← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 november 2022

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 De rechter oordeelt onaantastbaar wat het feitelijke voorwerp is van de telastlegging zoals bedoeld in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking, alsook onder welke misdrijfomschrijving de erin bedoelde feiten moeten worden gekwalificeerd; het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde gegevens geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiches 8 - 9 Het vonnisgerecht moet aan de feiten, voorwerp van de telastlegging, de juiste misdrijfomschrijving geven; wanneer die feiten slechts onder één misdrijfkwalificatie worden vervolgd maar er meerdere misdrijfkwalificaties op van toepassing zijn, kan het vonnisgerecht zonder aanvullende aanhangigmaking de beklaagde niet veroordelen voor meerdere misdrijven en is het ertoe gehouden de feiten te kwalificeren volgens de misdrijfomschrijving waarop de zwaarste straf wordt gesteld; de omstandigheid dat een bewezenverklaarde telastlegging door het vonnisgerecht wordt geherkwalificeerd, heeft in dat geval dan ook niet tot gevolg dat het geherkwalificeerde misdrijf onverenigbaar is met de constitutieve bestanddelen van de oorspronkelijke kwalificatie
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 130 en 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 10 De omstandigheid dat de exploitant van een inrichting voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen op een bepaald terrein over een vergunning beschikt om deze onder bepaalde voorwaarden te exploiteren, heeft niet tot gevolg dat hij zich met betrekking tot dit terrein niet schuldig kan maken aan het in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM bedoelde misdrijf; het bestaan van een dergelijke vergunning is dan ook niet noodzakelijk strijdig met de bewezenverklaring van dat misdrijf
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.3, § 1, eerste lid - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Fiche 11 Om regelmatig gemotiveerd te zijn in de zin van artikel 149 Grondwet, dient de beslissing waarbij een misdrijf bewezen wordt verklaard onder meer alle constitutieve bestanddelen van het bewezenverklaarde misdrijf te vermelden; bij afwezigheid van conclusies is de beslissing in dit verband evenwel wettig gemotiveerd wanneer de beklaagde schuldig wordt verklaard aan het in de bewoordingen van de strafwet omschreven en voldoende gepreciseerd strafbare feit
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 12 - 13 Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak houdt in dat de beslissing waarbij een misdrijf bewezen wordt verklaard tenminste melding maakt, op een wijze die beknopt mag zijn, van de voornaamste redenen die de rechter van de schuld van de beklaagde hebben overtuigd en hem ertoe hebben gebracht de telastlegging bewezen te verklaren, en dit ongeacht of de beklaagde een conclusie heeft ingediend; de vermelding van die voornaamste redenen hoeft evenwel niet noodzakelijk betrekking te hebben op alle bestanddelen van het misdrijf
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de conclusie P.22.0812.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De heromschrijving van de feiten die bij de vonnisrechter aanhangig zijn naar een zwaarder misdrijf, waarbij er meerdere kwalificaties mogelijk zijn”. 1. Eiser wordt vervolgd wegens opslag van afvalstoffen zonder de vereiste vergunning (telastlegging A, inbreuk op artikel 16.6.1, § 1 Decr. Vl. van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake Milieubeleid (DABM) en inbreuk op artikel 5, 1°c, en zesde lid, 1 Decr. Vl. 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning), het niet-opvolgen van een bevel om de aanvoer van afval en grond stop te zetten (telastlegging B, inbreuk op artikel 16.6.1., § 2 DABM) en de al dan niet opzettelijke schending van algemene en bijzondere milieuvoorwaarden in verband met de behandeling en opslag van afvalstoffen en gesorteerde materialen (telastlegging C, artikel 5.2.2.2.4.2 Vlarem-II, Besl. Vl. Reg. van 1 juni 1995 en artikel 16.6.1, § 1 DABM), waarbij deze laatste telastlegging in hoger beroep werd gewijzigd in het zwaardere misdrijf van het opzettelijk achterlaten of beheren van afvalstoffen in strijd met voorschriften van het Decr. Vl. 