id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.10 Rolnummer: F.21.0189.N Zaak: BOSAL INTERNATIONAL contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-01-30 Raadplegingen: 718 - laatst gezien 2026-06-15 08:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.10 Fiche 1 Het gedeelte van het resultaat dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, mag niet worden gecompenseerd met het verlies van het belastbare tijdperk, derwijze dat het belastbare resultaat minstens gelijk is aan het verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel, ongeacht of het resultaat positief dan wel negatief is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei Vrije woorden: Abnormale en goedgunstige voordelen - Verbod tot verliescompensatie Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 79 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 207 Fiche 2 Niet aangegeven belastbare inkomsten in de zin van artikel 358, § 1, 2°, WIB92 bevatten de in artikel 79 WIB92 bedoelde abnormale of goedgunstige voordelen die niet als dusdanig door de belastingbelastingplichtige onder de correcte codes in zijn aangifte in de vennootschapsbelasting werden aangegeven, als gevolg waarvan hij op die voordelen niet het correcte belastingstelsel heeft toegepast
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Bijzondere aanslagtermijn - Niet aangegeven belastbare inkomsten - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 79 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 Fiche 3 De artikelen 79 en 207, tweede lid, WIB92 maken maken geen enkel onderscheid al naargelang een Belgische onderneming abnormale of goedgunstige voordelen ontvangt van een Belgische dan wel van een buitenlandse onderneming; het aftrekverbod van deze wetsbepalingen geldt derhalve ook ten aanzien van abnormale of goedgunstige voordelen die een Belgische onderneming ontvangt van een buitenlandse onderneming
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Bedrijfsverliezen Vrije woorden: Abnormale en goedgunstige voordelen - Aftrek - Buitenlandse voordeelverstrekker Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 79 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 207 Annotaties Publicaties: Fiscologue-Fiscologue - 2023, n° 1787, p. 2-
- - VAN CROMBRUGGE, Stefaan; Note'Avantages anormaux 'étrangers': interdiction d'imputer des pertes' BJS-Bulletin juridique social - 2023, n° 710, p.
- - DELANNOY, Emmanuel; Note'L'interdiction d'imputer sur les pertes de l'exercice et les pertes antérieures, la partie du bénéfice provenant d'avantages anormaux et bénévoles obtenus d'une société...' Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2023, nr. 1787, p. 2-
- - VAN CROMBRUGGE, Stefaan; Noot'Cassatie: uitsluiting verliesaftrek ook op buitenlandse abnormale voordelen' Tekst van de conclusie F.21.0189.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse:
- Situering.
- Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de eiseres in 2008 twee dubieuze schuldvorderingen op een Franse groepsvennootschap heeft overgedragen aan twee Nederlandse groepsvennootschappen tegen nominale waarde. De administratie heeft de door de eiseres verkregen overdrachtsprijzen aangemerkt als abnormaal of goedgunstig voordelen die belastbaar zijn op grond van artikel 207, tweede lid WIB92 (zoals van toepassing in aanslagjaar 2009). Bij vonnis van 25 april 2019 heeft de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond verklaard. De rechter oordeelde dat de bijzondere aanslagtermijn zoals voorzien in artikel 358, § 1, 2°, en § 3 WIB92 in dit geval niet kon worden toegepast, nu de op 23 juli 2014 verkregen inlichtingen onvoldoende duidelijk en volledig waren om tot taxatie over te gaan. Het bestreden arrest van het hof van beroep Antwerpen heeft het hoger beroep van de Belgische Staat tegen dit vonnis ontvankelijk en gegrond verklaard, en heeft het de oorspronkelijke vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Tegen het bestreden arrest voert de eiseres drie middelen tot cassatie aan.
- Bespreking van de middelen. 2.
- Eerste middel.
- In het eerste middel voert de eiseres de schending aan van artikel 358, § 1, 2°, en § 3, WIB
- Het bestreden arrest zou zijn beslissing dat de administratie wettig de betwiste aanslag heeft gevestigd binnen de termijn bedoeld in artikel 358, § 1, 2°, en § 3, van het WIB92, niet naar recht verantwoorden. De eiseres voert in dit middel ook de schending aan van artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 mei 2009 tot vastlegging van het model van het aangifteformulier inzake vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2009 en de bijlage bij dat koninklijk besluit.
