id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.7 Rolnummer: F.19.0121.N Zaak: GEMEENTE SCHILDE contra S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2023-01-30 Raadplegingen: 762 - laatst gezien 2026-06-17 03:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.7 Fiches 1 - 2 Het staat aan de rechter te oordelen of mededelingen die een overheid heeft gedaan voorafgaand aan een belastbaar feit bij de belastingplichtige de gerechtvaardigde verwachting kunnen opwekken dat hij niet het voorwerp zou vormen van een fiscale aanslag; mededelingen die dateren van na het belastbaar feit kunnen bij de belastingplichtige een dergelijke verwachting niet opwekken
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: Algemene rechtsbeginselen - Beginsel van behoorlijk bestuur - Mededelingen van de overheid - Gerechtvaardigde verwachting Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Beginsel van behoorlijk bestuur - Inkomstenbelastingen - Mededelingen die dateren van na het belastbaar feit Tekst van de conclusie F.19.0121.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering
- Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat een handelspand van de verweerster per 10 december 2010 als leegstaande woning werd opgenomen in het leegstandregister van de gemeente Schilde. Voor het aanslagjaar 2015 werd de verweerster aangeslagen in de gemeentebelasting van de gemeente Schilde op gebouwen en/of woningen die beschouwd worden als onbewoonbaar, ongeschikt, onveilig, verwaarloosd, bouwvallig of leegstaand. De appelrechters oordeelden dat door de gemeente bij de verweerster gerechtvaardigde verwachtingen werden geschapen omtrent de goedkeuring en inwerkingtreding van het nieuwe RUP die hen meer mogelijkheden zou bieden met het oog op de beëindiging van de leegstand van het pand. De appelrechters oordeelden dat een schending van het vertrouwensbeginsel voorlag omdat de verwachtingen niet werden ingelost. Bovendien zou de gemeente niet de vereiste zorgvuldigheid aan de dag hebben gelegd bij de uitoefening van haar informatieplicht door de disparate en onduidelijke berichtgeving. Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen tot cassatie aan. 2 Bespreking van het eerste middel
- Volgens het eerste middel miskent het bestreden arrest het begrip 'vertrouwensbeginsel' doordat het arrest het begrip 'vaste gedrag-of beleidsregel' miskent. De eiseres stelt zich niet te hebben gedragen of geen beleid te hebben gevoerd op een wijze die door de verweerster niet anders kon worden opgevat dan de vaste gedrags- of beleidsregel dat hun situatie van leegstand on belast zou zijn. De handelwijze van de eiseres zou niet op rechtmatige wijze het vertrouwen in hoofde van de verweersters kunnen wekken dat hun situatie van leegstand onbelast zou zijn, nu dergelijk vermeend vertrouwen zou ingaan tegen de belastbaarheid waarin het belastingreglement voorziet, zeker nu door het bestreden arrest is vastgesteld dat verweerders zich niet op overmacht kunnen beroepen.
- In de rechtspraak en de rechtsleer worden de begrippen rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel vaak door elkaar gebruikt
(1). Het past nochtans te wijzen op het onderscheid tussen deze begrippen. Het rechtszekerheidsbeginsel is een uit de rechtsstaat voortvloeiend beginsel dat voorziet dat het recht voorzienbaar en toegankelijk dient te zijn zodat de rechtssubjecten in staat zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen op voorhand in te schatte, en dat die rechtssubjecten moeten kunnen vertrouwen op een zekere standvastigheid bij het bestuur
(2). Bepaalde auteurs geven aan het rechtszekerheidsbeginsel een grondwettelijke status boven de wet, terwijl andere voorstander zijn van een onderscheid tussen het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving en anderzijds als beginsel van behoorlijk bestuur, in welk geval het beginsel niet zou kunne opwegen tegen het legaliteitsbeginsel
(3). Het vertrouwensbeginsel is in de rechtsleer omschreven als een beginsel van behoorlijk bestuur dat inhoudt dat gerechtvaardigde verwachtingen die door het bestuur bij de rechtsonderhorige zijn opgewekt, zo enigszins mogelijk moet worden gehonoreerd, op gevaar af anders het vertrouwen dat de rechtsonderhorige in het bestuur stellen, te misleiden
(4). Het vertrouwensbeginsel vormt een relatief recent ontstaan aspect van het ruimere beginsel van de rechtszekerheid. Die evolutie bestaat er onder meer in dat voor het beoordelen van het vertrouwensbeginsel, naast de klassieke leer van objectieve ‘definitief verkregen rechten’ en een ‘duidelijke vaste gedragslijn’, meer en meer gebruikt gemaakt wordt van meer subjectieve begrippen, zoals “rechtmatige verwachtingen”. Ook wordt in de beoordeling van het vertrouwensbeginsel meer aandacht besteed aan de hoedanigheid van het bestuur, de wijze waarop de verwachtingen zijn opgewekt, het rechtmatig en gerechtvaardigd karakter van de verwachtingen