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet), strafbaar ingevolge artikel 12, § 1, en 25 § 1, 1° en 2° Materialendecreet en artikel 16.6.3, § 1 DABM, met de verduidelijking dat: “de feiten van de telastlegging C…slaan derhalve in wezen op het achterlaten van afvalstoffen” (blz. 9). Deze laatste strafbaarstelling van ‘sluikstorten’ geldt ook voor personen die voor de opslag van afvalstoffen geen milieuvergunning bekwamen

(1). 2. Het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand en het uitvoeren van aanpassingswerken, gesteund op de artikelen 16.6.4 en 16.6.6 DABM, zijn maatregelen van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering vallen. De vervolgde persoon is overeenkomstig artikel 427 Wetboek van Strafvordering verplicht zijn cassatieberoep te betekenen aan de vervolgende partij, wat betreft de beslissing over de burgerlijke vordering. Uit de stukken blijkt niet dat het cassatieberoep is betekend aan het openbaar ministerie. Voor zover gericht tegen de burgerlijke maatregelen van herstel, is het cassatieberoep niet-ontvankelijk
(2). 3. Het is vaste rechtspraak dat de beschikking tot verwijzing (artikel 130 Sv.) of de rechtstreekse dagvaarding (artikel 182 Wetboek van Strafvordering) bij de vonnisrechter alleen feiten aanhangig maakt, niet de erin vermelde strafbaarstelling (kwalificatie)
(3). De oorspronkelijke strafbaarstelling is voorlopig en kan tijdens het proces ten gronde worden aangepast. De strafrechter is zelfs verplicht aan de hem voorgelegde feiten de juiste kwalificatie te geven en de vervolgde feiten vanuit die nieuwe juridische omschrijving te beoordelen, op voorwaarde dat: 1° hij bevoegd is om over de nieuwe strafbaarstelling uitspraak te doen, 2° het gaat om dezelfde feiten als deze omschreven in de inleidende akte en 3° de partijen tijdig kennis hadden van de nieuwe strafbaarstelling, zodat zij hun recht van verdediging konden uitoefenen
(4). Het is daarbij niet vereist dat de bestanddelen van het oorspronkelijk misdrijf en van het heromschreven misdrijf identiek zijn
(5). In zoverre faalt het eerste middel, eerste onderdeel, naar recht. 4. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar welke de wettelijke omschrijving is van de feiten die bedoeld zijn in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking, voor zover die omschrijving niet onverenigbaar is met die feiten, waarbij het Hof enkel nagaat of de feitelijke elementen die de rechter in aanmerking neemt, zijn beslissing omtrent de toepasselijke wetsomschrijving kunnen schragen
(6).
  1. Eiser werd onder telastlegging C vervolgd wegens miskenning van de vergunningsvoorwaarden bij het opslaan van afvalstoffen, strafbaar ingevolge de artikelen 5.4.9.1 en 16.6.1, § 1 DABM. Het bestreden arrest omschrijft de feiten als het achterlaten en beheer van afvalstoffen in strijd met milieuvoorschriften, strafbaar ingevolge de artikelen 12 en 25 Materialendecreet en artikel 16.6.3, § 1 DABM. Mij komt voor dat de veroordeling op basis van een andere juridische grondslag wettig is, de onderliggende feiten dezelfde zijn. De voorafgaande kennisgeving van de nieuwe telastlegging aan eiser (vermeld in blz. 9 van het arrest) wordt in de memorie niet betwist. In zoverre kan het onderdeel (gesteund op de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 5.4.9, § 1, 16.6.1, § 1, en 16.6.3, § 1 DABM), niet worden aangenomen.
  2. In een tweede onderdeel stelt eiser dat het bestreden arrest tegenstrijdig is gemotiveerd, omdat telastlegging C oorspronkelijk betrekking had op de opslag van afvalstoffen op een niet-vloeistofdichte bodem, de appelrechters de feiten anders omschrijven en dus aangeven dat deze strafbaarstelling niet correct is, maar toch aannemen dat de oorspronkelijke feiten (opslag van afvalstoffen op een niet-vloeistofdichte bodem) bewezen is.
