id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.9 Rolnummer: P.22.0796.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-01-27 Raadplegingen: 772 - laatst gezien 2026-06-16 05:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.9 Fiches 1 - 2 Dienstige vaststellingen in de zin van artikel 33, § 1, 1° Wegverkeerswet zijn niet enkel vaststellingen die nodig zijn om de aansprakelijkheid voor het ongeval te bepalen, maar ook die welke betrekking hebben op de toestand van de bestuurder; de rechter oordeelt onaantastbaar of de bestuurder de vlucht heeft genomen om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken; hij kan bij die beoordeling de wijze betrekken waarop de bestuurder de vlucht heeft genomen; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 33 - Artikel 33.1 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 33, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 33, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 3 - 4 Het staat aan de rechter die veroordeelt voor een overtreding van de tweede graad in de zin van artikel 29, § 1, Wegverkeerswet, onaantastbaar te oordelen of het doel van de straftoemeting en het waarborgen van de verkeersveiligheid het opleggen van de bijkomende straf van het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig en van de veiligheidsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel in dat recht van het slagen in een geneeskundig onderzoek vereisen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 29, § 1, en 38, § 1, 3° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 29, § 1, en 38, § 1, 3° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de conclusie P.22.0796.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het vluchtmisdrijf als ogenblikkelijk misdrijf en de motivering van een herstelexamen (art. 33 en 38 Wegverkeerswet en art. 195 Wetboek van Strafvordering)”.
- Eiser wordt vervolgd wegens A) vluchtmisdrijf (art. 33, § 1, 1° Verkeerswet) en B) het niet goed in de hand hebben van zijn voertuig bij het besturen ervan (art. 8, § 3 Wegverkeerswet), omdat hij bij een manoeuvre aan de oprit van zijn woning de achterkant zou hebben beschadigd van de geparkeerde wagen van M.
- De politierechtbank te Vilvoorde sprak eiser vrij voor telastlegging A en heeft hem voor telastlegging B veroordeeld tot een geldboete van 160€, met uitstel van 1 jaar en een rijverbod van 8 dagen, waarbij het herstel van het recht tot sturen afhankelijk is van het slagen in een medisch onderzoek.
- Op hoger beroep van zowel het openbaar ministerie, met als grieven schuld ‘vrijspraak voor telastlegging A’ en straf, als van eiser zelf, met als grief ‘straf (betichting B), heeft de correctionele rechtbank te Brussel, met eenparigheid van stemmen, eiser veroordeeld wegens telastleggingen A en B en als straffen opgelegd: een geldboete van 1.600€, met uitstel van één jaar voor 1.200€, en een rijverbod van 10 dagen (voor telastlegging A) en een geldboete van 160€, met uitstel voor één jaar, en een rijverbod van 8 dagen, waarvan het herstel afhankelijk is voor het slagen in een medisch herstelonderzoek (voor telastlegging B).
- In een eerste middel komt eiser op tegen zijn veroordeling wegens telastlegging A. Hij voert aan dat de politie onmiddellijk ter plaatse kwam, thuis aanbelde en niet reageerde op het feit dat hij geen verklaring wou afleggen en meteen terug naar binnen ging. Volgens eiser verplicht artikel 33 Wegverkeerswet de betrokkene die ter plaatse blijft niet om tegen zichzelf te getuigen, een verklaring af te leggen voor de agenten die zich aanbieden voor de dienstige vaststellingen van een verkeersongeval. De appelrechters konden uit de vaststellingen van de politieambtenaren ter plaatse niet op geldige wijze afleiden dat eiser zich aan de dienstige vaststellingen wou onttrekken in verband met de veroorzaakte schade en het al dan niet rijden onder invloed van alcohol, zodat er schending is van artikel 33, § 1 Wegverkeerswet.