- Volgens de eiseres is artikel 358, § 1, 2°, WIB92 niet toepasselijk omdat er hier geen sprake is van het niet aangeven van belastbare inkomsten. De eiseres merkt op dat het bestreden arrest ook niet vaststelt dat belastbare inkomsten niet zijn aangegeven, maar enkel dat eiseres zou hebben nagelaten "het door haar verkregen abnormaal en/of goedgunstig voordeel” onder de juiste codes van de aangifte te vermelden. Het niet gebruiken van de juiste codes van het aangifteformulier heeft volgens de eiseres geen betrekking op het niet aangeven van de belastbare inkomsten, maar op de vaststelling van het belastingstelsel waaraan (een deel van) de belastbare inkomsten zijn onderworpen.
- Uit het arrest van uw Hof van 11 oktober 2013 kan m.i. worden afgeleid dat de woorden “het niet aangeven van belastbare inkomsten”, zich niet beperkt tot inkomsten sensu strictu maar, meer algemeen, op elke belastbare grondslag in de inkomstenbelastingen, waaronder de in artikel 57 bedoelde kosten die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave en die in hoofde van de rechtspersonen belastbaar zijn krachtens artikel 223, 1°, van het WIB92
(1). Niet aangegeven belastbare inkomsten in de zin van artikel 358, § 1, 2°, WIB92, zijn m.i. niet enkel belastbare inkomsten die niet in een aangifte zijn opgenomen. Het kan ook gaan om belastbare inkomsten die bijvoorbeeld (ten onrechte) met toepassing van een vrijstelling of een belastingaftrek wel zijn opgenomen in een aangifte en aanleiding hebben gegeven tot een vermindering van de belastbare grondslag. Bij arrest van 12 maart 2021 oordeelde het Hof dat de vermindering in de aangifte van de belastingplichtige van de belastbare grondslag met niet-aftrekbare bestanddelen impliceert dat belastbare inkomsten in de zin van artikel 358, § 1, 4°, WIB92 niet werden aangegeven, aangezien die belastbare inkomsten de niet-aftrekbare bestanddelen ervan bevatten
(2). In zijn (gelijkluidende) conclusie bij dit arrest gaf advocaat-generaal VAN DER FRAENEN aan dat “niet aangegeven belastbare inkomsten” betrekking heeft op elk aspect van de belastbare grondslag in de inkomstenbelastingen, waaronder onterecht geclaimde belastingvrijstellingen (van in beginsel belastbare inkomsten). Het niet correct verwerken in de boekhouding of in de aangifte van belastbare inkomsten zijn voorbeelden van feitelijke situaties op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat belastbare inkomsten niet zijn aangegeven. Zoals de verweerder in zijn memorie m.i. terecht aangeeft, dient het woord “belastbaar” in zijn normale gebruikelijke betekenis te worden verstaan als “belast kunnende worden” of voor “belastingheffing in aanmerking komende”.
- Waar de woorden “belastbare inkomsten die niet werden aangegeven” onduidelijk zouden zijn in die zin dat daaronder ook verstaan kan worden de inkomsten de wel werden verwerkt in de boekhouding of aangifte maar waarop ten onrechte een vrijstelling, aftrek of verkeerd tarief werd toegepast of die verkeerd werden aangegeven of verwerkt, kan daarvoor toelichting worden gevonden in de wetshistoriek van artikel 358, § 1, WIB
- Artikel 358, § 1, WIB92 vindt zijn oorsprong in artikel 74ter van de gecoördineerde wetten betreffende de inkomstenbelastingen, dat werd overgenomen in artikel 263 WIB
- Artikel 263 WIB64 luidde oorspronkelijk als volgt: "Wanneer een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven of werden bewimpeld in een der vijfjaren vóór dat van het instellen van de vordering, mag de administratie, zelfs na het verstrijken van de termijn voorzien in artikel 259, op grond van die inkomsten een nieuwe aanslag vestigen". Belastbare inkomsten die werden bewimpeld, zijn belastbare inkomsten die verheeld, verhuld of verborgen werden gehouden. Belastbare inkomsten waarop onterecht een aftrek of vrijstelling werd toegepast, of die verkeerd zijn verwerkt of aangegeven, zijn m.i. bewimpeld, ministens lijkt mij het belastbaar karakter van die inkomsten te zijn bewimpeld. Artikel 263 WIB64 werd gewijzigd bij artikel 57 van de wet van 5 januari 1976, onder meer door te voorzien in bijkomende omstandigheden voor de bijzondere aanslagtermijn. De woorden “of werden bewimpeld” werden weggelaten zonder dat uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat de wetgever de bedoeling had om inhoudelijke wijzigingen aan te brengen in de bestaande regeling. Uit deze wetsgeschiedenis blijkt m.i. dat de notie “belastbare inkomsten die niet werden aangegeven” ruim dient te worden geïnterpreteerd.