  3. Beoordeling. Vooreerst is de strafrechter verplicht aan de feiten zoals omschreven in de inleidende akte de juiste omschrijving (strafbaarstelling) te geven
(7), en daarbij te kiezen voor de misdrijfomschrijving waarop de zwaarste straf staat
(8). Wanneer er voor dezelfde feiten meerdere misdrijfomschrijvingen mogelijk zijn en de feiten identiek blijven, lijkt mij er voor de strafrechter geen probleem te zijn om te switchen van de ene naar de andere misdrijfomschrijving. Een juridische herformulering van hetzelfde feit (onder een zwaardere kwalificatie) is bijgevolg verenigbaar met de constitutieve bestanddelen van de oorspronkelijke strafbaarstelling. Wat niet kan, is het ‘ontdubbelen’ van een strafbaarstelling of kwalificatie zonder bijkomende vervolging, dit is het behoud van de oorspronkelijke strafbaarstelling aangevuld met een bijkomende strafbaarstelling (eveneens toepasselijk op hetzelfde feit), aangezien dit een bijkomende schuldigverklaring inhoudt en dus de toestand van de beklaagde verzwaart
(9). In zoverre faalt het onderdeel (gesteund op de artikelen 6.1 EVRM en 149 Grondwet) naar recht.
  1. De veroordeling wegens het opzettelijk achterlaten van welbepaalde afvalstoffen in strijd met het Materialendecreet, is m.i. niet tegenstrijdig met de vaststelling dat die afvalstoffen in strijd met artikel 5.2.2.4 Vlarem II werden opgeslagen op een niet-vloeistofdichte vloer, wat te maken heeft met de oorspronkelijke telastlegging C1, die de feiten minder zwaar bestraft. Aangezien de strafrechter voor hetzelfde feit de zwaarste strafbaarstelling moet vooropstellen (in dit geval artikel 16.6.3, § 1 DABM), lijkt mij een motivering waarbij de oorspronkelijke strafbaarstelling als bewezen wordt beschouwd (in dit geval artikel 16.6.1., § 1 DABM, het opslaan van afvalstoffen op een niet-vloeistofdichte bodem), de regelmatigheid van de schuldbeoordeling niet aan te tasten. Voor het overige oordeelt het arrest niet dat de oorspronkelijke strafbaarstelling C onjuist of niet passend zou zijn. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  2. Het tweede middel (gesteund op o.a. artikel 16.3.25 DABM) bekritiseert alleen de schuldigverklaring wegens telastlegging A.1 wegens het opslaan van meer afvalstoffen dan toegelaten. Volgens eiser verwijzen de appelrechters voor de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal niet alleen naar de vaststellingen van de inspecteurs op basis van een ‘rondgang’ op het terrein, maar ook naar een gevolgtrekking (deductie), zoals een volume van 3000 kubieke meter ongesorteerd brandbaar restafval. Beoordeling. Eiser is ook schuldig verbonden aan de feiten A.2, A.3, B en C, die door eenheid van opzet zijn verbonden en waarvoor het arrest één straf oplegt (artikel 65, eerste lid, Strafwetboek), zonder dat de straf specifiek werd beïnvloed door bet betwiste feit A.
  3. Het past dan ook de theorie van de naar recht verantwoorde straf toe te passen. Aldus is het middel bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk
(10).
  1. Het uitbater die beschikt over een vergunning om een terrein te gebruiken voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen kan zich m.i. schuldig maken aan het opzettelijk achterlaten of beheer van afvalstoffen in strijd met het Materialendecreet, wat strafbaar is ingevolge artikel 16.6.3., § 1 DABM. In zoverre faalt het derde middel, gesteund op o.a. de artikelen 16.6.3, § 1, en 25, § 1 Materialendecreet, naar recht.
  2. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie, moet de rechter die de ten laste gelegde feiten bewezen verklaart niet alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf te vermelden. Het volstaat dan dat de beklaagde is schuldig verklaard aan een precies omschreven strafbaar feit in de bewoordingen van de strafwet
(11). Uit artikel 6.1 EVRM vloeit evenwel voort dat de strafrechter de voornaamste redenen aangeeft die hem hebben overtuigd van de schuld of onschuld van de beklaagde, ook als er over de schuldvraag geen conclusie is ingediend
(12). De vermelding van die voornaamste redenen hoeft naar mijn mening niet noodzakelijk betrekking te hebben op alle constitutieve bestanddelen van misdrijf.
