← België

D. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 november 2022

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 4 - 6 Wanneer de rechter die met het oog op de bepaling van de schade een medisch deskundigenonderzoek van het slachtoffer van een misdrijf beveelt, daarbij specificeert dat alle verrichtingen van het deskundigenonderzoek op tegenspraak dienen te gebeuren, dat alle partijen moeten worden opgeroepen om daaraan deel te nemen maar dat een door het slachtoffer niet-gewilde confrontatie met de beklaagde moet worden vermeden, kan daaruit niet worden afgeleid dat de partijen of hun raadslieden, en met name de raadsman van de beklaagde, gerechtigd zijn om de uitvoering van het medisch onderzoek van het slachtoffer door de deskundige bij te wonen

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 7 - 10 Uit de omstandigheid dat een beklaagde en zijn raadsman niet het recht hebben om persoonlijk aanwezig te zijn bij de uitvoering van het door de rechter met het oog op de schadebepaling bevolen medisch deskundigenonderzoek van de burgerlijke partij terwijl die laatste, als slachtoffer van het misdrijf en voorwerp van dit deskundigenonderzoek, wel hierbij persoonlijk aanwezig is, kan geen miskenning van het recht van verdediging, waaronder de wapengelijkheid, worden afgeleid in zoverre de beklaagde de mogelijkheid heeft om de uitvoering van het medisch deskundigenonderzoek te laten bijwonen door een adviserend arts van zijn keuze

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 962 tot en met 991bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie P.22.0962.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De beoordeling van een verzoek tot wraking van een gerechtsdeskundige, aangesteld op burgerlijk gebied, wegens zijn verzet tegen de aanwezigheid van de raadsman van de veroordeelde bij verrichtingen van een medisch-psychologisch onderzoek van het slachtoffer van verkrachting”

  1. Procesverloop.
  2. Eiser komt op tegen een beslissing die zijn verzoek tot wraking van een deskundige op burgerlijk gebied verwerpt. Eiser is bij arrest van het hof van beroep te Gent van 26 mei 2020 definitief veroordeeld, tot een gevangenisstraf van zes jaar, wegens feiten van verkrachting met verzwarende omstandigheden, aanranding van de eerbaarheid met verzwarende omstandigheden en opzettelijke slagen, telkens met als slachtoffer zijn dochter J.D.C., eerste verweerster. Het hof van beroep heeft de beslissing van de eerste rechter op burgerlijk gebied bevestigd en de zaak terug verzonden naar de eerste rechter voor afhandeling van de burgerlijke belangen. Tegen deze veroordeling op strafgebied en burgerlijk gebied is er geen cassatieberoep ingesteld.
  3. Eerder had de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op 4 november 2019, beslist dat eiser een bedrag van 4.216,84€ als definitieve schadevergoeding aan tweede verweerster en een provisionele schadevergoeding van 10.000€ aan eerste verweerster moet betalen. De correctionele rechtbank stelde op burgerlijk gebied een gerechtsdeskundige aan, psycholoog Dr. F. D., om verslag uit te brengen over de aard en omvang van toegebrachte schade, met als werkwijze: de partijen oproepen en hun juridische en medische raadslieden horen in hun toelichting; een verslag opmaken van de eerste bijeenkomst; een voorverslag opstellen van de bevindingen en dat overmaken aan de partijen en het eindverslag indienen waarin elke opmerking is opgenomen van partijen binnen één maand na ontvangst van het voorverslag. Specifiek bepaalt het vonnis, dat kracht van gewijsde heeft: “alle verrichtingen dienen tegensprekelijk te gebeuren en alle partijen dienen opgeroepen te worden om daar deel aan te nemen, tenzij de partijen de deskundige hiervan zouden vrijstellen gelet op het uiterst technische karakter van sommige verrichtingen. Bij uitvoering van de expertise dient echter een door het slachtoffer niet gewilde confrontatie met de beklaagde te worden vermeden”.
