaring, het recht op een eerlijk proces in zijn geheel niet is miskend en heeft eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, met probatie-uitstel voor een periode van vijf jaar, wegens de strafbare feiten A.2 en B.2 ten nadele van M.L. Tevens werd eiser voor de duur van vijf jaar ontzet uit de rechten vermeld in artikel 31 lid 1 Strafwetboek. Op burgerlijk vlak werd eiser veroordeeld tot een definitieve schadevergoeding wegens materiële en morele schade toegebracht aan verweerster 1 en wegens morele schade toegebracht aan verweerders 2 en
  5. Eiser voert in een eerste middel aan dat de appelrechters de strafvordering wegens verkrachting en aanranding van de eerbaarheid niet-ontvankelijk hadden moeten verklaren, wegens schending van de rechten van verdediging. De voornaamste reden is dat de politieambtenaar R. via een vals profiel (op naam ‘Tom C.’) een bericht verzond naar een persoon die als mogelijk slachtoffer werd aanzien (Y.D.) en het gebrek aan antwoord van die persoon pas in een proces-verbaal hebben vermeld nadat eiser door Y.D. in kennis was gesteld van dat bericht. Verder verzond de politie via dit vals profiel een gelijkaardig bericht naar getuige R.W. met als boodschap dat wat er is gebeurd ‘niet ok’ was, wat wijst op vooringenomenheid. Ook werd in de uitnodiging tot verhoor van eiser niet vermeld dat er vier dames belastende verklaringen tegen hem hebben afgelegd. Het onderzoek is volgens eiser niet loyaal gevoerd en steunt op onbetrouwbare en onvolledige informatie. Het feit dat de procureur des Konings uiteindelijk inspecteur R. van de zaak haalde, het onderzoek naar feiten ten aanzien van J.R. (benadeelde vermeld in de telastleggingen A1 en B1) wel correct verliep, en heel wat personen op de terechtzitting zijn ondervraagd, maakt daarbij geen verschil uit. Het bestreden arrest is aldus in strijd met art. 6 EVRM en de artikelen 28bis, § 3 en 56 Wetboek van Strafvordering, aangezien handelingen van de verbalisanten tot gevolg hadden dat ‘alle objectiviteit tijdens het onderzoek overboord gegooid is en dat er op onherstelbare wijze afbreuk gedaan wordt aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal en het bewijs, aan de waarborgen op een eerlijk proces en de zoektocht naar de waarheid”.
  6. Het beginsel van loyauteit.
  7. In zoverre eiser opkomt tegen de vrijspraak wegens feiten A1 en B1, is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang.
  8. Artikel 28bis § 3, laatste lid, Sv. bepaalt dat de procureur des Konings waakt over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee zij worden verzameld. Artikel 56 § 1 Sv., eveneens door eiser ingeroepen, bevat eenzelfde verplichting voor de onderzoeksrechter, doch is in deze zaak niet van toepassing, omdat de zaak alleen het voorwerp uitmaakte van een opsporingsonderzoek.
  9. De plicht tot ‘loyauteit’ is in vermelde wetsbepalingen niet nader toegelicht en kent meerdere facetten. Voorafgaand aan deze procesregels, ingevoerd door de Wet van 12 maart 1998 (BS 2 april 1998), nam het Hof als algemeen beginsel aan “dat onwettelijk is het bewijs verkregen niet alleen door een daad die uitdrukkelijk door de wet is verboden, maar ook door een daad die onverenigbaar is met de substantiële regelen van de rechtspleging in strafzaken of met de algemene rechtsbeginselen, en meer bepaald met de eerbied voor het recht van verdediging waartoe het zwijgrecht van de verdachte behoort”

(1). 8. Advocaat-Generaal Jean DU JARDIN stelde in een conclusie van 1994 dat een bewijsmiddel ontoelaatbaar is wanneer het is verkregen door een opsporingspraktijk die de ‘waardigheid van het gerecht in het gedrang brengt”
(2). Die waardigheid kan volgens hem worden verduidelijkt door de ‘vereiste van loyauteit’ of anders geformuleerd ‘het vereiste van behoorlijkheid in de opsporing, zoals dat in het Nederlandse strafprocesrecht bestaat’
