← België

BELGISCHE STAAT c. NATIONAAL VERBOND VAN KATHOLIEKE VLA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 november 2022

Art. 83

, § 2 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 821 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Verjaring - Afstand van de verlopen tijd van de verjaring - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 83

, § 2 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 821 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 3 De algemeen coördinator mag binnen de handelingen van het dagelijks bestuur de stuitingsdaad van de afstand van de op de verjaring verlopen termijn stellen, zoals bepaald in artikel 83, § 2, Btw-wetboek. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALGEMEEN. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS Vrije woorden: Dagelijks bestuur - Daden van beheer - Afstand van de verlopen tijd van de verjaring - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 83

, § 2 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.22.0006.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse:

  1. Situering.
  2. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de belastingplichtige (zijnde een VZW) op 14 maart 2012 op haar maatschappelijke zetel door de fiscale administratie werd gecontroleerd voor de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december
  3. Op 2 juli 2012 gebeurde een overleg tussen de administratie en de belastingplichtige over het geschilpunt tussen de partijen, met name de vraag of de belastingplichtige al dan niet Belgische btw kon verschuldigd zijn op de facturen van een Nederlandse uitgever van het ledentijdschrift van de belastingplichtige. Op 6 november 2012 ondertekende de "algemeen coördinator", die het dagelijks bestuur waarneemt van de belastingplichtige, een verklaring tot afstand van de verlopen tijd van de verjaring in toepassing van artikel 83, § 2 WBTW (met betrekking tot de jaren 2009 en 2010). Op 24 december 2013 nam de administratie een beslissing tot naheffing van btw en op 10 maart 2014 vaardigde de administratie een dwangbevel uit tot invordering van de verschuldigde BTW. Het dwangbevel werd op 2 april 2014 aan de belastingplichtige betekend waarbij in hoofdsom aan BTW een bedrag van € 35.558,50 en administratieve geldboeten van € 8.610,00 werden gevorderd. Het minnelijk bezwaar van de belastingplichtige werd afgewezen. Het verzet van de belastingplichtige tegen het dwangbevel werd door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, afdeling Brussel, bij vonnis van 9 augustus 2016 als ongegrond afgewezen. In het bestreden arrest van 1 juni 2021 oordeelde het hof van beroep Brussel dat de vordering van de administratie is verjaard voor de jaren 2009 en 2010 omdat de “algemeen coördinator” geen vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft voor de BTW-plichtige rechtspersoon die afstand van de gelopen termijn van de verjaring doet. De Belgische Staat voert in haar verzoekschrift één middel met vier onderdelen tot cassatie aan.
  4. Bespreking van het enig middel.
  5. Het enig middel van de eiser omvat vier onderdelen die als volgt kunnen worden samengevat, namelijk dat de appelrechter niet wettig heeft beslist dat:
  6. het afstand doen van de verlopen termijn der verjaring inzake BTW, "het doen van afstand van een rechtsvordering [betreft] bedoeld in artikel 823 Ger.W.”;
  7. dat de “algemeen coördinator” de belastingplichtige niet voor de afstand kon verbinden om reden dat er geen bewijs voorlag dat was gehandeld binnen de grenzen van de begroting en conform de beslissing en visie van de Raad van Bestuur;
  8. het doen van afstand van de verlopen termijn der verjaring inzake BTW geen taak is van dagelijks bestuur;
  9. dat artikel 22, § 3, van de statuten van de belastingplichtige, dat bepaalt dat de belastingplichtige ten opzichte van derden zal gebonden zijn door de handtekening van de "algemeen coördinator”, de vertegenwoordigingsbevoegdheid beperkt van deze persoon wat betreft het dagelijks bestuur. Het middel wordt in zijn geheel besproken.
  10. Artikel 83, § 1, WBTW, bepaalt dat de verjaring voor de voldoening van de btw wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende oud BW, indien geen rechtsgeding hangend is. Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting schorst de verjaring. Artikel 83, § 2, WBTW bepaalt dat de afstand van de op de verjaring verlopen termijn, ten aanzien van zijn gevolgen wordt gelijkgesteld met de stuitingsdaden zoals bedoeld in de eerste paragraaf. Artikel 2220 oud BW dat bepaalt dat men afstand kan doen van een verkregen verjaring maar men vooraf geen afstand kan doen van de verjaring. Deze bepaling sluit niet uit dat afstand kan worden gedaan van de verlopen tijd van de nog niet ingetreden verjaring