  4. Uit de stukken blijkt dat de raadsman van eiser aan de gerechtsdeskundige liet weten aanwezig te zijn op de inleidende terechtzitting, waarbij hij zijn cliënt zal vertegenwoordigen. De gerechtsdeskundige, daarin bijgetreden door de raadsman van eerste verweerster, wees een inleidende zitting op tegenspraak af (gepland op 2 november 2020), om volgende redenen: “Betrokkene is het slachtoffer van traumatische incestueuze seksuele feiten. Dergelijk deskundigenonderzoek wordt door het slachtoffer beleefd als aversief en onveilig. Doorgaans gaat het gepaard met pathologie voor en na het onderzoek. De aanwezigheid van
  5. Een onbekende
  6. Een niet zorgverlener en
  7. Bovendien raadsman van de dader gaat ten koste van de mentale toestand van het slachtoffer en van de rapportering. Omwille van deontologische en ethische redenen verzet ik mij bijgevolg tegen uw aanwezigheid. Wil u mij graag uw standpunt laten geworden, zodat ik de aanstelling desgevallend kan teruggeven en er in het belang van het slachtoffer zo snel mogelijk een andere deskundige kan worden aangesteld”.
  8. De raadsman van eiser gaf aan de deskundige te kennen dat zijn standpunt manifest indruist tegen de opdracht van de rechtbank, dat de weigering hem toe te laten op de inleidende expertisezitting onverenigbaar is met de wettelijke vereiste van tegenspraak, dat het standpunt van de deskundige blijkt geeft van vooringenomenheid (onder meer omdat eerste verweerster het vonnis van aanstelling van de deskundige niet aanvocht en de raadsman van eiser kent van tijdens de strafprocedure). De raadsman van eiser kondigde aan een verzoek tot wraking in te dienen als de deskundige zijn opdracht niet teruggeeft.
  9. Op 2 november 2020 diende de raadsman van eiser een wrakingsverzoek in ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, dat op 18 januari 2021 werd afgewezen als ongegrond. Het bestreden arrest van 28 juni 2022 van het hof van beroep te Gent verklaart het hoger beroep van eiser tegen deze afwijzing van het wrakingsverzoek ongegrond en verwijst de zaak terug naar de eerste rechter, voor verdere afhandeling van de zaak op burgerlijk gebied.
  10. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
  11. Tegen de gerechtsdeskundige aangesteld in een strafzaak kan een verzoek tot wraking worden ingediend, waarbij de verzoeker één van de in artikel 828 Ger.W. vermelde gronden van wraking moet aanvoeren (artikel 2 en 966 Ger.W.)

(1). De beslissing in laatste aanleg over een een verzoek tot wraking van een gerechtsdeskundige is een eindbeslissing waartegen overeenkomstig artikel 420 Sv. cassatieberoep openstaat
(2). Het cassatieberoep is bijgevolg ontvankelijk wat betreft het oordeel dat er geen reden is tot wraking van de deskundige en de beslissing de zaak terug te verwijzen naar de eerste rechter, voor verdere afhandeling van de burgerlijke belangen.
  1. Voor zover gericht tegen de beslissing om de kosten aan te houden, is het cassatieberoep voorbarig en niet-ontvankelijk, omdat het niet gaat om een eindbeslissing of een beslissing waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat overeenkomstig artikel 420 Sv.
  2. De confrontatie met het slachtoffer tijdens een medische expertise.
  3. In een eerste middel stelt eiser dat overeenkomstig de artikelen 972 en 972bis Ger. W. de installatievergadering van een deskundigenonderzoek op tegenspraak verloopt en partijen de verrichtingen van de deskundige moeten kunnen bijwonen. De appelrechters miskennen het recht van verdediging van eiser, zoals beschermd door de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR, door te oordelen dat eiser of zijn raadsman niet het recht heeft het bevolen deskundigenonderzoek bij te wonen en dat alleen een adviserend arts aan verrichtingen van de deskundige mag deelnemen, met inbegrip van de installatievergadering.