  1. Het bestreden arrest verklaart eiser schuldig aan het heromschreven feit van achterlaten of beheer van afvalstoffen in strijd met het Materialendecreet (artikel 16.6.3, § 1 DABM) op basis van foto’s van het terrein, die een duidelijk beeld geven van afvalbergen van door elkaar gehaalde afvalstoffen zoals afgedankt elektrisch materiaal, verfpotten, groenafval en spoorbalken. Verder leiden de appelrechters uit de frequentie van de aanvoer van afvalstoffen, vastgesteld door de lokale politie, dat dit gebeurde met medeweten van eiser (blz. 10). De motivering over de bestanddelen van telastlegging C en de voornaamste redenen van schuld lijkt mij toereikend, ook wat betreft het opzet, aangezien er over de toepassing van artikel 16.6.3 DABM geen conclusie is ingediend. In zoverre kan het middel (dat schending aanvoert van artikelen 149 Grondwet en 6.1 EVRM) niet worden aangenomen.
  2. Voor het overige geeft het arrest wel aan dat afvalstoffen werden achtergelaten in strijd met de artikelen 12 en 25 Materialendecreet en heeft de vaststelling van aanvoer van afvalstoffen op het terrein geen betrekking op telastlegging C (blz. 9). In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Voor zover eiser aanvoert dat artikel 25, § 1 Materialendecreet niet op hem van toepassing is, omdat hij geen ‘houder van bedrijfsafvalstoffen of makelaar of handelaar van afvalstoffen’ zou zijn, komt het middel op tegen een onaantastbaar oordeel van feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waardoor het middel niet-ontvankelijk is. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. _________________________________
(1)Over deze strafbaarstelling zie Cass. 3 maart 2015, AR P.13.1040.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150303.1, AC 2015, nr. 150, “Krachtens artikel 12 Materialendecreet is het verboden afvalstoffen achter te laten of te beheren in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten. Met achterlaten van afvalstoffen wordt niet alleen het storten zelf, maar ook het verzuim om de gedeponeerde afval te verwijderen bedoeld. Niet vereist is dat de beklaagde strafrechtelijk verantwoordelijk is zowel voor het storten als voor het verzuim de afvalstoffen te verwijderen”.
(2)Cass. 15 januari 2019, AR P.18.0641.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.1, AC 2019, nr. 20; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0051.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.4, AC 2018, nr. 458; Cass. 15 september 2015, AR P.15.0911.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.7, AC 2015, nr. 517; F. VAN VOLSEM, “Twee middelen bedoeld om tegenspraak in de penale cassatieprocedure te waarborgen: de verplichtingen het cassatieberoep te betekenen en de memories ter kennis te brengen”, NC 2017, 421; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1797.
(3)Cass. 19 januari 2016, AR P.14.1340.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.2, AC 2014, nr. 38, met concl. van advocaat- generaal M. DE SWAEF; Cass. 4 september 1990, AR 3912, AC 1991, nr. 5; J. DECOKER, “De heromschrijving van het ten laste gelegde: een greep uit de cassatierechtspraak (van 2000 tot nu)”, T. Strafr. 2017, 347-358.