(5). De vraag is of die evolutie wel de rechtszekerheid ten goede komt, als de naleving van het gelijkheidsbeginsel
(6). 4. Het is vaste rechtspraak van Uw Hof dat het rechtszekerheidsbeginsel, dat bindend is voor de belastingadministratie, inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid zodat de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd
(7). Waar de rechtsleer Uw arrest van 27 maart 1992 als een doorbraak aanmerkte, heeft Uw Hof in nadien in veelvuldige rechtspraak laten verstaan dat het legaliteitsbeginsel primeert op het vertrouwensbeginsel
(8). Wat betreft de invulling van het begrip redelijk vertrouwen oordeelde Uw Hof bij arrest van het Hof 11 februari 2011 als volgt
(9): “Wanneer het bestuur met een algemene maatregel een bepaalde gedragslijn bepaalt en in de toepassing en uitlegging van die algemene maatregel ten aanzien van bepaalde belastingplichtigen een bepaald vast gedrag aanneemt, dat gedeeltelijk afwijkt van de algemene gedragslijn, kan dit afwijkend gedrag bij de belastingplichtigen gewettigde verwachtingen creëren, mits dit gedrag niet strijdt met een wettelijke regel.” De inbreuk op de vaste gedragslijn en legitieme verwachting moet onmiddellijk en onvoorzienbaar zijn en als het ware als een donderslag uit heldere hemel komen
(10)De beginselen van behoorlijk bestuur niet kunnen worden aangevoerd ter rechtvaardiging van onwettige maatregelen
(11). Zoals mijn ambt reeds meermaals concludeerde is het legaliteitsbeginsel anders dan de beginselen van behoorlijk bestuur het rechtstreeks gegrond op een grondwettekst, namelijk artikel 159 van de Grondwet, naar luid waarvan de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen
(12). Een eventueel opgewekt vertrouwen is dan immers niet gerechtvaardigd. 5. De rechtspraak van het Hof wijst uit dat de beoordeling over een schending van het rechtszekerheidsbeginsel geen beoordeling betreft van de feiten die aan de controle van het Hof zou zijn onttrokken. Het lijkt dat de beide beginselen soms op gespannen staan en dan komt het Uw Hof toe na te gaan of de rechter hetzij de wet hetzij het begrip redelijk vertrouwen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die ermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(13).
- In de voorliggende zaak staat het niet ter discussie dat op grond van het legaliteitsbeginsel de eiseres de betwiste belasting in hoofde van de verweerster kon opleggen. Voor de appelrechter steunde de verweerster haar eerste middel tegen de belasting op overmacht. De appelrechters oordeelden dat de verweerster geen overmacht bewees omdat de verweerster niet aantoonde dat: - de ze zich, in weerwil van haar inspanningen als eigenaar, om redenen onafhankelijk van hun wil in de onmogelijkheid bevonden om een einde te maken aan de leegstand van het pand. Het enkele feit dat vooralsnog geen nieuwe RUP werd goedgekeurd en dat hierover onzekerheid bestaat, verhinderde volgens de appelrechters immers op zich niet dat een einde zou worden gemaakt aan de leegstand, dat zou worden overgegaan tot renovatie of sloping van het pand en/of dat het pand zou worden verkocht. - hiertoe de nodige inspanningen werden getroffen, die echter om redenen onafhankelijk van haar wil zouden zijn gedwarsboomd. Ze verweerster gaf daarentegen zelf aan dat de mogelijkheden bij ontstentenis van het nieuwe RUP aanzienlijk worden beperkt, wat echter geenszins impliceert dan iedere beëindiging van de leegstand onmogelijk zou zijn; - een stedenbouwkundige vergunning zou zijn gevraagd, die door de gemeente zou zijn geweigerd bij ontstentenis van het nieuwe RUP. Het enkele feit dat door de Vlaamse Overheid proportionele vermindering van de onroerende voorheffing werd verleend wegens onvrijwillige improductiviteit, bewijst op zich geen overmacht. De appelrechters oordelen aldus dat overmacht niet kan worden aangenomen en de belastingplichtige de toestand van leegstand wel had kunnen verhelpen, doch aanvaarden anderzijds wel een schending van het rechtszekerheidsbeginsel op grond van de volgende vaststellingen: - reeds voor de opname van het pand in het leegstandregister werd meegedeeld dat het RUP Turnhoutsebaan Oost eind 2010, begin 2011 zou moeten zijn goedgekeurd en dat dit RUP, door de omzetting van de zone woonpark naar woongebied, meer mogelijkheden zou bieden; - bij brief van 26 