  4. Beoordeling. Anders dan eiser aanvoert, oordeelt het bestreden arrest niet dat eiser of zijn raadsman niet mogen deelnemen aan de ‘installatievergadering van het deskundigenonderzoek’. Het ingeroepen artikel 972, § 2 Ger.W. bepaalt dat de rechter een installatievergadering beveelt als hij dat noodzakelijk acht of alle verschijnende partijen dat vragen. De rechter bepaalt dan plaats, dag en uur van de installatievergadering in samenspraak met de deskundige, waarbij die vergadering in beginsel plaatsvindt in raadkamer (artikel 972, § 2 Ger.W.)
(3). Uit de stukken blijkt niet dat de eerste rechter een installatievergadering heeft bevolen. Het vonnis van 4 november 2019 over de aanstelling van de gerechtsdeskundige stelt: “een installatievergadering in raadkamer is niet noodzakelijk” (blz. 26). Binnen een termijn van 15 dagen na consignatie van het voorschot dient de gerechtsdeskundige Dr. D. zelf de plaats, de dag en het uur te bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten, waarbij de partijen vooraf een dossier met relevante stukken aan hem en de tegenpartijen kunnen meedelen (blz. 27). In zoverre eiser opkomt tegen de afwezigheid van tegenspraak tijdens de ‘installatievergadering’, als element ter ondersteuning van het wrakingsverzoek, mist het middel feitelijke grondslag. 10. De vraag die thans aan de orde is, is of de weigering van de gerechtsdeskundige om de raadsman van eiser toe te laten aan een bespreking bij aanvang van zijn technische opdracht wijst op enige vooringenomenheid of wettige verdenking (artikel 828, 1° Ger.W.), die aanleiding geeft tot wraking van de gerechtsdeskundige. Wanneer voor de beoordeling van uitsluitend de burgerlijke vordering een deskundigenonderzoek is verreist, dient dat onderzoek op tegenspraak te verlopen, ook al gaat het om een medisch onderzoek van het slachtoffer van een bewezen verklaard misdrijf. Volgens het Grondwettelijk Hof dient de strafrechter tijdens het proces ten gronde de expertise zoveel mogelijk te laten verlopen volgens het scenario van artikel 962-991 Ger. W. Enkel bepalingen die onverenigbaar zijn met het strafproces hebben geen uitwerking in strafzaken (artikel 2 Ger. W.)
(4). Het Grondwettelijk Hof stelde: “Zowel wanneer de rechter uitspraak doet over de strafvervolging als wanneer hij uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering, kan het in het geding zijnde verschil in behandeling niet worden verantwoord, vermits de belangen van de burgerlijke partij niet onderscheiden zijn van die van elke partij in een burgerlijk proces en het onderwerp van het deskundigenonderzoek identiek kan zijn. De rechtspleging verloopt in die stadia op tegenspraak. Het ontbreken van tegenspraak bij het deskundigenonderzoek leidt ertoe dat het bewijs ten koste van een inbreuk op de rechten van de verdediging kan worden gezocht, aangezien die rechten pas tijdens de bespreking van het verslag in de loop van de debatten ter terechtzitting zullen kunnen worden uitgeoefend”
(5). 11. Uw Hof nam aan dat als de gerechtsdeskundige in een strafzaak is aangesteld voor de afhandeling van de burgerlijke belangen, de partijen de kans moeten krijgen om aan de verrichtingen van de deskundige deel te nemen (artikel 972bis, § 2 Ger. W.) en het voorverslag van de deskundige te betwisten (artikel 976 Ger. W.).