(1). Artikel 83, § 2, WBTW beoogt geen uitzondering op artikel 2220 oud BW. Deze bepaling houdt niet in dat men afstand doet van ‘de verjaring’, maar voorziet uitdrukkelijk dat men afstand kan doen van de op de verjaring verlopen termijn en deze de werking heeft van een stuitingsdaad. Het middel van de verjaring is een verweer houdende het recht om de verjaring in te roepen en dient enkel private belangen
(2). In zaken van privaat belang is het mogelijk afstand te doen van de reeds verlopen tijd van een nog steeds lopende verjaring
(3). Het middel van de verjaring raakt niet de openbare orde, evenmin inzake BTW in hoofde van de belastingplichtige
(4). De rechter mag het middel van de verjaring niet ambtshalve inroepen
(5). 4. Artikel 821, eerste lid, Ger.W. bepaalt dat bij afstand van rechtsvordering de hoofdeiser, de eiser tot vrijwaring of de wedereiser afziet zowel van de rechtspleging als van het recht zelf. Artikel 823, eerste lid, Ger.W. bepaalt dat afstand van rechtsvordering slechts mogelijk is met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken. Bij arrest van 10 november 2011 oordeelde Uw Hof dat de afstand van een verweer tegen een rechtsvordering geen afstand is van rechtsvordering in de zin van voormelde wetsbepalingen
(6). Daaruit volgt m.i. dat de afstand van de op de verjaring verlopen termijn zoals bedoeld in artikel 83, § 2, WBTW, dat een afstand van een verweer betreft zonder dat er sprake is van een rechtsvordering die voor een rechter is gebracht, geen afstand is en evenmin kan worden gelijkgesteld met een afstand van een rechtsvordering in de zin van artikel 823 Ger.W. Dat men afstand doet van de verlopen tijd van de verjaring, houdt evenmin in dat men definitief afstand doet van het recht om de verjaring in te roepen
(7). Het doel om met de afstand de verjaring te stuiten komt overigens m.i. niet verenigbaar voor met een afstand van rechtsvordering omdat die een aanspraak voor een rechter onderstelt, waardoor de verjaring dan immers al is geschorst in toepassing van art 83, § 2, in fine, WBTW.
  1. Het derde onderdeel van het middel komt op tegen de beslissing van de appelrechter dat de dagelijks bestuurder niet over de bevoegdheid beschikte om de afstand van de verlopen tijd van de verjaring te ondertekenen.
  2. Wat betreft de bekwaamheid om afstand te doen van verjaring, voorziet artikel 2222 oud BW enkel dat hij die niet kan vervreemden, geen afstand kan doen van een verkregen verjaring. Deze bepaling slaat niet op de situatie waarin afstand wordt gedaan van de verlopen tijd van de nog niet verkregen verjaring (zoals bedoeld in artikel 83, § 2 WBTW). Het komt mij voor dat wat betreft de bekwaamheid om ze te stellen dit twee pertinent verschillende situaties betreft. In de situatie van een verkregen verjaring volstaat het voor de schuldenaar om er zich op te beroepen, terwijl in de situatie van een nog niet verkregen verjaring het voor de schuldeiser kan volstaan een (andere) stuitingsdaad te verrichten. De rechtsposities van de partijen in deze verschillende situaties lijken mij niet vergelijkbaar
(8). 7. De feitelijke situatie die aan uw hof wordt voorgelegd betreft de vraag of een dagelijks bestuurder bevoegd is om afstand te doen van de verlopen tijd van de nog niet verkregen verjaring, zoals bedoeld in (de eigen fiscaal functionele context van) artikel 83, § 2 WBTW. De afstand van de op de verjaring verlopen termijn, zoals bedoeld in artikel 83, § 2, WBTW, betekent in de praktijk dat wordt vermeden dat de administratie tijdens een nog niet afgehandelde controle een verjaringsstuitend dwangbevel inzake BTW moet laten betekenen aan de belastingplichtige. De beide partijen hebben er veelal belang bij om het (opstellen, uitvaardigen, goedkeuren, betekenen van een (nieuw)) dwangbevel en de bijhorende kosten ervan te vermijden door het laten ondertekenen door de belastingplichtige van een formulier van afstand van de verlopen tijd van de verjaring. De afstand laat toe het debat en overleg tussen de partijen op een minnelijke manier verder te zetten. Dat de belastingplichtige afstand doet van de verlopen tijd van de verjaring, brengt niet met zich mee dat hij de fiscale schuld erkent. Uit artikel 83, § 2, WBTW volgt dat de stuitende werking van die afstand verkregen is gewoon door het feit dat deze gedaan is, zonder dat zij gepaard moet gaan met de erkenning van de rechten van de schuldeiser