(3). In het Nederlandse strafprocesrecht worden bepaalde beginselen van behoorlijk bestuur toegepast, zoals het vertrouwensbeginsel en het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Meer bepaald dient de Nederlandse strafrechter de strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren als er sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor bewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan
(4). In fiscale zaken geldt in België de regel dat het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces
(5). 9. Vanuit die optiek zou men ‘loyauteit’ kunnen omschrijven als de plicht voor de onderzoekende magistraat en de opsporingsambtenaren om eerbied hebben voor de rechten van verdediging, oog te hebben voor gegevens en onderzoek pistes die in het voordeel zijn van de verdachte en alle nuttige informatie aan het strafdossier toe te voegen
(6). De auteurs Chris VAN DEN WYNGAERT, Steven VANDROMME en Philip TRAETS geven aan dat: “Loyauteit veronderstelt dat het gerecht eerbied heeft voor de rechten van verdediging en het goede voorbeeld geeft. Gerechtelijke instanties kunnen de beklaagde moeilijk verwijten dat hij de strafwet overtreedt als zij zelf methodes gebruiken of tolereren die onrechtmatig zijn”
(7). De vereiste van loyauteit houdt alleszins een correctie in op de vroegere regel van “alles wat niet verboden is, is toegelaten”
(8). Het feit dat een bepaalde opsporingstechniek niet bij wet is verboden belet de strafrechter niet het ermee bekomen bewijs uit te sluiten, wanneer het beginsel van loyauteit in concrete omstandigheden is miskend en daardoor afbreuk is gedaan aan de betrouwbaarheid van het bewijs of het recht op een eerlijk proces. 10. Artikel 47bis, § 1 Sv. over het verhoor van slachtoffers en getuigen bevat geen voorschriften over de uitnodiging tot verhoor via sociale media. Het is niet vereist dat het slachtoffer of een getuige per brief wordt uitgenodigd voor een verhoor, met kennisgeving van de rechten vermeld in art. 47bis, § 1 Sv
(9). Behoudens wettelijke uitzonderingen, zoals infiltratie (art. 47octies, § 1 Sv.) of het via internet contact houden met verdachten onder een fictieve identiteit (art. 46sexies Sv.), mag van een politieambtenaar worden verwacht dat hij zich voor het inwinnen van informatie niet verschuilt achter een fictieve identiteit, transparant is in communicatie met slachtoffers, getuigen en verdachten. Artikel 57, laatste lid, KB van 10 mei 2006 houdende vaststelling van de deontologische code van de politiediensten, BS 30 mei 2006 bepaalt: “Bij interventies in uniform op een openbare plaats of ter gelegenheid van telefonische contacten, delen de personeelsleden hun naam en het korps of de dienst waartoe zij behoren mee, zeker wanneer de persoon waarmee ze te maken krijgen ernaar vraagt, tenzij de omstandigheden het niet mogelijk of opportuun maken, zoals bijvoorbeeld in het raam van de handhaving van de openbare orde”.
  1. Een gebrek aan transparantie in de communicatie met een persoon die wordt uitgenodigd voor verhoor kan in specifieke omstandigheden afbreuk doen aan de eerder vermelde vereiste van behoorlijkheid in de opsporing, als aspect van de vereiste van loyauteit. Het lijkt mij hierbij van belang niet zozeer te letten op het account waarmee de politie een bericht zendt, maar vooral op de inhoud van dat bericht. Wanneer een politieambtenaar via een fictief account een bericht overmaakt aan een mogelijk slachtoffer, daarin zijn hoedanigheid vermeldt en beknopte informatie meedeelt over het lopende strafrechtelijk onderzoek, is uiteindelijk aan de plicht tot legitimatie of identificatie van art. 57 KB van 10 mei 2006 voldaan. De vereiste van loyauteit wordt m.i. wel miskend als de politieambtenaar buiten de bij wet voorziene gevallen in een bericht verstuurd via een fictief Facebookprofiel zijn hoedanigheid verzwijgt, zich doelbewust voordoet als een privé-persoon, om op die manier belastende informatie te bekomen zonder dat de gecontacteerde persoon weet dat hij meewerkt aan een strafrechtelijk onderzoek. De gecontacteerde persoon die in een bericht van antwoord informatie zou aanbrengen kan zich dan niet op de waarborgen van art. 47bis Sv. beroepen, zoals het recht zichzelf niet te beschuldigen van een misdrijf.