(6)Niets belet de strafrechter om de artikelen 962-991 Ger.W. integraal toe te passen, wanneer het debat beperkt is tot de aard en omvang van de schade veroorzaakt door het misdrijf
(7). Wanneer de regels van de burgerlijke rechtspleging gelden, moet het deskundigenonderzoek op zulke wijze verlopen dat de partijen de mogelijkheid hebben om op doeltreffende wijze hun opmerkingen te formuleren over het deskundigenverslag dat door de rechter als een essentieel bewijselement wordt aangemerkt
(8). 12. Artikel 972, § 1, laatste lid, Ger. W. bepaalt dat indien er geen installatievergadering is bepaald, de deskundige na kennisgeving van de consignatie van het voorschot over vijftien dagen beschikt om de plaats, de dag en het uur van de aanvang van zijn werkzaamheden mee te delen
(9). De deskundige geeft hiervan kennis bij een ter post aangetekende brief aan de partijen en bij gewone brief aan de rechter en de raadslieden. Volgens artikel 972bis, § 2 Ger.W. moet de oproeping van de partijen voor verdere werkzaamheden gebeuren per aangetekende brief, tenzij de deskundige van de partijen en de raadslieden toestemming heeft gekregen om gebruik te maken van een andere oproepingswijze. Indien alle partijen of hun raadslieden om uitstel verzoeken, dan moet de deskundige dit toestaan. In alle andere gevallen kan hij het uitstel weigeren of toestaan en geeft hij de rechter bij gewone brief kennis van zijn beslissing (artikel 972bis, § 2 Ger.W.). De gerechtsdeskundige stelt een verslag op van de vergaderingen die hij organiseert. Hij stuurt bij gewone brief een afschrift ervan aan de rechter, de partijen en de raadslieden, en, in voorkomend geval, bij een ter post aangetekende brief aan de partijen die verstek hebben laten gaan (artikel 972bis, § 2 Ger.W.)
(10). De rechter heeft als taak toe te zien op het goede verloop van het deskundigenonderzoek en op het naleven van tegenspraak tijdens dat onderzoek (artikel 973 Ger.W.). 13. De vereiste van een deskundigenonderzoek op tegenspraak, nodig voor de beoordeling van de burgerlijke vordering door de strafrechter, betekent niet noodzakelijk dat de beklaagde of veroordeelde of zijn advocaat aan elke verrichting van de gerechtsdeskundige moet kunnen deelnemen. De gerechtsdeskundige heeft enige beoordelingsmarge over de wijze van tegenspraak bij zijn technische handelingen. Voor een medisch of psychologisch onderzoek van een slachtoffer van seksueel misbruik kan de vereiste tegenspraak m.i. tot stand komen door alleen een technisch raadsman van de beklaagde of veroordeelde tot de verrichtingen toe te laten, zoals een arts
(11). In een zaak van een psychiatrische expertise op strafgebied, waarbij de rechter de gerechtsdeskundige had bevolen zijn opdracht te vervullen “met strikte naleving van de regels van de tegenspraak”, oordeelde het Hof dat de deskundige zijn onderzoek slechts op tegenspraak moet verrichten “voor zover en in de mate dit hem in zijn opdracht door de rechter wordt opgelegd; dat, zelfs in dat geval, de gerechtsdeskundige oordeelt in welke mate een onderzoeksverrichting, vanuit een technisch standpunt, al dan niet kan geschieden in aanwezigheid van een derde, zoals de technisch raadsman van een partij
(12). Is de expertise bevolen op tegenspraak, dan dient de deskundige goed te motiveren waarom het wegens de kwaliteit van zijn onderzoek niet verantwoord is een partij of haar raadsman bij een verrichting te betrekken. Het is immers de rechter die het laatste woord heeft over de tegenspraak tijdens de uitvoering van het deskundigenonderzoek
(13). 14. De gerechtsdeskundige die als opdracht heeft het slachtoffer van een verkrachting medisch-psychologisch te onderzoeken kan redenen hebben om af te wijken van het door de vonnisrechter vooropgestelde beginsel van tegenspraak tijdens de expertise. Vooreerst bestaat het gevaar dat de deelname van de dader of zijn advocaat voor het slachtoffer bedreigend overkomt en een bestaand psychisch trauma kan verergeren
(14). Over dit risico van ‘secundaire victimisatie’ bepaalt artikel 18 EU-Richtlijn 2012/29 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten ter ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (Publicatieblad 14 november 2012) dat: “Onverminderd de rechten van de verdediging zorgen de lidstaten ervoor dat er maatregelen beschikbaar zijn die het slachtoffer en zijn familieleden bescherming bieden tegen secundaire en herhaalde victimisatie, tegen intimidatie en tegen vergelding, alsook tegen het risico van emotionele of psychologische schade bij het slachtoffer, en die de waardigheid van het slachtoffer beschermen bij ondervraging of bij verhoor als getuige. Zo nodig omvatten dergelijke maatregelen ook door het nationale recht bepaalde procedures voor de fysieke bescherming van het slachtoffer en zijn familieleden”.
