id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 november 2022
Art. 411
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 Uit de beslissing van de rechter die het bestaan van uitlokking in de zin van artikel 411 Strafwetboek aanneemt, moet blijken dat voldaan is aan de vereisten voor die verschoningsgrond; bij afwezigheid van daartoe strekkend verweer moet de rechter evenwel niet specifiek ingaan op het voldaan zijn aan elk vereiste; dit kan namelijk ook blijken uit de samenhang van de redenen van de beslissing
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048
Art. 411
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048
Art. 411
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.22.0743.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De strafverminderende verschoningsgrond van uitlokking (art. 411 en 414 Sw.)”.
- Eiser is in deze zaak van wederzijdse opzettelijke slagen en verwondingen zowel beklaagde als burgerlijke partij. Het gaat om een vechtpartij in Gent op 6 oktober 2018 aan een café. Verweerders C.K en D.B.R. werden vervolgd wegens opzettelijke slagen en verwondingen aan eiser, met als verzwarende omstandigheid een ziekte of tijdelijke arbeidsongeschiktheid van meer dan vier maanden (telastlegging A, art. 392, 398 en 399 lid 1 Sw.). In de verwijzingsbeschikking was voor deze telastlegging geen strafverminderende verschoningsgrond van uitlokking opgenomen. Eiser wordt vervolgd wegens opzettelijke slagen en verwondingen toegebracht aan verweerder 1 C.K. (telastlegging B.2, art. 392 en 398 lid 1 Sw.).
- De correctionele rechtbank te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, heeft op 25 maart 2021 verweerders veroordeeld tot (elk) een werkstraf van 80 uren wegens opzettelijke slagen en verwondingen met tijdelijke arbeidsongeschiktheid van meer dan vier maanden als gevolg aan eiser (art. 392 en 400 Sw.) en heeft eiser, als vierde beklaagde, op strafgebied veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden met uitstel voor drie jaar en een geldboete van 480 euro wegens opzettelijke slagen en verwondingen aan eerste verweerder C.K. De correctionele rechtbank oordeelde op basis van twee getuigenissen dat de vechtpartij twee fases kende (blz. 15). In een eerste fase gingen naar aanleiding van een banale ruzie eiser en medebeklaagde H.M. de verweerder C.K. te lijf buiten het café, waarbij zij hem met de vuist sloegen. C.K. verweerde zich door eiser te tackelen, waardoor deze op zijn hoofd viel, met een gapende hoofdwonde als gevolg. Vervolgens ging C.K. het café terug binnen om zijn vrienden te halen en haar huis te gaan. In een tweede fase kwam C.K. naar buiten en kwam het tot een nieuwe confrontatie, waarbij eiser hem uitschold voor ‘n….’ en samen met zijn vriend H.M. agressief op C.K. toestapte. De groep van C.K. nam deze belediging over hun zwarte huidskleur kwetsend op en ging op haar beurt de fysieke confrontatie aan met eiser en H.M., waarbij er een vechtpartij ontstond met in elk kamp een ‘criminele groepsdynamiek’, met als finaal en gezamenlijk doel de fysieke bovenhand te halen in de wederzijdse verchtpartij (blz. 15-16). De correctionele rechtbank stelde voor de straftoemeting dat de handelingen van eiser samen met H.M. zware gewelddaden uitmaken die de slagen toegebracht door verweerders C.K. en D.B.R. onmiddellijk hebben uitgelokt, zodat de straf opgelegd aan verweerders moet worden verminderd wegens uitlokking (art. 411 Sw., p.17). Deze vaststelling vergoelijkt evenwel niet dat verweerders C.K. en D.B.R. op hun beurt de fysieke aanval op (onder meer) eiser en H.M. hebben ingezet, uitmondend in een grootscheepse vechtpartij, op een moment dat eiser reeds ernstig was toegetakeld (blz. 17). Aangezien eiser ‘een groot negatief eigen aandeel’ had in de feiten, nam de correctionele rechtbank aan dat eiser voor 50% aansprakelijk is voor de door hem geleden schade (blz. 20). Aan eiser werd aan de hand van de verdeelsleutel 50-50 een provisionele schadevergoeding toegekend van 4.000€.