- Uit de samenlezing van artikelen 79 en 207 WIB92 volgt dat abnormale en goedgunstige voordelen steeds belastbaar zijn, ongeacht het resultaat. Abnormale en goedgunstige voordelen zijn aldus m.i. op grond van deze bepalingen aan te merken als belastbare inkomsten in de zin van artikel 358, § 1, 2°, WIB
- Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, lijkt mij te falen naar recht. 2.
- Tweede middel. 2.2.
- Tweede middel – eerste onderdeel.
- In het eerste onderdeel van het tweede middel stelt de eiseres dat de appelrechters de artikelen 79 en 207, tweede lid, WIB92, hebben geschonden door te beslissen dat het aftrekverbod/compensatieverbod, bedoeld in de voormelde bepalingen, ook toepasselijk is wanneer een Belgische onderneming een abnormaal of goedgunstig voordeel ontvangt van een buitenlandse onderneming ten aanzien waarvan zij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. De appelrechters oordelen dat abnormale of goedgunstige voordelen die een Belgische onderneming ontvangt van een verbonden buitenlandse onderneming niet gecompenseerd kunnen worden met (vorige) verliezen en dus steeds belastbaar zijn. Zij verwijzen daartoe naar de tekst van deze wetsbepalingen en naar de parlementaire voorbereiding van artikel 207, tweede lid, WIB92, waaruit blijkt dat deze geen onderscheid maken al naargelang een Belgische onderneming een abnormaal of goedgunstig voordeel ontvangt van een verbonden Belgische dan wel van een verbonden buitenlandse onderneming.
- De wetsbepalingen lijken me duidelijk. Ze maken geen onderscheid tussen het ontvangen van de bedoelde voordelen van hetzij een Belgische onderneming, hetzij een buitenlandse onderneming. Nochtans wijst de eiseres niet zonder reden op de wetshistoriek van de artikelen 79 en 207, tweede lid, WIB92, het arrest van Uw Hof van 3 december 1982
(3)in de zaak Castrol en de administratieve commentaren bij het WIB92, waaruit blijkt dat dat het aftrekverbod voorzien in deze artikelen bedoeld was voor abnormale of goedgunstige voordelen toegekend door een Belgische onderneming aan een andere verbonden Belgische onderneming, maar niet voor abnormale of goedgunstige voordelen toegekend door een buitenlandse onderneming aan een Belgische verbonden onderneming, aangezien in dat laatste geval geen belastbare materie in België verloren gaat. 9. Het komt mij voor dat zich in essentie de vraag stelt of een duidelijke wettekst die niet in overeenstemming is met de (aanvankelijke) bedoeling van de wetgever, alsnog volgens die bedoeling dient te worden uitgelegd. De fiscale wet dient in beginsel strikt te worden geïnterpreteerd, zo niet bestaat het risico op een ongelijke behandeling, voorrechten, rechtsonzekerheid of zelfs willekeur
(4). Daartegenover staat de administratieve commentaar en het reeds voormelde arrest van Uw Hof van 3 december 1982 waarin de bepalingen geïnterpreteerd worden volgens de aanvankelijke bedoeling van de wetgever, namelijk dat het compensatie/aftrekverbod enkel geldt indien het voordeel verkregen wordt van een Belgische onderneming. 10. Naar aanleiding van de wijziging van artikel 207 WIB92 bij de wet van 24 december 2002 heeft de minister in de memorie van toelichting verklaart dat de administratieve tolerantie niet langer zou worden aangehouden en dat artikel 207, tweede lid WIB92 voortaan ook toegepast zou worden op abnormale of goedgunstige voordelen ontvangen van buitenlandse ondernemingen: “Daarnaast zal een striktere administratieve toepassing er toe bijdragen dat abnormale winstafvloeiingen worden tegengegaan en zulks op het internationale vlak. In die context zal een aftrek op verkregen abnormale of goedgunstige voordelen niet meer kunnen worden toegepast wanneer de onderneming die het abnormale of goedgunstige voordeel heeft toegekend, een in het buitenland gevestigde onderneming is”