(4)Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1, AC 2022, nr. 415; Cass. 25 mei 2022, AR P.22.0087.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.3, AC 2022, nr. 375, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 9 november 2021, AR P.21.0615.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.1, AC 2021, nr. 707; Cass. 31 maart 2021, AR P.21.0221.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7, AC 2021, nr. 238, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 13 oktober 2021, AR P.21.0532.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.15, AC 2021, nr. 639; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N, AC 2020, nr. 736, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5; Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0631.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1. AC 2020, nr. 58; Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N, AC 2020, nr. 15, NC 2020, 463; Cass. 9 april 2019, AR P.18.0226.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.1, AC 2019, nr. 217; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0180, AC 2017, nr. 666; Cass. 14 juin 2017, AR P.17.0361.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170614.1, AC 2017, nr. 387; Cass. 14 juin 2017, AR P.17.0259.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170614.2, AC 2017, nr. 386, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 26 mei 2015, AR P.14.0414.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1, AC 2015, nr. 343, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS; Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1642.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.9, AC 2014, nr. 46; Cass. 10 februari 2010, AR P.09.1281.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100210.5, AC 2010, nr. 92, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 12 mei 1998, AR P.96.1448.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980512.7, AC 1998, nr. 243; Antwerpen 19 maart 2003, RW 2003-04, 465 noot A. VANDEPLAS. Zie ook EHRM 25 maart 1999, Pelissier en Sassi t/Frankrijk, www.echr.ce.int en R. VERSTRAETEN, “Het recht op informatie van de verdachte of beklaagde”, in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Mys&Breesch 1994, 470-472; R. DECLERCQ, “Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging”, in Strafrecht voor rechtspractici, Acco 1991, 179-240; A. VANDEPLAS, “Over de feiten en hun omschrijving ervan”, RW 2000-01, 778; A. SMETRYNS, De motiveringsverplichting van de strafrechter, Larcier 2005, 17-21; J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Bruxelles, Larcier 2006, 168; L. HUYBRECHTS en M. ROZIE, “De rechten van de verdediging bij de behandeling ten gronde”, NC 2008, 123; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 1302; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 833-836; K. DE SCHEPPER, “De informatieplicht m.b.t. een ten laste gelegd gebruik van duidelijk omschreven valse stukken en de rol van het onderzoeksgerecht bij een onduidelijke tenlastelegging”, NC 2015, 303-309; J. DECOKER, “De heromschrijving van het ten laste gelegde: een greep uit de cassatierechtspraak (vanaf 2000 tot nu)”, T. Strafr. 2017, 347-357; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1452-1458; C. VAN DEN WYNGAERt, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2022, 1320-1322.
(5)Cass. 27 mei 2014, AR P.12.1265.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140527.1, AC 2014, nr. 379; Cass. 27 mei 1986, AR 359, AC 1985-86, nr. 598; R. DECLERCQ, “Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging”, in Strafrecht voor rechtspractici, Acco 1991, 206; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1303 en 1454; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1320-1322.
(6)Cass. 22 januari 2013, AR P.12.0625.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.10, AC 2013, nr. 43; Cass. 9 december 2008, AR P.08.0697.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081209.4, AC 2008, nr. 709; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1454.
(7)Cass. 25 mei 2022, AR P.22.0087.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.3, AC 2022, nr. 375, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220525.2F.3; Cass. 31 maart 2022, AR P.21.0221.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7 AC 2022, nr. 238, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210331.2F.7; Cass. 16 mei 2001, AR P.01.0305.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.11, AC 2001, nr. 288; Cass. 7 april 1987, AC 1987, nr. 473; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 833-835; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 924; J. DECOKER, “De heromschrijving van het ten laste gelegde: een greep uit de cassatierechtspraak (van 2000 tot nu)”, T. Strafr. 2017, 349; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1454.
(8)R. DECLERCQ, “Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging”, in Strafrecht voor rechtspractici, Acco 1991, 214; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 833.