- Op hoger beroep van verweerders in cassatie en van eiser heeft het hof van beroep van Gent bij arrest van 26 april 2022 de veroordelingen en opgelegde straffen bevestigd. Ook de beschikkingen op burgerlijk vlak werden bevestigd. Het hof oordeelde over het verloop van het gevecht aan het café dat (blz. 22) het vaststaat dat in een eerste fase van de vechtpartij, de eiser K.M. samen met zijn vriend H.M. zelf de verweerder C.K. fysiek te lijf ging en hem slagen toebrachten, waarna deze zich verweerde en op zijn beurt eiser (K.M.) tackelde, met een zware hoofdwonde van eiser als gevolg. Vervolgens kwam het in een tweede fase, nadat C.K. het café verliet, tot wederzijdse slagen en verwondingen tussen groepen rond C.K. en eiser (blz. 22). Voor de straftoemeting werden de handelingen van eiser beschouwd als zware gewelddaden die de slagen en verwondingen aan eiser, toegebracht door verweerders C.K. en D.B.R., hebben uitgelokt, zodat die handelingen voor verweerders een strafverminderende verschoningsgrond uitmaken (blz. 25).
- Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het betalen van een provisionele schadevergoeding, de aanstelling van deskundigen en het onbepaald uitstel op burgerlijk gebied, gelet op artikel 420 Wetboek van Strafvordering. Tegen de uitspraak over het beginsel van aansprakelijkheid is het cassatieberoep wel ontvankelijk.
- Eiser voert in een eerste middel een schending aan van art. 411 Strafwetboek. Volgens hem hebben de appelrechters de zware gewelddaden als daad van uitlokking alleen beoordeeld in functie van een subjectieve toets, namelijk de intensiteit van de reactie van verweerders, terwijl ook een objectieve toets nodig was, die bestaat in de afweging van de evenredigheid (proportionaliteit) van de reactie van de uitgelokte daders. De reactie van de uitgelokte daders moet overeenkomen met die van een normaal en redelijk persoon.
- Beoordeling. Artikel 411 Strafwetboek bepaalt dat doodslag, verwondingen en slagen verschoonbaar zijn indien zij onmiddellijk worden uitgelokt door zware gewelddaden tegen personen. De wetgever gaat ervan uit dat een normaal redelijk persoon die wordt uitgedaagd door een zware gewelddaad zijn driften en emoties niet geheel meer kan beheersen, onmiddellijk kan overgaan tot geweld als spontane reactie op de onrechtmatige aanval op zijn persoon of eer. Wanneer er geen sprake is van wettige zelfverdediging (art. 416 Sw.), maakt de persoon die is uitgelokt door een zware gewelddaad en zich schuldig maakt aan doodslag of opzettelijke slagen en verwondingen aanspraak op strafvermindering (art. 414 Sw.)