(9). De juridische krijtlijnen waarin deze afstand zich voltrekt, namelijk waarin geen recht wordt erkend en de administratie de (gebonden) bevoegdheid heeft de verjaring te stuiten, doen de vereiste bekwaamheid om de afstand te kunnen aanvaarden, nuanceren. In de rechtsleer wordt de bekwaamheid soepel geïnterpreteerd. Er wordt aangenomen dat de afstand van de lopende verjaring kan gebeuren door een persoon die handelt krachtens een algemene of een bijzondere lastgeving vastgesteld door een volmacht, onder meer door een fiscaal raadgever die last heeft om 'de belastingzaken te regelen'
(10). De afstand kan ook gebeuren door de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige
(11). Afstand doen van de lopende verjaring inzake btw zoals bedoeld in artikel 83, § 2, WBTW lijkt mij een daad van beheer uit te maken
(12). De afstand van de verlopen tijd van de verjaring heeft geen rechtstreekse impact op het vermogen van de (voorgehouden) schuldenaar
(13). De belastingplichtige doet daarmee geen afstand van zijn recht de belasting te betwisten.
  1. De afstand van de verlopen tijd van de verjaring werd door de dagelijks bestuurder ondertekend op 6 november
  2. Op dat moment was de oude VZW-wet van 1921 nog toepasselijk. Bij gebreke aan een duidelijke wettelijke omschrijving van ‘dagelijks bestuur’, kan worden verwezen naar het arrest van uw Hof van 6 februari
  3. In dit arrest werd de bevoegdheid van de dagelijks bestuurder omschreven als twee categorieën van handelingen: 1) handelingen die geboden zijn door de noden van het dagelijkse leven; 2) handelingen die zowel wegens het geringe belang als wegens de noodzaak van een snelle oplossing, het optreden van de raad van bestuur overbodig maken. De rechtsleer heeft deze rechtspraak kritisch onthaald, meer bepaald wat betreft het cumulatieve voorwaarden van ‘gering belang' en 'urgentie' in de tweede omschrijving
(14). Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen bevat een ruimere invulling van het begrip dagelijks bestuur. Artikel 9:10, derde lid, WVV bepaalt voor de vzw's dat het dagelijks bestuur zowel de handelingen de beslissingen omvat die niet verder reiken dan de behoeften van het dagelijks leven van de vereniging, als de handelingen en de beslissingen die, ofwel om reden van hun minder belang dat ze vertonen, ofwel omwille van liet spoedeisend karakter, de tussenkomst van het bestuursorgaan niet rechtvaardigen. In het licht van bezorgdheden en behoeften van de rechtspraktijk en de wettelijke evolutie, kan mijn inziens de voorkeur gegeven worden aan de door de eiser voorgestelde anticipatieve toepassing van deze nieuwe wetgeving. De interpretatie zou niet in strijd zijn met de oude VZW-Wet. Het zou tegemoet kunnen komen aan de tendens om bij het onderscheid tussen daden van beheer en daden van beschikking het criterium 'aard van de handeling' verlaten en ten voordele van een functioneel criterium. Daden van beheer zijn dan (rechts)handelingen waarmee het vermogen intact wordt gehouden of op niet speculatieve wijze wordt vermeerderd en tot redelijke vruchtdraging wordt gebracht. Daden van beschikking zijn (rechts)handelingen waardoor een bestanddeel verdwijnt uit het vermogen of (voor langere tijd) bezwaard met een recht