  2. De loyauteit van de opsporing komt eveneens in het gedrang als de politie een fictief account gebruikt om opsporingshandelingen te verbergen, doelbewust informatie voor een partij achter te houden. Het eerste middel voert deze laatste vorm van misleiding aan als schending van art. 6 EVRM en art. 28bis, § 3 Sv. Eiser stelt dat het onomstotelijk vaststaat dat er handelingen in het geheim zijn gesteld, er via het fictief Facebookprofiel informatie achtergehouden werd die in zijn voordeel is. Volgens eiser kwamen gegevens over het bericht aan Y.D. pas in het strafdossier terecht nadat eiser door Y.D. werd ingelicht over de vreemde manier van contactname en hij de verbalisanten met dit gegeven confronteerde, tijdens zijn verhoor als verdachte.
  3. De volledigheid van het onderzoek.
  4. Een essentieel onderdeel van de wettelijke vereiste van loyauteit is transparantie in het verloop en de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek. De onderzoekende magistraat en de opsporingsambtenaren zijn verplicht mee te delen welke onderzoeksdaden zij hebben gesteld en moeten de bekomen resultaten aan het strafdossier voegen, in het voordeel en nadeel van de verdachte. Over de verplichting van het openbaar ministerie om een objectief onderzoek te leiden oordeelde het Hof reeds dat: “De loyaliteit van het openbaar ministerie wordt vermoed. Om dat vermoeden te weerleggen zijn nauwkeurige en objectieve gegevens vereist. Het loyaliteitsbeginsel houdt in dat alle door het parket verzamelde gegevens bij het strafdossier worden gevoegd, inzonderheid de gegevens à décharge. Hoewel de procureur des Konings partij is in het strafproces, is hij dat niet op dezelfde wijze als de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij, die de gegevens die in strijd zijn met de belangen die zij verdedigen, niet bij het debat moeten voegen”
(10).
  1. Ook politieambtenaren moeten alle nuttige informatie verzamelen en meedelen aan het openbaar ministerie. Artikel 127, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalt: "Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun onpartijdigheid. Zij moeten elke handeling of houding vermijden waardoor dit vermoeden van onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast. De politieambtenaren moeten elke willekeur bij hun optreden uitsluiten, door inzonderheid te vermijden dat ze, bij hun wijze van optreden of uit hoofde van de aangelegenheid waarvoor zij optreden, afbreuk doen aan de onpartijdigheid die de burgers van hen mogen verwachten". Artikel 22 van de deontologische code van de politiediensten (KB van 10 mei 2006, BS 30 mei 2006) heeft dezelfde draagwijdte. Volgens art. 28ter § 4, tweede lid, Sv. lichten de politiediensten die door de procureur des Konings zijn belast met een onderzoek dadelijk de bevoegde gerechtelijke overheid in over de informatie en inlichtingen in hun bezit en over elke ondernomen opsporing, op de door de procureur des Konings vastgestelde wijze.
  2. Verder vermijdt de politieambtenaar elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is (art. 132 Wet 7 december 1998). Art. 29 KB van 10 mei 2006 houdende vaststelling van de deontologische code van de politiediensten, BS 30 mei 2006, derde en vierde lid, bepaalt dat: “Zij oefenen op loyale wijze hun ambt uit onder het gezag van de politieoverheden, alsook onder leiding van hun chef. Zij handelen en gedragen zich bij de uitoefening van hun ambt overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen, de strategie en de richtlijnen van de overheid. Zij laten zich leiden door overwegingen van wettelijkheid, billijkheid, opportuniteit en doeltreffendheid”.