  1. In Preambule 58 van de EU/Richtlijn 2012/29 is gesteld: “Aan slachtoffers die als kwetsbaar voor secundaire en herhaalde victimisatie, voor intimidatie en voor vergelding zijn geïdentificeerd, moeten passende maatregelen worden aangeboden om hen in de loop van de strafprocedure te kunnen beschermen. De exacte aard van deze maatregelen moet op basis van de individuele beoordeling worden bepaald, rekening houdend met de wens van het slachtoffer. De reikwijdte van deze maatregelen moet worden bepaald onverminderd de rechten van de verdediging en overeenkomstig de regels inzake de beoordelingvrijheid van de rechter. Of het slachtoffer behoefte heeft aan bijzondere maatregelen moet in belangrijke mate worden bepaald door de bezorgdheid en de vrees die hij ervaart”. Deze principes lijken mij eveneens te gelden voor de uitvoering van een medisch-psychologisch deskundigenonderzoek dat door de strafrechter is bevolen om de schadevergoeding te bepalen.
  2. Voorts is de gerechtsdeskundige ertoe verplicht zich bij de uitvoering van zijn technische opdracht steeds op te stellen ‘als een onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig en integer gerechtsdeskundige’ (artikel 5 KB 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, BS 31 mei 2017). Binnen het kader van de burgerlijke of strafrechtelijke procedureregels heeft de gerechtsdeskundige onder meer als opdracht de rechten en plichten van partijen te respecteren, alle partijen gelijk te behandelen in zijn benadering en werkmethode, te handelen volgens een heldere en nauwkeurige werkmethode conform de vereisten eigen aan zijn domein of de technische normen waaraan hij onderworpen is en te waken over de sereniteit tijdens de procedure, evenals over de vooruitgang en de economie ervan (artikel 5 KB 25 april 2017).
  3. Vanuit deze doelstelling van sereniteit kan de gerechtsdeskundige die met een delicate opdracht is belast, zoals een medisch-psychologisch onderzoek van het slachtoffer van verkrachting, m.i. de confrontatie uitsluiten tussen het slachtoffer en de beklaagde of dader en/of zijn advocaat en alleen de adviserend geneesheer van de beklaagde of dader toelaten tot een bespreking, zonder dat het recht op veredediging ernstig en onherstelbaar wordt aangetast. Raadsheer Filip VAN VOLSEM stelde hierover, in zijn analyse van het arrest Cottin t/België (EHRM 2 juni 2005): “Het kan aangewezen zijn dat de strafrechter gelet op de aard van de zaak of de vereiste sereniteit bij de behandeling de tegenspraak beperkt door de aanwezigheid van partijen en hun raadslieden bij de expertiseverrichtingen niet toe te laten. Zo is het immers niet uit te sluiten dat de aanwezigheid van andere partijen dan te onderzoeken persoon bij lichaamsonderzoeken, bij psychiatrische of psychologische onderzoeken of in zedenzaken of in zeer gespecialiseerde laboratoria met strenge veiligheidsregels de kwaliteit en de sereniteit van het deskundigenonderzoek aantast. Er dient ook naar te worden gestreefd om in delicate zaken onnodige confrontaties tussen beklaagde en slachtoffer te vermijden. De strafrechter kan in dergelijke gevallen de tegensprekelijkheid voldoende garanderen door enkel de aanwezigheid toe te laten van een door de partijen te kiezen technisch raadgever (geneesheer, technisch onderlegd persoon) die voldoende waarborgen biedt op het vlak van een kwaliteitsvolle uitvoering van de verrichtingen of eerbiediging van de geheimhouding van medische gegevens”
(15). In zoverre het middel ervan uitgaat dat de gerechtsdeskundige bij de invulling van tegenspraak bij aanvang van zijn onderzoek over geen enkele beoordelingsmarge beschikt, en zijn weigering om de advocaat van de veroordeelde (niet zijn adviserend geneesheer) toe te laten bij een medisch-psychologisch onderzoek van een slachtoffer van seksueel misbruik een reden is tot wraking, faalt het middel naar recht.