(1). Het gaat om een tijdelijke situatie waarbij de uitgelokte dader de gevolgen van zijn geweld niet (meer) kan inschatten, omdat hij wegens emoties geweld niet kon vermijden, zonder dat zijn vrije wil van volledig is uitgeschakeld
(2). De reden voor verplichte strafvermindering bij deze opwelling van geweld is dat het slachtoffer of iemand uit zijn omgeving gedeeltelijk aansprakelijk is voor de doodslag of de opzettelijke slagen, omdat het zijn agressie is die aan de reactie, het verschoonbaar misdrijf, ten grondslag ligt
(3). Aan de strafverminderende verschoningsgrond van uitlokking zijn verschillende (cumulatieve) voorwaarden verbonden
(4). 7. Ten eerste moet de dader van uitgelokt geweld geconfronteerd zijn geweest met ‘zware gewelddaden’, zonder dat het moet gaan om fysiek geweld. Het Hof definieerde zware gewelddaden in de zin van art. 411 Sw. als zwaar fysiek of moreel geweld
(5), in de regel uitgaand van het slachtoffer van het verschoonbaar misdrijf
(6). Psychisch geweld zoals beledigingen, bedreigingen, pesterijen of lasterlijke aantijgingen kunnen dus aanleiding geven tot strafvermindering voor het geweld dat daarop een reactie is, uit woede of verontwaardiging, voor zover dat psychisch geweld als uitlokkende factor voldoende ernstig is
(7). Bijkomende vereisten zijn dat het geweld dat fysiek geweld uitlokt opzettelijk is begaan, ongeoorloofd is en gericht is tegen personen
(8). 8. Ten tweede moet de gewelddaad als uitlokkende factor (actie) een ernstige impact hebben op de dader van doodslag of opzettelijke slagen en verwondingen (reactie). Het moet gaan om ‘zware’ gewelddaden die op de uitgelokte dader een grote indruk maken, hem brengen tot een impulsieve reactie om fysiek geweld te gebruiken. Voor de impact van het geweld als uitlokking op het fysiek geweld als tegenreactie wordt een objectieve en een subjectieve toets gehanteerd. Het Hof oordeelde: “De wet weegt de ernst van de gewelddaden waarvoor een verschoningsgrond wordt aangenomen, ongeacht of dat geweld fysiek dan wel moreel is, niet alleen af aan de hevigheid van de reactie die de gewelddaden hebben veroorzaakt, maar ook aan de ernst van de feiten in verhouding tot de ernst van het uitgelokte misdrijf”
(9). Bij de beoordeling van de ernst van gewelddaden, als vorm van uitlokking, wordt aldus deels rekening gehouden met de toestand van persoon die, als gevolg van dat fysiek of moreel geweld, overgaat tot doodslag of opzettelijke slagen en verwondingen. 9. De subjectieve inschatting van de uitgelokte dader op voor hem fysiek of psychisch geweld is niet doorslaggevend. Het Hof stelt dat de door art. 411 Sw. vereiste gewelddaden als uitlokking gewelddaden zijn “die op zich reeds de vrije wil van een normaal en redelijk persoon kunnen verminderen en niet die welke alleen die uitwerking hebben gehad door de bijzondere gevoeligheid van de uitgelokte dader”
(10). Het is dus niet omdat een persoon een belediging of lichte vorm van geweld wegens zijn persoonlijke situatie of emotionele toestand als krenkend of vernederend ervaart, dat geweld gebruikt door die persoon aanleiding geeft tot strafvermindering. De ernst van de gewelddaden als uitlokkende factor moet dus ook objectief worden beoordeeld, in functie van wat een normaal en redelijk persoon kan verdragen die op één of andere manier wordt uitgedaagd, in dezelfde omstandigheden
(11). 10. Bijkomend dient de strafrechter het noodzakelijke verband van evenredigheid te onderzoeken tussen de zware gewelddaden die aan de verschoningsgrond ten grondslag liggen en het uitgelokte misdrijf
(12). Over deze vereiste van evenredigheid stelt Dr. D. DE WOLF: “Om te weten of de uitgeoefende daden op de geprovoceerde ernstig zijn, moet de feitenrechter voortaan namelijk kijken naar het gepleegde misdrijf als reactie in vergelijking met de gewelddaden uitgeoefend op de geprovoceerde. De ingezette middelen, dit is het gepleegde misdrijf, worden dus niet op zich onderworpen aan een proportionaliteitstoets, maar de ernst van de gewelddaden op de dader wordt gemeten aan de hand van de ingezette middelen als reactie”
(13). De zwaarte van de gewelddaden als uitlokking wordt dus niet enkel gemeten aan de hand van de hevigheid die zij bij de dader van het uitgelokte misdrijf hebben veroorzaakt, maar ook aan de ernst van de concrete feiten, in verhouding tot de ernst van het uitgelokte misdrijf
(14). 11. Tenslotte moet er van de dader van het uitgelokte misdrijf een onmiddellijke reactie zijn op de fysieke of morele agressie uitgaande van het slachtoffer of iemand van zijn omgeving
(15). Op moment van feiten moet de dader zich nog in een toestand van verminderde zelfbeheersing bevinden, als gevolg van de ondergane agressie
(16). 12. De beoordeling van het bestaan van uitlokking is een feitelijke kwestie, die door de rechter onaantastbaar wordt beoordeeld. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen het bestaan van de verschoningsgrond naar recht heeft kunnen afleiden
(17). Wanneer aan de voorwaarden van art. 411 Sw. is voldaan, is de strafrechter verplicht aan de dader van het uitgelokte misdrijf strafvermindering toe te kennen
(18).
