← België

T. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.4 Rolnummer: F.22.0016.N Zaak: T. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-01-31 Raadplegingen: 629 - laatst gezien 2026-06-17 21:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.4 Fiche 1 Een bewijskrachtig gegeven in de zin van artikel 358, § 1, 4°, WIB92, is een bekend, vaststaand en onbetwist feit dat, zonder dat verder onderzoek nodig is, op zich of in combinatie met elementen waarover de administratie al beschikt, uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven; een feit dat door de belastingplichtige wordt aangebracht kan een dergelijk bewijskrachtig gegeven vormen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Bijzondere aanslagtermijn - Bewijskrachtige gegevens - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 Fiche 2 De omstandigheid dat de boekhouding in haar geheel als ongeloofwaardig wordt verworpen, staat niet eraan in de weg dat elementen uit deze boekhouding als bewijskrachtig gegeven worden beschouwd
(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Bijzondere aanslagtermijn - Bewijskrachtige gegevens - Niet aangegeven belastbare inkomsten - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 Tekst van de conclusie F.22.0016.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse:
  1. Situering.
  2. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de eiser ingevolge een fiscale controle voor het aanslagjaar 2013 zou worden belast op een indiciair tekort van 293.564,85 EUR (als winst). De eiser verklaarde zich niet akkoord. In de kennisgeving van beslissing tot taxatie werd het indiciair tekort verminderd met 27.762,14 EUR, waarna de bestreden supplementaire aanslag voor aanslagjaar 2013 werd gevestigd. Het bezwaar tegen die aanslag werd afgewezen. Nadien werd aan de eiser voor aanslagjaar 2013 een tweede bericht van wijziging verzonden waarbij werd aangekondigd dat de aanslag zou worden gevestigd in toepassing van artikel 358, § 1, 4° WIB92 wegens bewijskrachtige gegevens die blijken uit het antwoord op het bericht van wijziging met betrekking tot aanslagjaar 2014 en uit een onderhoud met de raadsman van de eiser. Het indiciair tekort werd bijkomend verhoogd met 88.137,04 EUR. De toepassing van een belastingverhoging van 50% werd aangekondigd wegens onjuiste aangifte met opzet de belasting te ontduiken. Het verzet van de eiser tegen die supplementaire aanslag werd afgewezen, ook bij het bestreden arrest van het hof van beroep Antwerpen van 29 juni
  3. De eiser voert in zijn voorziening tegen dit arrest twee middelen tot cassatie aan.
  4. Bespreking van de middelen. 2.
  5. Eerste middel. 2.1.
  6. Eerste middel - eerste onderdeel.
  7. In het eerste onderdeel voert de eiser aan dat het bestreden arrest door te oordelen dat de door de eiser overgemaakte gecorrigeerde indiciaire afrekening een bewijskrachtig gegeven is in de zin van 358, § 1, 40 WIB92, zonder evenwel na te gaan of de gecorrigeerde indiciaire afrekening een op zichzelf genomen vaststaand en onbetwistbaar feit is, minstens zelf wordt gesteund op vaststaande feiten/gegevens, artikel 340 WIB92 schendt.
  8. Artikel 358, § 1, 4°, WIB92 bepaalt dat de belasting of aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bepaalde termijn is verstreken, ingeval bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de administratie kennis krijgt van die gegevens. Overeenkomstig artikel 340, lid 1, WIB92 kan de administratie, ter bepaling van het bestaan en het bedrag van de belastingschuld alsook ter vaststelling van een overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met inbegrip van de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, maar met uitzondering van de eed.