  1. Het bestreden arrest neemt over het verzoek tot wraking van de gerechtsdeskundige aan dat: - Uit de omstandigheid dat de eerste rechter in het vonnis van 4 november 2019 aangaf dat de verrichtingen van het deskundig onderzoek tegensprekelijk dienen te gebeuren en dat alle partijen dienen opgeroepen te worden om daaraan deel te nemen, vloeit niet voort dat aan de strafrechtelijk veroordeelde of diens raadsman het recht werd verleend om een medisch-deskundig onderzoek van een burgerlijke partij in persoon bij te wonen. Dit volgt evenmin uit de omstandigheid dat het bedoelde vonnis de deskundige opdroeg om de partijen of hun raadslieden te horen in hun toelichting; - Met betrekking tot het medisch-deskundig onderzoek als zodanig wordt de tegensprekelijkheid uitgeoefend door de mogelijkheid tot de gebeurlijke aanstelling door de strafrechtelijk veroordeelde van een eigen adviserend arts die dit medisch-deskundig onderzoek in beginsel moet kunnen bijwonen. Deze mogelijkheid werd in het vonnis van 4 november 2019 trouwens uitdrukkelijk aangegeven; - Voor het overige wordt de tegensprekelijkheid uitgeoefend doordat partijen in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk opmerkingen te formuleren bij het voorverslag van de deskundige, desgevallend ook na raadpleging van een adviserend arts; -T en deze blijkt niet dat eiser een eigen adviserend arts aanstelde, noch dat eiser de deskundige verzocht om zijn werkzaamheden op te schorten totdat een eigen adviserend arts kon worden aangesteld; eiser beweert dit trouwens ook niet; - In die omstandigheden kan geen partijdigheid in hoofde van de deskundige blijken wanneer deze aan de raadsman van eiser heeft laten weten dat het medisch-deskundig onderzoek buiten zijn aanwezigheid zou plaatsvinden; - Evenmin kan enige partijdighied in hoofde van de gerechtsdeskundige blijken uit diens louter algemene beschouwing dat slachtoffers van traumatische incestueze seksuele feiten een deskundig onderzoek als aversief en onveilig ervaren; - Aangezien eiser bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar wegens onder meer de verkrachting van zijn dochter toen deze de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, kan de gerechtsdeskundige in dit verband alvast geen vooringenomenheid worden verweten wat betreft de door eiser gepleegde feiten; - Een louter algemene beschouwing met betrekking tot de beleving van een deskundig onderzoek door slachtoffers van seksueel misbruik houdt geen blijk in van partijdigheid ten aanzien van eiser of ten aanzien van de beoordeling van de door de burgerlijke partij geleden schade, als onderwerp van de opdracht waarmee de deskundige werd gelast.
  2. Met deze redenen oordeelt het arrest naar mijn mening wettig dat er geen reden is tot wraking van een gerechtsdeskundige die een medisch-psychologisch onderzoek van een slachtoffer van seksueel misbruik op tegenspraak moet verrichten en die alleen een geneesheer als technisch raadsman van de beklaagde of veroordeelde toelaat bij zijn onderzoeksverrichtingen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Voor het overige oordeelt het arrest niet dat eiser of zijn raadsman niet aanwezig mogen zijn bij het deskundigenonderzoek. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  3. Het gezag van gewijsde van de omschrijving van de deskundigenopdracht.
  4. Het tweede middel heeft betrekking op het naleven van het vonnis van de correctionele rechtbank te Oost-Vlaanderen, afd. Gent van 4 november 2019 van een deskundigenonderzoek op tegenspraak, bevestigd door het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 mei 2020 over de beoordeling op strafgebied en op burgerlijk gebied, waartegen geen cassatieberoep is ingesteld.