(9)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N, AC 2020, nr. 15, RO40 en 41, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6: “De rechter die uitspraak doet over bij hem aanhangige feiten waaraan slechts één misdrijfomschrijving is gegeven, kan aan die ene misdrijfomschrijving desgevallend één of meerdere misdrijfomschrijvingen toevoegen. Aangezien een dergelijke toevoeging tot een bijkomende schuldigverklaring aan een misdrijf kan leiden, vereist dit een aanvullende aanhangigmaking. Dat laatste is evenwel in hoger beroep uitgesloten, zodat het appelgerecht voor de bij haar aanhangige feiten geen misdrijfomschrijving kan toevoegen en dus niet tot een ontdubbeling van de misdrijfomschrijving kan overgaan. Wanneer daarentegen een telastlegging is omschreven in de bewoordingen van een wetsbepaling die verschillende van elkaar te onderscheiden gedragingen strafbaar stelt, belet het voorgaande het appelgerecht niet om te oordelen dat slechts bepaalde van die gedragingen bij het vonnisgerecht aanhangig zijn gemaakt en de aanhangige gedragingen afzonderlijk te omschrijven en die of bepaalde ervan te heromschrijven van een voltrokken misdrijf naar een strafbare poging. Daarmee voegt het appelgerecht geen misdrijfomschrijving toe of ontdubbelt het de initiële misdrijfomschrijving niet en verzwaart het evenmin de toestand van de beklaagde”; Zie ook R. DECLERCQ, “Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging”, in Strafrecht voor rechtspractici, Acco 1991, 212-213; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 835; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1303. Het opsplitsen van één strafbaarstelling in twee toepasbare strafbaarstellingen (ontdubbelen) kan alleen in eerste aanleg, na een geldige aanhangigmaking van het tweede misdrijf door een rechtstreekse dagvaarding, beschikking tot verwijzing of vrijwillige verschijning door de beklaagde (R. DECLERCQ, o.c., 1991, 213).
(10)Cass. 11 januari 2022, AR P.21.0373.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.5, AC 2022, nr. 13; Cass. 8 december 2021, AR P.21.0082.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211208.2F.2, AC 2021, nr. 779; Cass. 24 juni 2020, AR P.20.0368.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200624.2F.6, AC 2020, nr. 446; Cass. 30 april 2013, AR P.12.1133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2, AC 2013, nr. 269; F. VAN VOLSEM, “Een bijzondere grond van niet-ontvankelijkheid van het cassatiemiddel in strafzaken: de naar recht verantwoorde straf”, RABG 2020, pp. 36-53; R. DECLERCQ, “Feit en kwalificatie in de strafrechtspleging”, in Strafrecht voor rechtspractici, Acco 1991, 213-214; B. MAES, Cassatiemiddelen naar Belgisch recht, Mys & Breesch 1993, 352-379; R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Bruylant, 2006, 401-418; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1827-1830.
(11)Cass. 17 november 2020, AR P.20.0734.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.6, AC 2020, nr. 700, RW 2021-22, 465; Cass. 20 oktober 2020, AR P.20.0677.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.11, AC 2020, nr. 649; Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N, AC 2020, nr. 15, RO 28; Cass. 5 juni 2012, AR P.11.0902.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.3, AC 2012, nr. 361, NC 2012, 131 noot L. HUYBRECHTS; Cass. 20 januari 2009, P.08.1092.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090120.10, AC 2009, nr. 48; Cass. 16 maart 2005, AR P.04.1592.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050316.9, AC 2005, nr. 162, J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 108-109.
(12)Cass. 15 september 2020, AR P.20.0240.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.2, AC 2020, nr. 538, met concl. OM; Cass. 13 november 2018, AR P.18.0787.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.7, AC 2018, nr. 630; Cass. 24 mei 2016, AR P.15.1604.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2, AC 2016, nr. 342; Cass. 23 oktober 2012, AR 12.0300.N, AC 2012, nr. 555, Cass. 5 juni 2012, AR P.11.0902.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.3, AC 2012, nr. 361, NC 2012, 131 noot L. HUYBRECHTS; Cass. 29 mei 2012, AR P.11.2037.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120529.3, AC 2012, nr. 342; Cass. 8 juni 2011, AR P.11.0570.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.4, AC 2011, nr. 391, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; EHRM 16 november 2010, Taxquet t/België, RDPC 2011, 385 noot J. VAN MEERBEECK; EHRM 10 januari 2013, Agnelet t/Frankrijk, NC 2013, 367 noot L. HUYBRECHTS; F. VAN VOLSEM, “De strafrechter moet ook bij afwezigheid van een conclusie een schuldigverklaring of vrijspraak motiveren: een concrete motivering is vereist, maar ze mag beknopt zijn”, RABG 2013, 18-19; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 122-125; J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 108-109; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1542-1544; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1351-1352. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980512.7 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.11 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050316.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081209.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090120.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100210.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120529.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.10 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140527.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150303.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170614.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170614.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200624.2F.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.15 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211208.2F.2 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210331.2F.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220525.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.