(5). Een wetwijziging in die zin was niet nodig aangezien de wet de buitenlandse voordeelverstrekkende vennootschap nooit heeft uitgesloten. De minister heeft naar aanleiding van die wetswijziging (voortaan ook geldend voor verliezen van het lopend boekjaar) in de memorie van toelichting vastgesteld dat niet de wet maar wel de administratieve praktijk op dit punt dient te veranderen. Hij gaf daarbij aan de tekst ook de volgende nieuwe doelstelling: “De mogelijkheid de verkregen abnormale of goedgunstige voordelen te compenseren met de verliezen van het belastbare tijdperk kan eveneens leiden tot een overdreven winstallocatie ten aanzien van de verkrijgende vennootschap, winst die in feite nergens wordt belast. Hierdoor kan onder meer een zogenoemde dubbele belastingvrijstelling ontstaan”
(6). VAN DE VIJVER is van mening dat de verklaring van de minister louter een administratieve interpretatie weergeeft van de (sinds 1959) bestaande wettekst. Samen met andere auteurs is ze van oordeel dat de wet van 24 december 2002 geen wijzigingen op dit punt aanbrengt en de bedoeling van de wetgever zich op dit punt dus niet gevormd (en derhalve ook niet gewijzigd) kan hebben. Ze verwijst naar de rechtspraak van het Hof die stelt dat de bedoeling van de wetgever niet kan worden achterhaald op basis van parlementaire documenten over latere wetgeving
(7). Mijn inziens heeft de minister naar aanleiding van de wetswijziging in 2002 middels de weergegeven citaten uit de memorie van toelichting de aanvankelijk doelstelling van de wetsbepalingen uitdrukkelijk verruimd. Het aanvankelijke doel en toepassingsgebied van een (louter interne) Belgisch fiscale consolidatie werd uitgebreid naar een internationale groepscontext zonder dat zich daartoe een wetswijziging opdrong. VAN DE VIJVER wijst op de inconsistentie van de ‘nieuwe interpretatie’ van de minister omdat in een internationale context van transfert pricing-regels en antimisbruikbepalingen in de regel wordt belast bij de voordeelverstrekkende vennootschap
(8). Uit de samenlezing van de artikelen 26, 79 en 207 WIB92 blijkt dat de Belgische wetgever ervoor geopteerd heeft om (aanvankelijk binnen een Belgische context) abnormale en goedgunstige voordelen te belasten bij de voordeelgenietende vennootschap die in een verliespositie verkeert. Indien het voordeel bij de genieter op grond van artikel 207 WIB92 wordt belast, zal het niet meer bij de verstrekker worden belast. Die keuze werd doorgetrokken ten aanzien van winstallocaties in een internationale groepsstructuur (zie verder). In de verdere parlementaire bespreking in 2002 werd nog steeds aangenomen dat de bepaling enkel relevant is tussen twee binnenlandse vennootschappen op basis van de volgende redenering: “Het ligt voor de hand dat buitenlandse vennootschappen wel zullen nalaten om een Belgisch fiscaal gat te vullen wanneer zij in hun land eveneens belastingen moeten betalen op de toegekende abnormale of goedgunstige voordelen”. Die aanname lijkt mij te berusten op een te eng begrip van abnormale en goedgunstige voordelen en de veronderstelling dat de voordelen steeds belast worden in het land van de verstrekker. In de voorliggende zaak is de operatie (ogenschijnlijk) neutraal en wordt geen “Belgisch fiscaal gat” gevuld. Het voordeel bestaat erin dat binnen een groep een dubieuze vordering van België naar Nederland wordt doorgeschoven tegen nominale waarde. De appelrechters stelden ook vast dat geen bewijs van een (dubbele) belasting in Nederland voorlag. Volgens mij heeft de wetgever sedert 2002 ook in een internationale groepsstructuur een dubbele belastingvrijstelling willen vermijden, maar daarmee evenmin een dubbele belasting willen instellen. De betrokken groepsvennootschappen kunnen zich desgevallend op een dubbele belastingverdrag beroepen om een eventuele dubbele belasting te vermijden. Het compensatieverbod doet de (vorige) verliezen niet verdampen of teniet (zie verder). 11. Het Grondwettelijk Hof heeft zich bij arrest van 16 december 2021 specifiek over deze problematiek uitgesproken. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de artikelen 79 en 207, tweede lid, WIB92, in die zin geïnterpreteerd dat zij ook van toepassing zijn op Belgische ondernemingen die abnormale of goedgunstige voordelen ontvangen van een buitenlandse verbonden onderneming, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet niet schenden