(15). Ook uit de toepassing van dit functioneel criterium kan m.i. worden afgeleid dat het afstand doen van een 'verkregen' verjaring niet noodzakelijk overeenstemt met een daad van beschikking, maar eerder met een daad van beheer: men doet slechts afstand van een verweermiddel, niet van een eis. Er kan worden opgemerkt dat de afstand van de verkregen verjaring, de kans op het intreden van de verjaring uitstelt en daarmee het vermogen voor een langere tijd met een belastingaanspraak wordt bezwaard. Die redenering gaat uit van de eerder onwaarschijnlijke aanname dat de administratie zou nalaten de verjaring te stuiten op een andere wijze dan door een minnelijke afstand. 9. De beslissingen dat de afstand van de op de verjaring verlopen termijn, zoals bedoeld in artikel 83, § 2, WBTW, een afstand van een rechtsvordering betreft zoals bedoeld in artikel 823 Ger.W. en dat de deze handeling niet behoort tot de bevoegdheid van het dagelijks bestuur, waardoor de BTW vordering van de eiser is verjaard voor de jaren 2009 en 2010 bij gebrek aan bewijs van een tijdige stuiting van de verjaring, lijken mij niet naar recht verantwoordt. Het eerste en derde onderdeel komen mij gegrond voor. Besluit: Cassatie. ____________________________________
(1)Cass. 23 oktober 1986, AR 7608, AC 1986, nr. 119, TBBR, 88/2, 207, met noot van VAN OEVELEN A., “Het afstand doen van het reeds verstreken gedeelte van een lopende verjaring”; Cass. 3 februari 1950, AC 1950, 357.
(2)VAN OEVELEN A., “Het afstand doen van het reeds verstreken gedeelte van een lopende verjaring”, TBBR, 88/2, 210.
(3)Cass. 18 februari 2016, AR C.15.0215.N, AC 2016, nr. 125, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160218.12; Cass. 23 oktober 1986, AC 1986, nr. 119.
(4)Vergelijk met een berusting door de belastingplichtige die evenmin de openbare orde raakt: Cass. 30 juni 2016, AR F.15.0014.N, AC 2016, nr. 437, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS.
(5)Art. 2223 oud BW.
(6)Cass. 10 november 2011, AR C.11.0210.N, AC 2011, nr. 615, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111110.17.
(7)CNUDDE S., “Commentaar bij art. 821 Ger.W.”, OGR, Afl. 93 (23 januari 2014), De afstand van rechtsvordering is de meest ingrijpende vorm van afstand. In tegenstelling tot de afstand van geding wordt niet alleen de begonnen procedure, maar ook het recht zelf prijsgegeven. Omtrent dit opgegeven recht kan er nadien geen nieuw geding meer worden gestart.
(8)Of dat vervolgens een weerslag heeft op de vereiste bekwaamheid in hoofde van de schuldenaar, maakt niet het voorwerp uit van het aangevoerde midden en deze bespreking. Zie ook VANDEN AVYLE G., Guide fiscal permanent, III, TVA Chapitre XIII, Prescriptions, Cd. Samsom, nr. 1210.
(9)Cass. 2 april 2009, AR F.07.0070.F, AC 2009, nr. 234, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090402.12.
(10)B. VANERMEN, “De verjaring van betwiste directe belastingen en BTW” in De verjaring, Antwerpen, Intersentia 2007, nr. 19. Zie ook: G. VANDEN AVYLE, Guide fiscal permanent, III, TVA Commentaire, Chapitre XIII, Prescription, Col. Samsom, Kluwer 2000, 147, nr. 1210.
(11)B. VANERMEN, “De verjaring van betwiste directe belastingen en BTW” in De verjaring, Antwerpen, Intersentia 2007, nr. 19.
(12)Zie ook E. VAN BRUSTEM, “La renonciation au temps couru de la prescritpion signée par le seul père du mineur dont les parents exercent conjointement l'administration des biens de celui-ci n'interromprait-elle donc pas le cours de la prescription” (noot onder Brussel 31 maart 2010), RGCF 2010, 399.
(13)De instemming met een afstand van de verjaring zou zelfs kunnen worden beschouwd als een daad van voorzichtig, zorgvuldig en dus goed beheer van het vermogen door eventuele bijkomende kosten van een dwangbevel te vermijden.
(14)C. CLOTTENS, “De omvang van het dagelijks bestuur van de nv bij vertegenwoordiging in rechte” (noot onder Cass. 26 februari 2009), TRV 2009, 446 e.v.; W. GOOSSENS, “Bevoegdheden dagelijks bestuurder beperkt door het Hof van Cassatie” (noot onder Cass. 26 februari 2009), RW 2009-10, 1130 e.v.; E. POTTIER en A. BERTRANT, “Gestion journalière: la prudence s'impose” (noot onder Cass. 26 februari 2009), TBH 2009, 951; N. SOMERS, “De omvang van de bevoegdheid van het dagelijks bestuur — quo vadis?” (noot onder Vz. Orb. Gent 6 maart 2019), TRV- RPS 2019,
(564)566.
(15)JANSEN, S., “Afstand van recht: een eenzijdige rechtshandeling” (noot onder Cass. 24 december 2009), TBBR 2011,
(333)339, nr. 12: voetnoot 48. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090402.12 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111110.17 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160218.12 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.