- Beoordeling. Artikel 33, § 1, 1° Wegverkeerswet stelt strafbaar: “elke bestuurder van een voertuig of van een dier die, wetend dat dit voertuig of dit voertuig oorzaak van dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest, de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is”. Uit artikel 33 Wegverkeerswet volgt dat vluchtmisdrijf een ogenblikkelijk misdrijf is, dat erin bestaat dat een bestuurder die weet heeft van een verkeersongeval waarin hij betrokken is, zich aan dienstige vaststellingen van de politie onttrekt, ongeacht of hij ter plaatse van het ongeval blijft
(1). Het is daarbij niet vereist dat de bestuurder die de vlucht neemt een fout beging in de zin van het Wegverkeersreglement, waardoor het ongeval tot stand kwam. De beoordeling van schuld komt immers de strafrechter toe
(2). Met ‘dienstige vaststellingen’ wordt bedoeld de vaststellingen die nodig zijn om de aansprakelijkheid van het ongeval in het verkeer te kunnen bepalen en de vaststellingen inzake de toestand van de dader, zoals dronkenschap, alcoholintoxicatie of het gebruik van verdovende middelen
(3). 6. Het Hof oordeelde dat de strafbaarstelling van artikel 33, § 1, 1° Wegverkeerswet niet vereist dat de bestuurder die de vlucht neemt, weet dat hij bij dat ongeval schade heeft veroorzaakt
(4). Het volstaat dat de bestuurder kennis heeft van het verkeersongeval waarin hij betrokken is en zich daarna aan de dienstige vaststellingen van de politie onttrekt
(5). Voor de beoordeling van dat bijzonder opzet kan de rechter rekening houden met de wijze waarop de bestuurder die weet had van het verkeersongeval waarin hij is betrokken de vlucht heeft genomen, waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven
(6). De strafrechter die te oordelen heeft over vluchtmisdrijf kan bijgevolg het bestaan van een moreel misdrijfbestanddeel afleiden uit de wijze waarop het materieel misdrijfbestanddeel is voltrokken
(7). Alleszins wordt aan de bestuurder geen verplichting opgelegd om ten overstaan van de politie schuld te bekennen over een fout in de zin van de Wegverkeerswet of het Wegverkeersreglement, gelet op het zwijgrecht
(8). In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De appelrechters stelden vast dat eiser “niet alleen weigerde samen met M. een aanrijdingsformulier in te vullen doch ook ten overstaan van de vrijwel onmiddellijk ter plaatse gekomen politiediensten weigerde enige medewerking te verlenen, geen verklaring wenste af te leggen en zonder meer terug naar binnen in zijn woning ging” en “aangezien eiser zich op die manier wel degelijk heeft onttrokken aan de dienstige vaststellingen, minstens met betrekking tot zijn persoon zelf, is het bijzonder opzet aangetoond”. Over de aanrijding zelf, vastgesteld door buurtbewoonster P. (die de politie verwittigde), is er geen betwisting. Verder namen de appelrechters aan dat het na enige maanden invullen van documenten voor de verzekeraar, om tot een regeling met de tegenpartij te komen, de strafbaarheid niet wegneemt van vermelde handelingen, omdat vluchtmisdrijf een ogenblikkelijk misdrijf is.
- Het bestreden vonnis lijkt mij behoorlijk gemotiveerd en naar recht verantwoord. Het vonnis geeft aan dat eiser als bestuurder betrokken was bij een verkeersongeval en zich doelbewust onttrok aan de dienstige vaststellingen. De bestuurder die op of in de onmiddellijke omgeving van de plaats van het verkeersongeval blijft, maar zich na de aankomst van de politie onttrekt aan de dienstige vaststellingen, pleegt vluchtmisdrijf
(9). Een latere aangifte van het ongeval bij de verzekering of de politie neemt het strafbare karakter van de vlucht niet weg, aangezien vluchtmisdrijf een ogenblikkelijk misdrijf is
(10). Anders dan eiser aanvoert, steunt de veroordeling niet op de weigering van eiser om na het ongeval een voor hem nadelige verklaring aan de politie af te leggen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 9. Het tweede middel is gericht tegen de straftoemeting inzake telastlegging B. Eiser werpt eiser op dat er geen enkel specifiek element in het dossier, buiten een kras op de bumper van een andere auto, het facultatief verval van het recht tot sturen van 8 dagen en een facultatieve medische keuring als herstelexamen rechtvaardigt. Bovendien is de motivering niet concreet genoeg. Bij elk ongeval dat te wijten is aan een inbreuk op artikel 8.3.2 Wegverkeersreglement kan men immers inroepen dat de bestuurder in de toekomst voorzichtiger moet zijn in het verkeer
(11). Er is ook niet gelet op het feit dat tegenpartij M. de toegang tot de oprit van eiser voor een derde blokkeerde, door zijn voertuig niet goed te parkeren. De ontoereikende motivering is in strijd met de artikelen 163, eerste en tweede lid, en 195, tweede lid Wetboek van Strafvordering, de artikelen 29, § 1, tweede lid, en 38, § 1, 3°, en 38, § 3 Wegverkeerswet en artikel 8.3, tweede lid Wegverkeersreglement. 10. Beoordeling. Wat de straftoemeting betreft, vereist artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat de strafrechter nauwkeurig maar op een wijze die beknopt mag zijn de redenen aangeeft van de straf en de strafmaat, als hij daarover een beoordelingsmarge heeft
(12). Deze bepaling is voor de correctionele rechtbank zetelend in graad van beroep van toepassing op het rijverbod (artikel 195, zevende lid, Wetboek van Strafvordering). Ook inzake het opleggen van een herstelexamen verbonden aan het rijverbod is een concrete motivering vereist, voor zover deze maatregel niet verplicht is