- De rechter die het bestaan van uitlokking in de zin van art. 411 Sw. aanneemt, moet aangeven dat is voldaan aan de vereiste van die strafverminderende verschoningsgrond. Bij afwezigheid van een daartoe strekkend verweer, moet de rechter niet ingaan op elke voorwaarde van de uitlokking als verschoningsgrond. De appelrechters namen aan, met eigen motieven en met overname van redenen van het beroepen vonnis, dat (blz. 25): - Zware gewelddaden in de zin van art. 411 Sw. zijn die welke de vrije wil van een normaal en redelijke persoon in het gedrang brengen (dit is een vermindering van de vrije wil), waarbij voor de beoordeling van de ernst van de gewelddaden gebruik dient gemaakt te worden van een subjectief criterium: niet de hevigheid van de uitlokkingsdaad maar de hevigheid van de reactie die deze heeft veroorzaakt dient overwogen te worden; - De uitlokkingsdaad, dewelke zich kan aandienen zowel onder de vorm van fysiek als moreel geweld, moet van aard zijn om een grote indruk te maken op de persoon en een impuls te doen ontstaan tot een gewelddadige reactie waaraan hij moeilijk kan weerstaan; - Het feit dat K.M. (eiser) in een tweede fase van het gevecht opnieuw fysiek uithaalde naar onder meer C.K. en D.B.R ( verweerders), die duidelijk werden opgewacht aan de uitgang van het café en daarenboven op beledigende wijze verwees naar hun zwarte huidskleur, hetgeen op niet geloofwaardige wijze wordt ontkend door eiser, maakt een afdoende en aannemelijk en objectief element van het dossier uit om de uitlokking in hoofde van D.B.R. te aanvaarden; - De beklaagde H.M en eiser zijn verweerder C.K. fysiek te lijf gegaan en hebben hem meerdere vuistslagen toegebracht, dit naar aanleiding van een zeer banaal ongenoegen uitgaande van H.M. … H.M. en eiser konden er niet mee om dat zij de fysieke bovenhand niet hadden kunnen halen op C.K. Nadat C.K. door hen geïnstigeerde agressie, mede door toedoen van de portier, was bekoeld, vonden zij het nodig om opnieuw, op agressieve wijze, de confrontatie aan te gaan met C.K., die inmiddels met zijn vrienden, onder wie D.B.R. naar huis wilde gaan. C.K. en D.B.R. werden daarbij ook op denigrerende wijze uitgescholden door eiser, met verwijzing naar hun zwarte huidskleur; - de aldus beschreven handelingen van eiser, zijn te beschouwen als zware gewelddaden tegen personen die de daaropvolgende fysieke confrontatie, die op dat moment werd heringezet door verweerders, onmiddellijk heeft uitgelokt in de zin van art. 411 Sw., zodat toepassing dient te worden gemaakt van art. 414 Sw. - de voormelde vaststellingen vergoeilijken evenwel niet dat (onder meer) de verweerders C.K. en D.B.R. vervolgens, op hun beurt, de fysieke aanval op (onder meer) H.M. en eiser hebben ingezet. Ook deze houding van verweerders getuigt, wat hen betreft, van een gebrek aan respect voor andermans fysieke integriteit. Zij dienen in te zien dat, vanuit maatschappelijk oogpunt, van hen mag worden verwacht dat zij zich ook in moeilijke omstandigheden dienen te beheersen.