(9). Het Grondwettelijk Hof hechtte daarbij niet zozeer belang aan de vaststelling dat in een internationale context de Belgische schatkist niet wordt benadeeld (waarmee het dit aspect van de aanvankelijke doelstelling relativeert), maar hechtte vooral belang aan de doelstelling van de bepalingen als antimisbruikbepalingen, ook in een internationale context. Het risico op dubbele belasting wordt volgens het Grondwettelijk Hof ondervangen middels dubbel belastingverdragen: “De artikelen 79 en 207 van het WIB 1992 kunnen slechts worden toegepast voor zover zij met die verdragen overeenstemmen”
(10). Volgens het Grondwettelijk Hof wordt een eventuele overbelasting ook vermeden door de toepassing van artikel 185, § 2, WIB92: “Op basis van artikel 185, § 2, eerste lid, b), van het WIB 1992, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2008 en 2009, kon een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap de belastingadministratie verzoeken om, onder voorwaarden, haar fiscale winst naar beneden aan te passen. Dit is het geval « indien in de winst van [die] vennootschap winst is opgenomen die eveneens is opgenomen in de winst van een andere vennootschap, en de aldus opgenomen winst bestaat uit winst die deze andere vennootschap zou hebben behaald indien tussen de twee vennootschappen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als tussen onafhankelijke vennootschappen zouden zijn overeengekomen». De bedoeling was aldus te verzekeren dat de belastinggrondslag die het resultaat is van grensoverschrijdende relaties tussen verbonden vennootschappen kan worden aangepast om rekening te houden met het arm’s length principe en zo een mogelijke dubbele belasting te vermijden. B.13.
- Bijgevolg kon op grond van die bepaling de fiscale winst van de verkrijger van het abnormaal of goedgunstig voordeel naar beneden worden aangepast in welk geval artikel 207, tweede lid, van het WIB 1992 geen toepassing kon vinden, aangezien de neerwaartse aanpassing op grond van artikel 185, § 2, eerste lid, b), van het WIB 1992 tot gevolg heeft dat die voordelen geen deel meer uitmaken van de belastbare basis van de Belgische vennootschap (Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, 15 mei 2006, QRVA 51-121, pp. 23471-23473). B.13.
- Weliswaar vindt de neerwaartse aanpassing overeenkomstig artikel 185, § 2, eerste lid, b), van het WIB 1992 niet automatisch plaats en kan de belastingadministratie de aanpassing weigeren, en bijgevolg artikel 207, tweede lid, van het WIB 1992 toepassen, indien ze de opwaartse aanpassing door de buitenlandse belastingadministratie niet verantwoord acht. Indien de ene betrokken Staat overgaat tot een verhoging van de belastbare winst ten aanzien van de belastingplichtige die op zijn grondgebied gevestigd is, terwijl de andere betrokken Staat met die aanpassing niet akkoord gaat en dus geen correlatieve neerwaartse aanpassing doorvoert, is het derhalve niet uitgesloten dat een deel van de winst dubbel wordt belast. B.13.
- Wanneer een geschil ontstaat tussen de betrokken partijen over een mogelijke dubbele belasting in een grensoverschrijdende context kan een beroep worden gedaan op de specifieke geschillenprocedures die vervat zijn in de dubbelbelastingverdragen, in artikel 25 van het OESO-Modelverdrag of, voor wat de Europese Unie betreft, in het Verdrag van 23 juli 1990 ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (het zogenaamde Arbitrageverdrag). B.