  9. Dit onderdeel van het middel betreft de vraag wat de bewijslast is van de administratie ten aanzien van het begrip “bewijskrachtige gegevens” in artikel 358, § 1, 4° WIB
  10. Bij die vraagstelling dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de bewijskracht van het gegeven en anderzijds de bewijswaarde ervan ten aanzien van het uitwijzen van niet aangegeven inkomsten
(1). 5. Over de bewijslast met betrekking tot de “bewijskrachtige gegevens” oordeelde uw Hof bij arrest van 26 maart 1992 als volgt
(2): “Dat immers, ook al hangt volgens artikel 263, alinéa 1, 4°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen het aanslagrecht van de Administratie af van het bestaan van bewijskrachtige gegevens en kan aldus geen belasting of aanvullende belasting op grond van betwiste en niet onderzochte gegevens worden vastgesteld, de Administratie daarbij evenwel geen verbod wordt opgelegd om gegevens in aanmerking te nemen, die, volgens haar, gezien de feitenlijke omstandigheden van de zaak, bewijswaarde hebben; dat die procedure bovendien het recht van de belastingplichtige om tegen de te zijnen name vastgestelde aanslag alle wettelijke rechtsmiddelen aan te wenden, onverkort laat bestaan; ”(eigen onderlijning). Uit dit arrest volgt m.i. het uitgangspunt dat een ‘bewijskrachtig gegeven’ een niet betwist feitelijk gegeven is, maar dit niet belet dat de administratie de bewijskracht van dit gegeven baseert op elementen die zij in de feitelijke omstandigheden van het geval als bewijskrachtig kan hebben beschouwd. Daarbij merkte Uw Hof meteen op dat dit de belastingplichtige niet belet om tegen een aanslag die steunt op die bewijskrachtige gegevens alle rechtsmiddelen aan te wenden. Daaruit volgt dat het ‘onbetwistbaar’ karakter van het ‘bewijskrachtig gegeven’ enige nuance verdient en het niet noodzakelijk op zich volstrekt onbetwistbaar moet zijn. Dat een bewijskrachtig gegeven niet betwist mag zijn, betekent niet dat het onbetwistbaar moet zijn. Ook GHEYSEN nuanceert de interpretatie van ‘bewijskrachtige gegevens’ als zijnde op zich een zeker, vaststaand en absoluut onbetwistbaar gegeven. Het betreft noodzakelijk een interpretatie op basis van alle op dat moment beschikbare gegevens waarover de administratie beschikt, maar niet verhindert dat de belastingplichtige er betwisting kan over voeren. In het arrest dat aanleiding gaf tot de bespreking door GHEYSEN betrof het bewijskrachtig gegeven de bevestiging, onder de vorm van een ontvangstbewijs, van een voordien reeds door de belastingplichtige aan de administratie meegedeelde verklaring dat hij erelonen had ontvangen van een collega. Dit arrest illustreert het onderscheid tussen de appreciatie van de bewijskracht van een gegeven en de bewijswaarde ervan ten aanzien van het “uitwijzen” van niet belaste inkomsten. Naast het uitgangspunt dat het nieuw gegeven op zich een niet betwist en objectief apprecieerbare bewijskracht moet hebben, kan dit gegeven wat betreft het bewijs van de niet aangegeven inkomsten het sluitstuk zijn dat voldoende bewijswaarde doet ontstaan over de niet aangegeven inkomsten, hoewel het voordien reeds gekend was maar op zich als onvoldoende kon worden aangemerkt. Het lijkt mij aldus van belang te onderlijnen dat het nieuw gegeven op zich wel bewijskrachtig moet zijn, maar niet op zich ‘alle’ bewijswaarde van niet aangegeven inkomsten moet bevatten. De bewijswaarde kan voor het eerst met voldoende zekerheid ontstaan door het nieuw gegeven in verband te brengen met de gegevens waarover de administratie reeds beschikte. 6. In het arrest van 1 maart 1996 lijkt Uw Hof een stap verder te gaan en te overwegen dat het begrip “bewijskrachtige gegevens”, ook wat betreft de bewijskracht ervan, niet noodzakelijk op zich dient te worden beoordeeld, maar het resultaat kan zijn van een appreciatie van die nieuwe (feitelijke) gegevens samen met andere gegevens waarover de administratie reeds beschikte: “Overwegende dat artikel 263, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)het belastingbestuur niet verbiedt om, bij de vaststelling van het bedrag van de belastbare in komsten, zich te baseren op een gegeven dat het, gelet op de feitelijke omstandigheden van de zaak, als bewijskrachtig kon beschouwen, na het in verband te hebben gebracht met andere gegevens waarover het beschikte;” (eigen onderlijning)
(3). Deze overweging doet de indruk ontstaan dat het nieuw verkregen gegeven zijn bewijskracht kan ontlenen en zelfstandig verwerven na het in verband te hebben gebracht met andere elementen waarover men beschikt. Hoewel in deze overweging het voormelde onderscheid tussen de bewijskracht en bewijswaarde lijkt te vervagen, lijkt het wel opnieuw een strikte interpretatie van “bewijskrachtige gegevens” te nuanceren. In die interpretatie is het de datum van de ontdekking van het laatste nieuwe feit dat enerzijds het bewijskrachtig gegeven en anderzijds het bewijs van de niet aangegeven inkomsten doet ontstaan die de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 2, 3°, WIB92 doet aanvangen.