  3. Het Hof nam over de plicht tot loyauteit aan dat: “Het openbaar ministerie en de politieambtenaren worden geacht daarbij loyaal op te treden. Het komt aan de partijen toe aannemelijk te maken dat het openbaar ministerie en de politie voor hen relevante informatie niet hebben opgenomen of laten opnemen in een proces-verbaal en dat hierdoor hun recht van verdediging is miskend. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar”
(11). 17. Een eenzijdig optreden van het openbaar ministerie of de politie, waardoor bewijsinformatie à décharge niet of laattijdig wordt ontdekt of niet of laattijdig aan het strafdossier wordt gevoegd, kan afbreuk doen aan het recht op een eerlijk proces. Het is aan de rechter om daarover in het concrete geval te oordelen. Het is vaste rechtspraak dat de procedurele eerlijkheid in het gedrang komt wanneer de bewijsgaring, in haar geheel, is verlopen in omstandigheden die de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs aantasten omdat er twijfel bestaat omtrent de onpartijdigheid van de met het onderzoek belaste personen. De vrees voor een partijdige bewijsgaring moet echter objectief worden verantwoord. De rechter dient vast te stellen dat er redenen zijn die de partijen terecht doen vrezen voor het ontstaan van een dergelijk risico op partijdigheid, in het licht van alle bijzondere omstandigheden van de zaak
(12). 18. Een tekortkoming in de plicht tot loyauteit van de politie leidt niet noodzakelijk tot niet-ontvankelijkheid van de strafvordering (of nietigheid van het ganse onderzoek), wegens miskenning van de rechten van verdediging. Het Hof heeft dit beginsel reeds beoordeeld in een zaak van 2020 waarbij een politieambtenaar had nagelaten een proces-verbaal op te stellen van fotoconfrontaties waarbij de slachtoffers er tot twee keer toe niet in geslaagd waren de verdachte te herkennen. De beklaagde wierp in cassatie op dat zelfs als tijdens het proces zijn recht van verdediging werd geëerbiedigd, omdat er van de verborgen onderzoekshandelingen uiteindelijk een proces-verbaal werd opgemaakt dat bij het dossier werd gevoegd, de oneerlijke praktijken waaraan de politieman zich aldus schuldig heeft gemaakt het volledige onderzoek in diskrediet hebben gebracht, aangezien onmogelijk kan worden achterhaald of er geen andere, voor de eiser gunstige gegevens verborgen zijn gehouden. Het Hof nam in deze zaak van 2020 aan dat: “De vaststelling dat een onderzoeker tijdens het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek is tekortgeschoten in zijn plicht om de bewijzen op een eerlijke manier te vergaren, impliceert daarom nog niet dat er geen eerlijk proces meer kan worden gevoerd en dat de vervolging onontvankelijk moet worden verklaard. De rechter kan de vervolging pas onontvankelijk verklaren wanneer hij in concreto vaststelt dat die tekortkoming, gelet op de omstandigheden van de procedure die in haar geheel moet worden beoordeeld, tot gevolg heeft dat een eerlijk proces definitief onmogelijk is geworden. De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze in feite of een oneerlijke handeling die in de voorbereidende fase van het strafproces werd verricht het eerlijk karakter van het proces al dan niet onherroepelijk heeft aangetast. Het Hof gaat na of de rechter uit de feiten die hij vaststelt geen gevolgtrekkingen heeft gemaakt die daarmee geen verband houden of die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel kritiek uitoefent op die beoordeling, door de appelrechters, van de gevolgen van de onregelmatigheden die de met het onderzoek belaste politieagenten hebben begaan, is het niet ontvankelijk”
(13). Het Hof oordeelde eveneens dat “In zoverre, voor het overige, het middel gegrond is op de bewering dat de onderzoekers andere onderzoekshandelingen zouden hebben verzwegen dan die waarvan voor de eerste rechters werd bewezen dat ze niet was verricht, gaat het uit van een veronderstelling. In zoverre is het middel niet ontvankelijk”