- Rekening houdend met het bovenstaande is artikel 207 van het WIB 1992, in samenhang gelezen met artikel 79 van het WIB 1992, zoals van toepassing voor de 17 aanslagjaren 2008 en 2009, niet onbestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre het ook van toepassing is op abnormale of goedgunstige voordelen verkregen door een Belgische vennootschap van een met haar verbonden buitenlandse onderneming”. Artikel 185, § 2, WIB92 is gebaseerd op artikel 9 van het OESO-Modelverdrag
(11). De memorie van toelichting stelt dat het net de bedoeling is om met de invoering van artikel 185, § 2 WIB92 te verzekeren dat de belastinggrondslag die het resultaat is van grensoverschrijdende relaties tussen verbonden ondernemingen kan worden aangepast om rekening te houden met het at arm's length-beginsel. De minister verklaarde dat de correlatieve aanpassing van artikel 185, § 2, WIB92 voorrang krijgt op het in artikel 207, tweede lid, WIB92, vermelde aftrekverbod
(12). Dat antwoord van de minister lijkt mij in overeenstemming te zijn met het doel van artikel 185, § 2, WIB92
(13). In de voorliggende zaak hebben de appelrechters die afweging in concreto gemaakt en vastgesteld dat niet was aangetoond dat er een (“dubbele”) belastingheffing was in Nederland. Eerder dan het toepassingsgebied van de op zich duidelijke tekst van de artikelen 79 en 207 WIB92 te beperken, dient m.i. de voorkeur te worden gegeven aan een ruim toepassingsgebied en interpretatie van artikel 185, § 2 WIB92. VAN ROMPAEY stelt in die zin een uitbreiding voor van artikel 185, § 2, WIB92
(14). In afwachting van een eventuele wetswijziging van de artikelen 79 en 207 WIB92, in die zin dat eventueel eerder de partij wordt belast waar zich de werkelijke economische activiteit bevindt of bij de voordeelverstekkende vennootschap, behoeven deze bepalingen m.i. geen andere interpretatie dan deze die de appelrechters eraan hebben gegeven. Het eerste onderdeel dat van een andere interpretatie en rechtsopvatting uitgaat, faalt mijn inziens naar recht. (…) Besluit: Verwerping. _______________________________________________
(1)Cass. 11 oktober 2013, AR F.10.0073.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131011.7-F.11.0086.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141110.3, AC 2013, nr. 520, met concl. van advocaat-generaal LECLERCQ, op datum in Pas. 2013, afl. 10, 1936.
(2)Cass. 12 maart 2021, AR F.19.0059.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210312.1N.3, AC 2021, nr. 183.
(3)Cass. 3 december 1982, AR F.1067.N, AC 1982, nr. 207, met de eensluidende concl. van procureur-generaal KRINGS, toen advocaat-generaal.
(4)Art. 172 GW.
(5)Parl.St. Kamer 2001-02, nr. 50, 1918/001, 52. https://www.dekamer.be/FLWB/pdf/50/1918/50K1918001.pdf
(6)Parl.St. Kamer 2001-02, nr. 50, 1918/001, 52. https://www.dekamer.be/FLWB/pdf/50/1918/50K1918001.pdf
(7)A. VAN DE VIJVER, "Artikel 207, 2de lid WIB 1992 in een grensoverschrijdende context getoetst aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel", TFR 2011, afl. 397, 187-195; P. VAN DEN BERGHE, “La réforme de l’impôt des sociétés: réductions des taux et compensations budgétaires” in Le droit fiscal des entreprises en 2003. Législation et jurisprudence, Ed. du Jeune Barreau de Bruxelles 2003, p. 18-19; PH. LION en L. MEEUS, “Het nieuwe artikel 207, lid 2: als de wetgever het noorden verliest…”, Fiscoloog 2004, nr. 952, p. 2.
(8)8 A. VAN DE VIJVER, "Artikel 207, 2de lid WIB 1992 in een grensoverschrijdende context getoetst aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel", TFR 2011, afl. 397, 195.
(9)Gwh.16 december 2021, nr. 184/21.
(10)Gwh.16 december 2021, nr. 184/21, overweging B.13.2.
(11)VAN ROMPAEY, P., De Belgische regeling inzake ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen in het licht van de dubbelbelastingverdragen en de transfer pricing-beginselen, AFT 2018/6, 4.
(12)Vr. nr. 681 VAN CAMPENHOUT 7 maart 2005, Fisc.Koer. 2006, afl. 11, 603-606.
(13)Net zoals artikel 9,
(2)OESO-modelverdrag impliceren de bewoordingen van artikel 185, § 2, WIB92 dat een verdragsluitende staat verplicht is een corresponderende aanpassing aan te brengen na elke primaire aanpassing door de andere Staat indien de aanpassing zowel in principe als met betrekking tot het bedrag gerechtvaardigd is.
(14)VAN ROMPAEY, P., De Belgische regeling inzake ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen in het licht van de dubbelbelastingverdragen en de transfer pricing-beginselen, AFT 2018/6, 22. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131011.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141110.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210312.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div