  1. Artikel 358, § 1, 4°, WIB92 (voordien artikel 263, § 1, 4° oud WIB) werd ingevoerd bij wet van 22 december
  2. In de voorbereidende werken werd begrepen onder bewijskrachtige gegevens “bijvoorbeeld, een controle, een onderzoek, een schatting, een scheidsrechtelijke uitspraak, een minnelijke schikking, enz., waarmee de belastingplichtige in kwestie heeft ingestemd. Dit sluit — vanzelfsprekend — uit dat er beroep zou gedaan worden op de procedure van taxatie per vergelijking of taxatie op forfaitaire grondslagen, bedoeld in artikel 248 W.I.B."
(4). Ook deze bedoeling van de wetgever doet de interpretatie van ‘bewijskrachtige gegevens’ als zijnde onbetwistbare gegevens in perspectief plaatsen. Een gegeven waarmee de belastingplichtige heeft ingestemd, kan als een onbetwist gegeven worden aangemerkt, maar sluit de betwisting ervan niet uit en moet daarom op zich niet onbetwistbaar zijn. Het “bewijskrachtig gegeven” sluit niet uit dat er nadien nog betwisting over kan worden gevoerd. Bij arrest van 21 november 1991 oordeelde Uw Hof dat de omzet, die met instemming van de belastingplichtige door het bevoegde bestuur na een controle wordt vastgesteld, een bewijskrachtig gegeven is in de zin van artikel 263, § 1, 4°, WIB
(5). Zowel uit de voorbereidende werken als uit de voormelde rechtspraak van het Hof blijkt dat de gegevens waarmee de belastingplichtige heeft ingestemd, bewijskrachtige gegevens zijn zoals bedoeld in artikel 358, § 1, 4°, WIB
  1. De woorden “bewijskrachtige gegevens”, zoals bedoeld in artikel 358, § 1, 4°, WIB92, lijken aldus een eigen (fiscale) betekenis te hebben die een relatief ruime appreciatie binnen een ruime context mogelijk maken. Een feit dat door de belastingplichtige zelf wordt aangebracht, is een niet betwist feit. Samengevat kan een bewijskrachtig gegeven in de zin van artikel 358, § 1, 4°, WIB92 worden begrepen als vaststaand en onbetwist feit dat, zonder dat onderzoeksmaatregelen nodig zijn, op zich of samen met de gegevens waarover de administratie al beschikt, uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Het komt de feitenrechter toe de feiten vast te stellen en te oordelen of de betekenis, doel en strekking van de notie “bewijskrachtige gegevens” correct zijn toegepast. Vervolgens komt het Uw Hof toe te oordelen of de rechter op basis van de vastgestelde feiten zijn beslissing of er sprake was van “bewijskrachtige gegevens” al dan niet naar recht heeft verantwoord.