(14). 19. Mij komt voor dat het middel van eiser over het contacteren van een mogelijk slachtoffer via een fictief Facebookprofiel en het niet spontaan melden van deze onderzoeksdaad aan de verdachte tijdens zijn verhoor om dezelfde redenen kan worden verworpen. Het feit dat van het gebruik van het Facebookprofiel pas een proces-verbaal zou zijn opgesteld na het verhoor van eiser, betekent niet noodzakelijk dat de bewijsgaring in haar geheel onbetrouwbaar zou zijn of dat de rechten van verdediging zodanig zijn aangetast, dat niet-ontvankelijkheid van de strafvordering de enige remedie is. Van belang is dat de rechter nagaat of de onregelmatigheid of het verzuim tijdens het vooronderzoek is hersteld of weggewerkt in een latere fase van het strafproces, op een manier dat het proces in zijn geheel aan de vereiste van art. 6.1 EVRM voldoet. Zo kan een getuige à charge ter zitting worden verhoord wanneer de beklaagde meent dat de politie op een vooringenomen wijze een verklaring afnam van deze getuige. Het Hof nam op dit punt aan dat: “De niet-ontvankelijkheid van de strafvordering of van de uitoefening ervan vormt enerzijds de sanctie die is gesteld op omstandigheden die beletten om de strafvordering in te stellen of voort te zetten met eerbiediging van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. De niet-ontvankelijkheid van die vordering valt derhalve niet samen met de niet-ontvankelijkheid of de nietigheid van de handeling die tijdens de uitoefening ervan is verricht dan wel aan de oorsprong ervan ligt. Het onherroepelijk karakter van een aantasting van het recht op een eerlijk proces moet in concreto worden aangetoond en vastgesteld door de rechter en kan niet worden gelijkgesteld met de omstandigheid zelf dat een dergelijke grief, die de rechter eerst moet trachten te verhelpen, zou zijn bewezen. Zo kan de beslissing die enkel stelt dat voornoemd recht onherroepelijk is miskend, in het licht van dat vereiste niet als naar recht verantwoord worden beschouwd. Dat toezicht vereist ook een onderzoek van de zaak in haar geheel, teneinde na te gaan of een gebrek eigen aan een bepaalde fase van de rechtspleging al dan niet achteraf kon worden rechtgezet. In dat opzicht moet met name worden onderzocht of de partijen de authenticiteit van het bewijselement hebben kunnen betwisten en zich tegen het gebruik ervan hebben kunnen verzetten. Die toetsing houdt rekening met de kwaliteit van het bewijselement, met inbegrip van het antwoord op de vraag of de omstandigheden waarin het werd verzameld aan de juistheid ervan doen twijfelen”
(15). 20. Aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak oordeelt de strafrechter bijgevolg onaantastbaar over de gevolgen van een onregelmatigheid of tekortkoming in de opsporing op de betrouwbaarheid van alle bekomen gegevens en/of op het recht op een eerlijk proces in zijn geheel, waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven
(16). In zoverre eiser aanvoert dat laattijdige mededeling aan het openbaar ministerie van een uitnodiging tot verhoor aan een mogelijk slachtoffer via een fictief account steeds de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering meebrengt, faalt het middel naar recht.
  1. Het bestreden arrest oordeelt dat noch het openbaar ministerie noch de politie het onderzoek op een deloyale of vooringenomen wijze hebben gevoerd. Daarbij is rekening gehouden met het verhoor van getuigen M.B en M.K, die eiser aangaf als getuigen à décharge, met het uitlezen van het GSM-toestel van verweerster 1 en de vermelding in een proces-verbaal dat de verklaringen van klaagster J.R. lijnrecht tegenover deze van eiser staan en het dossier geen materiële bewijzen bevat, wat onmiskenbaar een visie à décharge is.
  2. De appelrechters stellen vast dat de politie van getuige E.G. vernam dat Y.D. mogelijks een slachtoffer van seksueel misbruik door eiser zou zijn en daarom een Messengerbericht heeft gestuurd naar Y.D. via een fictief Facebookaccount. Deze handeling leidt volgens het arrest niet tot niet-ontvankelijkheid van de strafvordering tegen eiser, omdat onder meer 1° de verbalisanten in een proces-verbaal van 14 november 2019 hebben meegedeeld dat er werd gebruik gemaakt van een fictief Facebookaccount op naam van ‘Tom C.’, 2° de verbalisant R. in dat bericht onmiddellijk zijn identiteit opgaf als politieambtenaar van de lokale politie te Schoten en daarbij aangaf een onderzoek inzake een verkrachting te voeren met eiser als verdachte, 3° Y.D. geen gevolg gaf aan het Messengerbericht en daarom nooit is verhoord, 4° de contactname met Y.D. in deze omstandigheden niet impliceert dat de politie handelde met de bedoeling om nuttige informatie achter te houden of de waarheidsvinding te verhinderen, zodat het feit dat van de contactname een proces-verbaal is opgesteld na voorlegging van het bericht door de verdediging niet wijst op deloyale bewijsvoering, 5° in de gegeven omstandigheden de betrouwbaarheid van de informatie vermeld in processen-verbaal niet in het gedrang komt, 6° de verdediging vrij de gegevens van het strafdossier en de daaruit afgeleide gevolgen door de verbalisanten kan betwisten en 7° op vraag van de verdediging diverse getuigen zijn verhoord ter zitting, die niet door de politie zijn benaderd met een Messengerbericht.