- Mij komt voor dat de appelrechters, hoewel zij het objectief criterium of de toets van een normaal en redelijk persoon niet uitdrukkelijk vermelden, alle vereisten hebben beoordeeld van uitlokking, zodat het toekennen van de strafverminderende verschoningsgrond van art. 411 Sw. aan verweerders naar recht is verantwoord. De appelrechters hebben onderzocht wat de impact was van het fysiek en moreel geweld van eiser tegenover eerste verweerder en van het moreel geweld van eiser tegenover tweede verweerder op de slagen toegebracht door verweerders, zonder uitsluitend rekening te houden met de (bijzondere) gevoeligheid of gemoedstoestand van verweerders. Uit de aangehaalde redenen, valt m.i. af te leiden dat de gewelddaden van eiser bij een normaal en redelijk persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, een (even) gewelddadige reactie zou hebben ontlokt. Ook de verhouding tussen de ernst van het geweld van eiser als uitlokkende factor en de ernst van het geweld van verweerders als reactie lijkt mij in rekening te zijn gebracht. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord en kan het middel niet worden aangenomen. (…) Besluit. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. _________________________________
(1)Cass. 30 oktober 2019, AR P.19.0683.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191030.2, AC 2019, nr. 560; J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia 2014, 766-767; M. DILLEN, F. VAN VOLSEM, P. KEMPS en K. DENENBOURG, Zakboekje strafrecht, Kluwer 2020, 194.
(2)Cass. 9 juni 2010, AR P.10.0515.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100609.4, AC 2010, nr. 405; K.I. Antwerpen 2 februari 2012, NC 2012, 227 noot L. VERHAERT.
(3)Cass. 19 november 2014, AR P.14.1320.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141119.6, AC 2014, nr. 709, met concl. van eerste advocaat generaal. J.F. LECLERCQ, op datum in Pas.
(4)C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch Strafrecht, Story-Scientia 1968, II, 502-508; L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco 1990, II, 476-479; K. VANDENBERGHE, “Wettige verdediging en uitlokking: interferentie en verfijningen”, AJT 1999-2000, 176-178; J. ROZIE, “Naar een verruiming van de toepassingsvoorwaarden van de uitlokking?” noot onder Cass. 7 september 2005, NC 2007, 281-283; D. DE WOLF, “Van een subjectieve controle op de verschoning wegens uitlokking door zware gewelddaden naar een gemengd objectieve-subjectieve controle”, noot onder Cass. 22 juni 2011, T. Strafr. 2012, 321-326; H. FRANSEN, “Verschoning”, in Postal Memorialis. Lexicon Strafrecht, Kluwer 2012, V 165, 17-19; L. VERHAERT, “Be careful what you wish for”: zelfmoordverzoek gekwalificeerd als uitlokking”, NC 2012, 230-237; F. KUTY, “Plaidoyer pour un revirement de jurisprudence; un retour à une interprétation stricte de la notion de violences graves envers les personnes au sens de l'article 411 du Code pénal”, noot onder Cass. 22 juni 2011, RCJB 2016, 434-462; J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia 2014, 766-805; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2019, 326-330; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2019, 284-286; A. DELANNAY, “Les homicides et lésions corporelles volontaires”, in Les infractions. Vol. 2. Les infractions contre les personnes, Larcier 2020, 424-439; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure 2021, 166-167.
(5)Cass. 16 november 2016, AR P.16.0401.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161116.1, AC 2016, nr. 647; Cass. 22 april 2015, AR P.15.0118.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150422.5, AC 2015, nr. 271, met concl. van advocaat generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas..
(6)Cass. 19 november 2014, AR P.14.1320.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141119.6, AC 2014, nr. 709, met concl. van eerste advocaat generaal J.F. LECLERCQ in Pas. 2014, nr. 709; Cass. 7 september 2005, AR P.05.0291.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050907.10, AC 2005, nr. 413, NC 2007, 281 noot J. ROZIE.