  2. De vastgestelde feiten zijn dat bij de eiser een fiscaal onderzoek gebeurde voor de aanslagjaren 2012 en 2013, waarna voor aanslagjaar 2013 een betwiste rectificatieprocedure en een aanslag volgde op basis van een indiciaire afrekening, waarvan het bezwaar ertegen werd afgewezen. Nadien stelde de administratie ook voor aanslagjaar 2014 een bericht van wijziging op. In zijn antwoord op dat bericht van wijziging legde de eiser aan de administratie een gecorrigeerde indiciaire afrekening voor. Die door de belastingplichtige zelf voorgelegde indiciaire afrekening werd door de administratie aangemerkt als een bewijskrachtig gegeven om vervolgens voor het aanslagjaar 2013 een nieuw tweede bericht van wijziging op te maken die leidde tot de betwiste supplementaire aanslag. Ook voor de appelrechter voerde de eiser aan dat de administratie, door zich te steunen op de gecorrigeerde indiciaire afrekening, het begrip “bewijskrachtige gegevens” schendt, namelijk omdat het loutere vermoedens betreffen waaruit de administratie nog verdere conclusies zou dienen te trekken en die niet tegenstelbaar zijn aan de belastingplichtige. De door de belastingplichtige voorgelegde en gecorrigeerde indiciaire afrekening zou bovendien niet bewijskrachtig zijn omdat het gegevens bevat van de boekhouding die door de administratie niet als bewijskrachtig werd aangemerkt. De appelrechter stelde in het bijzonder vast dat: - de bedragen werden aangereikt namens de belastingplichtige als antwoord op de aangekondigde wijzigingen voor aanslagjaar 2014; - deze bedragen bleken uit de grootboekrekeningen handelsdebiteuren
(400000)en leveranciers
(440000)en betroffen als dusdanig bewijskrachtige gegevens die zonder aanvullend onderzoek een belastbaar inkomen uitwezen in de vorm van een verhoging van het indiciair tekort in hoofde van de eiser; - de administratie andere elementen uit de boekhouding verwerpt als niet bewijskrachtig, hieraan geen afbreuk doet; - zelfs wanneer de belastingadministratie, zoals in casu, een boekhouding verwerpt als niet bewijskrachtig, zij zich mag baseren op bepaalde elementen uit deze boekhouding met het oog op het beoordelen van de belastbare basis; - overigens de eiser de verhoging van het indiciair tekort naar aanleiding van de door zijn voormalige raadsman aangereikte bewijskrachtige gegevens ten gronde niet betwist. Naar mijn oordeel heeft de appelrechter daarmee haar beslissing dat de door de eiser voorgelegde gecorrigeerde indiciare afrekening door de administratie kon worden aangemerkt als een bewijskrachtig gegeven in de zin van artikel 358, § 1, 4° WIB92, naar recht gemotiveerd. Deze wetsbepaling sluit niet uit dat de door de belastingplichtige zelf aangereikte informatie kan worden aangemerkt als een bewijskrachtig gegeven. Het lijkt mij niet strijdig met artikel 340 WIB92 en het lijkt mij in overeenstemming te zijn met de bedoeling van de wetgever en de rechtspraak van Uw Hof dat de administratie mag aannemen dat de belastingplichtige heeft ingestemd met de gegevens die hij zelf voorlegt en de administratie deze gegevens aldus als bewijskrachtig kan aanmerken, desgevallend op basis van de appreciatie ervan met de gegevens waarover de administratie reeds beschikte. Het onderdeel van het middel dat uitgaat van het tegendeel, namelijk dat de door de belastingplichtige zelf aangereikte gegevens niet als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 358, § 1, 4° WIB92 kunnen worden aangemerkt, lijkt mij te falen naar recht. De omstandigheid dat een boekhouding niet als bewijskrachtig wordt aangemerkt, sluit niet uit dat gegevens ervan wel bewijskrachtig kunnen zijn. Een boekhouding dient niet te worden aangemerkt als een ondeelbaar geheel waarvan de verwerping van de bewijskracht noodzakelijk alle delen ervan treft. Dat de bewijskracht van een boekhouding in haar geheel als niet bewijskrachtig wordt aangemerkt, houdt niet in dat de boekhouding een ondeelbaar geheel is. (…) Besluit: Verwerping. _____________________________________
(1)GHEYSEN, K., “Het begrip 'bewijskrachtige gegevens' van art. 358, § 1, 40 WIB”, noot onder Gent 6 januari 1999, TFR 1999, nr.169, 652. Ook de appelrechter maakt op pagina 7 van het bestreden arrest dit onderscheid.
(2)Cass. 26 maart 1992, AR F.1336.F, AC 1992, nr. 402.
(3)Cass. 1 maart 1996, AR F.95.0047.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960301.11, AC 1996, nr. 94, met noot van S. VAN CROMBRUGGE.
(4)Gedr.St., Kamer, 1977-78, nr. 113/1, p. 17 en nr. 113/11, p. 25-26.
(5)Cass. 5 juni 1992, AR F.1933.N, AC 1992, nr. 523, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920605.8; zie ook Antw. 23 juni 1998, FJF, nr. 99/19. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920605.8 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960301.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.