  3. Met deze redenen konden de appelrechters naar mijn mening wettig oordelen dat de door eiser bekritiseerde handelingen van de politie niet wijzen op een deloyale of partijdige bewijsgaring, de betrouwbaarheid van de gehele bewijsgaring niet aantast en het recht op een eerlijk proces in zijn geheel niet in het gedrang brengt, zodat de strafvordering ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Voor het overige komt eiser op tegen een onaantastbare beoordeling van feitelijke gegevens of verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waardoor het niet-ontvankelijk is. (…) Besluit: Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. ___________________________________
(1)Cass. 13 mei 1986, AR 9136, AC 1985-86, nr. 558, met concl. van advocaat generaal J. DU JARDIN, RDPC 1986, 905. In de parlementaire voorbereiding van de Wet van 12 maart 1998, dat het begrip ‘loyauteit’ invoert in art. 28bis en 56 Sv., wordt naar dit arrest verwezen. Het begrip loyauteit heeft volgens de wetgever “betrekking op de vergaring van de bewijsmiddelen in overeenstemming met de principes van het recht” (Wetsontwerp van 19 december 1996 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, Parl. St. Kamer, zitting 1996-97, 857/1, p. 40, www.dekamer.be.
(2)Advocaat generaal J. DU JARDIN, conclusie in de zaak Cass. 4 januari 1994, AR 6388, AC 1994, nr. 1, met verwijzing naar Cass. 2 mei 1960, AC 1960, 783.
(3)Advocaat generaal J. DU JARDIN, conclusie in de zaak Cass. 4 januari 1994, AR 6388, AC 1994, nr. 1. Zie ook I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde misdaad, Intersentia 2003, 226: “Niet enkel de artt. 6 en 8 EVRM bevatten toetsingscriteria voor de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden, maar de inzet van dergelijke onderzoeksmaatregelen dient ook steeds getoetst te worden aan de beginselen van behoorlijk procesrecht”. In dezelfde zin C. VAN DEN WYNGAERT, “De wijzigingen t.a.v. het opsporingsonderzoek”, in Het vernieuwde strafprocesrecht, Maklu 1998, 50; Ph. TRAEST en J. MEESE, “België”, in Heimelijke opsporing in de Europese Unie, Intersentia 2000, 13.
(4)Hoge Raad der Nederlanden, 19 december 1995, Nederlands Juristenblad 1996, 249, aangehaald en besproken door G.J.M. CORSTENS, Het Nederlands strafprocesrecht, Arnhem, Gouda Quint 1999, 60-70 en 208.
(5)Cass. 11 juni 2020, AR F.19.0022.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.2, AC 2020, nr. 389, met concl. van advocaat generaal J. VAN DER FRAENEN. Zie ook S. BERNEMAN, “Fiscale rechter vs. strafrechter: wie heeft het er voor het zeggen?”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 34-36; M. MAUS; “Fiscaal-administratieve sanctionering en rechtsbescherming”, in Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, Intersentia 2011, 203-210.
(6)Over de draagwijdte van het begrip loyauteit zie L. HUYBRECHTS, “Het gebruik in het strafprces van een ander strafdossieré, in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Mys & Breesch 1994, 302; C. DE VALKENEER, Manuel de l’enquête pénale, Larcier 2018, 90-93; X. DE RIEMAECKER, “De deontologie”, in Statuut en deontologie van de magistraat, Die Keure 2020, 418-422; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 399 en 414; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 950-954.
(7)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1338.
(8)Over de regel “alles wat niet uitdrukkelijk is verboden, is toegestaan”, ook ‘permissieve regel’ genoemd, zie G. BORDOUX, E. DE RAEDT, M. DE MESMAEKER, A. LINERS en H. BERKMOES, De wet op het politieambt. Handboek van de politiefunctie, Politeia 2009, 228; C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu 2009, 879-880; F. GOOSSENS, “Gevraagd: duidelijkheid voor de politie. Vijf samenhangende stellingen over de legaliteit van politioneel optreden en het bewaren ervan vanuit de Antigoonrechtspraak”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 168-169.
(9)M. BOCKSTAELE, “Verhoren”, in Comm. Sr. 2018, punt 5.C.
(10)Cass. 19 december 2012, AR P.12.1310.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.1, AC 2012, nr. 701, T. Strafr. 2013,
  1. In dezelfde zin Cass. 12 mei 2015, AR P.13.1399.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150512.2, AC 2015, nr. 303; Cass. 30 oktober 2001, AR P.01.1239.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.12, AC 2001, nr.