(7)J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia 2014, 775-776.
(8)J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia 2014, 782-787, zie o.a. Cass. 1 april 2020, AR P.20.0054.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200401.2F.5, AC 2020, nr. 222; Cass. 9 juni 2004, AR P.04.0374.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040609.8, AC 2004, nr. 311.
(9)Cass. 16 november 2016, AR P.16.0401.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161116.1, AC 2016, nr. 674; Cass. 22 april 2015, AR P.15.0118.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150422.5, AC 2015, nr. 272, met concl. van advocaat generaal D. VANDERMEERSCH in Pas. 2015, nr. 272.
(10)Cass. 16 november 2016, AR P.16.0401.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161116.1, AC 2016, nr. 674; Cass. 22 april 2015, AR P.15.0118.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150422.5, AC 2015, nr. 272, met concl. van advocaat generaal D. VANDERMEERSCH in Pas. 2015, nr. 272; Cass. 21 november 2012, AR P.12.1557.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121121.3, AC 2012, nr. 628; Cass. 22 juni 2011, AR P.11.0988.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110622.6, AC 2011, nr. 420, T. Strafr. 2012, 320 noot D. DE WOLF en noot F. KUTY, RCJB 2016, 434-462; Assisen Tongeren 29 april 2015, NC 2015, 520.
(11)C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch Strafrecht, Story-Scientia, 1968, II, 504; D. DE WOLF, “Van een subjectieve controle op de verschoning wegens uitlokking door zware gewelddaden naar een gemengd objectieve-subjectieve controle”, T. Strafr. 2012, 324; J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia, 2014, 779; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2019, 327.
(12)Cass. 11 april 2018, AR P.18.0024.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180411.2, AC 2018, nr. 224; Cass. 16 november 2016, AR P.16.0401.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161116.1, AC 2016, nr. 674; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2019, 327; A. DELANNAY, “Les homicides et lésions corporelles volontaires”, in Les infractions. Vol. 2. Les infractions contre les personnes, Larcier, 2020, 431.
(13)D. DE WOLF, “Van een subjectieve controle op de verschoning wegens uitlokking door zware gewelddaden naar een gemengd objectieve-subjectieve controle”, T. Strafr. 2012, 324; J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia 2014, 324, nr. 5.
(14)Cass. 22 april 2015, AR P.15.0118.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150422.5, AC 2015, nr. 272 met concl. van advocaat generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 22 juni 2011, AR P.11.0988.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110622.6, AC 2011, nr. 420, T. Strafr. 2012, 320 noot D. DE WOLF en RCJB 2016, 434-462; Assisen Tongeren 29 april 2015, NC 2015, 520; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2019, 285.
(15)Cass. 1 april 2020, AR P.20.0054.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200401.2F.5, AC 2020, nr. 222; Cass. 19 november 2014, AR P.14.1320.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141119.6, AC 2014, nr. 709, met concl. van eerste advocaat generaal J.F. LECLERCQ, op datum in Pas.; Cass. 9 juni 2010, AR P.10.0515.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100609.4, AC 2010, nr. 405; Brussel 29 mei 2007, RDPC 2008, 298; A. DELANNAY, “Les homicides et lésions corporelles volontaires”, in Les infractions. Vol. 2. Les infractions contre les personnes, Larcier 2020, 437-438.
(16)L. VERHAERT, “’Be careful what you wish for’: zelfmoordverzoek gekwalificeerd als uitlokking”, NC 2012, 232; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure 2021, 167.
(17)Cass. 11 april 2018, AR P.18.0024.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180411.2, AC 2018, nr. 224; Cass. 22 april 2015, AR P.15.0118.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150422.5, AC 2015, nr. 272, met concl. van advocaat generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2019, 328.
(18)L. VERHAERT, “‘Be careful what you wish for’: zelfmoordverzoek gekwalificeerd als uitlokking”, NC 2012, 231. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040609.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050907.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100609.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110622.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121121.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141119.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150422.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161116.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180411.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191030.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200401.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div