(13). 11. Geen enkele wettelijke bepaling verbiedt de rechter een gelijkaardige motivering te gebruiken voor het opleggen van een verval van het recht tot sturen en voor het afhankelijk maken van het herstel in dat recht door het afleggen van examens en onderzoeken
(14). De rechter kan de noodzaak voor herstelexamens verduidelijken aan de hand van redenen die hij oplegt voor de hoofdstraffen en bijkomende straffen
(15). In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het bestreden vonnis legt voor het bewezen verklaarde feit B aan eiser verbod op van acht dagen en het medisch herstelexamen op om reden dat vluchtmisdrijf getuigt van een asociale ingesteldheid, eiser zijn voertuig niet in de hand had en een aanrijding veroorzaakte en zich meer bewust moet zijn van voorzichtigheid in het verkeer en de herintegratie in het verkeer. De motivering over het rijverbod en één herstelexamen lijkt mij voldoende nauwkeurig. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. ____________________________________
(1)Cass. 5 april 2017, AR P.16.1334.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170405.1, AC 2017, nr. 247; Cass. 26 mei 2015, AR P.13.1017.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.3, AC 2015, nr. 340, RW 2016-17, 1420; Cass. 8 april 2014, AR P.13.1610.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140408.3, AC 2014, nr. 277; Cass. 28 november 1995, AR P.95.0276.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951128.2, AC 1995, nr. 511; Cass. 7 november 1978, AC 1978, 274; S. VAN OVERBEKE, “Vluchtmisdrijf: een aflopend misdrijf met een bijzonder opzet”, RW 1992-93, 823-824; A. VANDEPLAS, “Over vluchtmisdrijf en dienstige vaststellingen”, RW 1996-97, 922-923; L. DEBEN, “Commentaar bij art. 33 WVW”, in Wegverkeer. Wet en duiding, Larcier 2012, 18-19; M. STERKENS, “Vluchtmisdrijf”, in Comm. Sr. 2013, 3 en 12.
(2)Cass. 14 oktober 1968, AC 1969, 173; Corr. Turnhout 25 april 1996, RW 1996-97, 922 noot A. VANDEPLAS; S. VAN OVERBEKE, “Vluchtmisdrijf: een aflopend misdrijf met een bijzonder opzet”, RW 1992-93, 824; M. STERKENS, “Vluchtmisdrijf”, in Comm. Sr. 2013, 4.
(3)Cass. 26 mei 2015, AR P.13.1017.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.3, AC 2015, nr. 340, RW 2016-17, 1420; Cass. 12 maart 2014, AR P.13.01820.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140312.2, AC 2014, nr. 200; Cass. 12 mei 1992, AR 5247, AC 1992, nr. 469; M. STERKENS, “Vluchtmisdrijf”, in Comm. Sr. 2013, 14.
(4)Cass. 28 oktober 2003, AR P.03.0819.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031028.8, AC 2003, nr. 535.
(5)Cass. 27 oktober 1998, AR P.98.0483.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981027.14, AC 1998, nr. 458; Cass. 27 mei 1975, AC 1975, 1023; M. STERKENS, “Vluchtmisdrijf”, in Comm. Sr. 2013, 14.
(6)Cass. 10 oktober 2017, AR P.16.0887.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.2, AC 2017, nr. 537.
(7)Cass. 17 mei 2022, AR P.22.0039.N, AC 2022, nr. 350, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.4.
(8)M. STERKENS, “Vluchtmisdrijf”, in Comm. Sr. 2013, 16.
(9)Antwerpen 27 november 1992, RW 1992-93, 823 noot S. VAN OVERBEKE; M. STERKENS, “Vluchtmisdrijf”, in Comm. Sr. 2013, 12.
(10)M. STERKENS, “Vluchtmisdrijf”, in Comm. Sr. 2013, 12 en 15.
(11)Art. 8.3, tweede lid, Wegverkeersreglement (KB van 1 december 1975) legt aan elke bestuurder de plicht op van “steeds in staat zijn om alle nodige rijbewegingen uit te voeren en voortdurend zijn voertuig of zijn dieren goed in de hand hebben”.
(12)J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 118-121.
(13)Cass. 19 oktober 2021, AR P.21.1109.N, AC 2021, nr. 657; Cass. 24 november 2020, AR P.20.0761.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.3, AC 2020, nr. 716; Cass. 5 september 2017, AR P.16.1312.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170905.5, AC 2017, nr. 444.
(14)Cass. 19 oktober 2021, AR P.21.1109.N, AC 2021, nr. 657, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.17; Cass. 14 oktober 2014, AR P.13.1915.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141014.6, AC 2014, nr. 603; Cass. 30 oktober 2012, AR P.12.0332.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121030.15, AC 2012, nr. 573; Cass. 6 oktober 1998, AR P.97.1069.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981006.5, AC 1998, nr. 431.
(15)Cass. 19 oktober 2021, AR P.21.1109.N, AC 2021, nr. 657, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.17; zie alg. R. BEIRINCKX, Het verval van het recht tot sturen herbekeken, Kluwer 2014, 100-126. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951128.2 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981006.5 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981027.14 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031028.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121030.15 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140312.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140408.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141014.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170405.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170905.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.17 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div