februari 2015 waarbij de inkohiering van de leegstandsheffing werd aangekondigd, werd verwezen naar het RUP in opmaak. Er werd daarbij meegedeeld dat het gemeentebestuur er nog steeds werk van maakt om de opmaak van het RUP Turnhoutsebaan af te handelen en dat het tot op heden nog niet van kracht is; - uit de voorgelegde briefwisseling en de verslagen van de gemeenteraad blijkt dat er totale onzekerheid heerst over de invulling van het RUP en de tijdspanne waarin deze zou kunnen worden goedgekeurd; - de belastingplichtige, die ter zake regelmatig om duiding hebben gevraagd onder meer naar aanleiding van de bezwaarschriften tegen de leegstandheffingen, in het ongewisse werd gelaten - de bezwaren werden zonder duiding wat de timing betreft ter zijde geschoven door het college van burgemeester en schepenen; - tijdens de gemeenteraad van 21 maart 2016 werd de problematiek door een gemeenteraadslid aangekaart. Er werd opgemerkt dat het voorkomt dat panden worden belast conform het belastingreglement op leegstand hoewel de leegstand vaak een (gedeeltelijk) onvrijwillig karakter heeft. Hierbij werd verwezen naar een RUP in opmaak dat mogelijks (verregaande) planologische ingrepen kan doorvoeren waardoor het zowel voor de eigenaar als voor de gemeente onwenselijk kan zijn dat het pand bijvoorbeeld opnieuw zou worden verhuurd. Een ander gemeenteraadslid deelde het standpunt dat de opmaak van een RUP de ontwikkeling van eigendommen kan immobiliseren. Het engagement werd aangegaan om het reglement aan te passen van zodra een casus zich zou voordoen; - uit de stukken blijkt dat de goedkeuring van een nieuw RUP herhaaldelijk in het vooruitzicht werd gesteld, doch dat zulks uiteindelijk op de lange baan blijkt te zijn geschoven; - de gemeente engageerde zich een oplossing te bieden, doch er werd geen initiatief genomen; - aldus werden door de gemeente bij eisers in hoger beroep gerechtvaardigde verwachtingen geschapen omtrent de goedkeuring en inwerkingtreding van het nieuwe RUP die hen meer mogelijkheden zou bieden met het oog op de beëindiging van de leegstand van het pand, verwachtingen die echter niet werden ingelost. Aldus komt het oordeel van de appelrechters erop neer dat het voor de belastingplichtige niet onmogelijk was om de toestand te verhelpen, maar eigenlijk de leegstand niet hoefde te verhelpen in afwachting van het beloofde nieuwe RUP waardoor er meer mogelijkheden zouden zijn om de leegstand te verhelpen.
- Op basis van de door de appelrechters vastgestelde feiten komt het mij voor dat ze hun beslissing tot schending van het vertrouwensbeginsel niet naar recht verantwoorden. Naast een geuite intentie tot wijziging van het RUP, waarvan niet vaststaat dat die uiting gebeurde door de daartoe bevoegde overheid, was er duidelijk sprake van chaos, onzekerheid, geen timing, discussie, jarenlang uitstel, een vooruitzicht, een voornemen tot oplossing. Deze vastgestelde feiten kunnen m.i. niet als een vaste gedragslijn worden aangemerkt en konden dan ook m.i. niet leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen.
- Overigens, indien de toepassing van het vertrouwensbeginsel in bestuursaangelegenheden, waaronder het fiscaal recht, een belangenafweging veronderstelt, dient die (integraal te zijn en) verder te reiken dan de belangen van de partijen, maar dient die ook de belangen te omvatten van derden en de opname van het algemeen belang
(14), met respect voor het gelijkheidsbeginsel
(15). Ook VANDEBERGH stelt voor dat een bepaalde belangenafweging moet gebeuren. Indien het bestuur een bepaald standpunt inneemt, dan moet hij zich hieraan houden, omdat hij anders de belastingplichtige in een onmogelijke positie brengt die in hoofde van de belastingplichtige als het ware overmacht vormt
(16). Hij merkt het vertrouwensbeginsel aan als een variante van overmacht: “Overmacht breekt alle wetten. De houding van de fiscus vormt een vorm van overmacht in hoofde van de belastingplichtige”
(17). Ook in die interpretatie lijkt de door de appelrechters aangenomen schending van het vertrouwensbeginsel niet naar recht verantwoord. In die redenering komt het tegenstrijdig voor enerzijds te oordelen dat overmacht niet kan aangenomen worden en niets de belastingplichtige belette de belastbare toestand te doen ophouden, en anderzijds te oordelen dat de belastingplichtige in de onmogelijke positie gebracht werd de belasting te voorkomen. 9. Het tweede middel kan niet tot een ruimere cassatie leiden. 3 Besluit: Cassatie ____________________________________________________________________
(1)VERMEERSCH, F., Het vertrouwensbeginsel in het fiscaal recht, AFT 2010, afl. 8-9, 40.