  2. Zie ook EHRM 16 december 1992, Edwards t/ Verenigd Koninkrijk, A-247-B, www.echr.coe.int; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 278; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 178; M. DE SWAEF, “Beroepseer”, NC 2016, 491; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 414-415.
(11)Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2, AC 2018, nr.
  1. In dezelfde zin Cass. 20 april 2021, AR P.21.0385.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.13, RW 2021-22, 784; Cass. 2 mei 2017, AR P.16.1011.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3, AC 2017, nr. 302; Cass. 2 juni 2015, AR P.15.0263.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.7, AC 2015, nr. 364; Cass. 5 november 2014, AR P.14.1170.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141105.4, AC 2014, nr. 668; Cass. 30 oktober 2001, AR P.01.1239.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.12, AC 2001, nr.
  2. Over het vermoeden van een loyaal optreden van politie en gerecht zie F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 34 en 189; C. DE VALKENEER, Manuel de l’enquête pénale, Larcier 2018, 92-93.
(12)Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0145.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11, AC 2021, nr. 442 ; Cass. 12 juni 2019, AR P.18.1001.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1, AC 2019, nr. 363, RDPC 2020, 730 noot S. HENROTTE; Cass. 27 februari 2019, AR P.18.1121.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.4, AC 2019, nr. 126; Cass. 6 februari 2019, AR P.18.1215.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190206.4, AC 2019, nr. 75, met concl. van advocaat generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 30 oktober 2018, AR P.18.0516.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1, AC 2018, nr. 592, RW 2018-19, 1420 noot B. DE SMET; Cass. 28 maart 2017, AR P.17.0238.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.8; AC 20147, nr. 223; Cass. 25 oktober 2016, AR P.15.0593.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.5, AC 2016, nr. 595; Cass. 27 april 2016, AR P.16.0509.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160427.10, AC 2016, nr. 288; Cass. 4 maart 2015, AR P.14.1796.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150304.2, AC 2015, nr. 157; Cass. 11 juni 2013, AR P.13.0428.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.9, AC 2013, nr. 357; Cass. 8 mei 2012, AR P.12.0730.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.5, AC 2012, nr. 286. Zie ook F. VAN VOLSEM, “Over hoe (de schijn van) partijdigheid in hoofde van een politieman of -vrouw tot een onontvankelijke strafvordering kan leiden”, RABG 2009, 28-35; F. KUTY, L’impartialité du juge en procédure pénale, Larcier 2005, 41-251; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 791-805; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 15-20; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 950-954.
(13)Cass. 25 maart 2020, AR P.19.1306.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.1, AC 2020, nr. 213, JLMB 2020, 1467 noot L. KENNES en D. HOLZAPFEL.
(14)Cass. 25 maart 2020, AR P.19.1306.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.1, AC 2020, nr. 213 JLMB 2020, 1467 noot L. KENNES en D. HOLZAPFEL.
(15)Cass. 12 juni 2019, AR P.18.1001.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1, AC 2019, nr. 363. In gelijkaardige zin, over het herstel van een onregelmatigheid of verzuim in een latere procesfase, Cass. 15 mei 2019, AR P.19.0169.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3, AC 2019, nr. 289; Cass. 20 november 2018, AR P.18.0688.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.5, AC 2018, nr. 647; Cass. 30 april 2014, AR P.13.1869.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2, AC 2014, nr. 307, NC 2015, 39, JLMB 2014, 1360 noot M.A. BEERNAERT, RDPC 2014, 832 noot F. LUGENTZ, RW 2015-16, 1099 noot B. DE SMET; Cass. 18 maart 2014, AR P.13.1407.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.4, AC 2014, nr. 213, T. Strafr. 2014, 252.
(16)Cass. 20 april 2022, AR P.21.1022.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220420.2F.3, AC 2022, nr. 272, met concl. van advocaat generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 12 juni 2019, AR P.18.1001.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1, AC 2019, nr. 363, Cass. 20 november 2018, AR P.18.0688.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.5, AC 2018, nr.
  1. Zie ook F. VAN VOLSEM, “Over hoe (de schijn van) partijdigheid in hoofde van een politieman of -vrouw tot een onontvankelijke strafvordering kan leiden”, RABG 2009, 30, 39 en
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011030.12 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141105.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150304.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150512.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160427.10 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.8 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181030.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190206.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220420.2F.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250121.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.