(2)OPDEBEEK, I. en VAN DAMME, M. (ed.), Beginselen van behoorlijk bestuur, Die Keure Brugge, 2006, 315.
(3)OPDEBEEK, I. en VAN DAMME, M. (ed.), Beginselen van behoorlijk bestuur, Die Keure Brugge, 2006, 319.
(4)OPDEBEEK, I. en VAN DAMME, M. o.c., 350.
(5)OPDEBEEK, I. en VAN DAMME, M. o.c., 322.
(6)MORIS, M., “Le droit au respect de la sécurité juridique et autres principes de bonne administation en droit fiscal ou la consécration de l’insécurité juridique?”, J.D.F., 2002, Deel 1, p. 65 & Deel 2, p. 129.
(7)Cass. 2 september 2016, AR F.14.0206.N, AC 2016, nr. 451, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5; Cass. 27 maart 1992, AR 6891, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920327.8;
(8)Cass. 29 mei 1992, AR F.1950.N, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920529.3; Cass. 4 juni 1998, AR F.95.0027.N, ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980604.12: In deze arresten besloot het Hof dat de wekelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift een vervaltermijn is, welke, behoudens overmacht, niet kan worden verlengd en dat derhalve het arrest dat het buiten bedoelde termijn ingediende bezwaar tijdig verklaart wegens een schending van een beginsel van behoorlijk bestuur door de administratie der directe belastingen, niet naar recht verantwoord is; Cass. 14 juni 1999, AR S.98.0093.N, AC 1999, nr. 352, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990614.4; Cass. 17 mei 1999, AR S.97.0063.F, AC 1999, nr. 285, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990517.4.
(9)Cass. 11 februari 2011, AR F.09.0161.N, AC 2011, nr. 123, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110211.3, TFR 2012, afl. 418, 296.
(10)Concl. WAMPACH, eerste adv.-gen., Ben.GH, zaak B97/1, Scholtes-Woeldgen t. Benelux Economische Unie, 15 juni 1998, Ben.Jur., p. 50, B 97/1 - Inrichtingsvergoeding en expatriëringstoelage - V. Scholtes-Woeldgen - Conclusie (courbeneluxhof.int), zoals advocaat-generaal TESAURO het uitdrukte.
(11)Cass. 6 november 2000, AR F.99.0108.F, AC 2000, nr. 598, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001106.6 met concl. van eerste advocaat-generaal J.-F. LECLERCQ op datum in Pas..
(12)Concl. van advocaat-generaal HENKES op datum in Pas. bij Cass. 26 oktober 2001, AR F.00.0034.F, AC 2001, nr. 577, afl. 9, 1793 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011026.6; concl. van eerste advocaat-generaal J.-F. LECLERCQ op datum in Pas. bij Cass. 6 november 2000, AR F.99.0108.F, AC 2000, nr. 598, afl. 9, 1717, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001106.6; GANSHOF VANDER MEERSCH, Propos sur le texte de loi et les principes generaux du droit, Openingsrede, Plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 1970.
(13)Cass. 2 september 2016, AR F.14.0206.N, AC 2016, nr. 451, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5.
(14)OPDEBEEK, I. en VAN DAMME, M. o.c., 323.
(15)Artikel 172 van de Grondwet: Inzake belastingen kunnen geen voorrechten worden ingevoerd.
(16)VANDEBERGH, H., “Grenzen aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel”, TFR 2003, afl. 237, 218.
(17)VANDEBERGH, H., “Grenzen aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel”, TFR 2003, afl. 237, 219 en 2020: “Opmerkelijk is dat het Hof van Cassatie het vertrouwensbeginsel niet van toepassing acht wanneer termijnen overschreden worden wegens verkeerde informatie vanwege de fiscus. Het Hof blijkt dit alleen toe te laten indien deze foutieve informatie door de fiscus, leidt tot overmacht in hoofde van de belastingplichtige. Het Hof heeft gelijk. Het vertrouwensbeginsel komt slechts te berde indien de belastingplichtige in een niet te herstellen situatie terecht komt. Er moet dus komen vast te staan dat de foutieve informatie door de fiscus de belastingplichtige daadwerkelijk verhinderde zijn rechten tijdig uit te oefenen.” PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920327.8 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920529.3 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980604.12 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990517.4 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990614.4 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001106.6 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011026.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110211.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div