  5. In een eerste onderdeel stelt eiser dat in de omschrijving van de opdracht alleen de beperking was opgenomen van een ongewilde confrontatie tussen de burgerlijke partij en eiser. Over een confrontatie met alleen de raadsman van de dader was niets bepaald. Het onderdeel over de volgens eiser onterechte uitsluiting van de advocaat van eiser bij aanvang van het medisch-psychologisch onderzoek van het slachtoffer, dat schending aanvoert van de artikelen 972, §§ 1 en 2, 972bis en 973 Ger.W., heeft dezelfde strekking als het eerste middel en kan om dezelfde redenen worden verworpen.
  6. Het tweede en derde onderdeel stellen dat de opdracht van de gerechtsdeskundige inhield dat alle verrichtingen van het deskundigenonderzoek op tegenspraak moeten gebeuren, met als enige beperking een ongewilde confrontatie tussen het slachtoffer en (alleen) de dader van seksueel misbruik. Het uitsluiten van de raadsman van de dader is volgens eiser in strijd met het beginsel van gezag van gewijsde van de rechterlijke beslissing(en) tot aanstelling van de gerechtsdeskundige.
  7. Mij komt voor dat de omschrijving van de opdracht van de gerechtsdeskundige ruimte laat voor interpretatie en de appelrechters naar recht hebben geoordeeld dat uit de omstandigheid dat de correctionele rechtbank aangaf dat de verrichtingen van het deskundigenonderzoek op tegenspraak moeten gebeuren en de gerechtsdeskundige de partijen moet oproepen en horen in hun toelichting, niet voortvloeit dat de veroordeelde zelf of zijn advocaat het recht heeft om de uitvoering van het medisch-psychologisch onderzoek van een burgerlijke partij in persoon bij te wonen.
  8. Aan de vereiste van tegenspraak, opgelegd voor een vonnis dat kracht van gewijsde heeft, wordt uiteindelijk voldaan doordat 1° een geneesheer die optreedt als technisch raadsman van de veroordeelde de verrichtingen van de medische gerechtsdeskundige kan bijwonen en 2° de beklaagde of veroordeelde, zijn advocaat en zijn adviserend geneesheer opmerkingen kunnen geven op zowel de stukken en verslagen van de diverse onderzoeksverrichtingen als op het voorverslag bij afronding van het medisch-psychologisch deskundigenonderzoek. De beslissing van de gerechtsdeskundige om alleen een technisch raadsman van de beklaagde toe te laten aan zijn onderzoeksverrichtingen lijkt mij dan ook verenigbaar te zijn met de vereiste van tegenspraak zoals opgelegd in de rechterlijke beslissing tot aanstelling van de gerechtsdeskundige. In zoverre falen het tweede en derde onderdeel naar recht.
  9. De wapengelijkheid.
  10. In zijn derde middel komt eiser op tegen het oordeel dat de vereiste van tegenspraak wordt nageleefd door de mogelijkheid van eiser om via een eigen adviserend arts het medisch-psychologisch onderzoek van het slachtoffer bij te wonen en de mogelijkheid van de partijen om schriftelijk opmerkingen te formuleren bij het voorverslag van de deskundige.
  11. Het eerste onderdeel geeft aan dat de burgerlijke partij de onpartijdigheid, onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van de gerechtsdeskundige zelf kan beoordelen en zich door een advocaat kan laten bijstaan, terwijl eiser het deskundigenonderzoek alleen kan beïnvloeden via de aanstelling van een adviserend arts, wat in strijd is met het ‘beginsel van de gelijkheid van wapens’, dat inhoudt dat de partijen over gelijke middelen moeten beschikken om de betrouwbaarheid van de gerechtsdeskundige in twijfel te trekken.
  12. Beoordeling. Een onderdeel van het recht op een eerlijk proces (artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR), zowel in strafzaken als in de burgerlijke rechtspleging, is het beginsel van wapengelijkheid, wat betekent dat de procespartijen in gelijke mate de rechterlijke beslissing moeten kunnen beïnvloeden, door bewijsmateriaal aan te brengen, bewijselementen van de andere partij te betwisten en processuele middelen aan te wenden
(16). Daaruit volgt evenwel niet dat partijen met een verschillende hoedanigheid en belang bij de uitoefening van deze mogelijkheden steeds in identieke omstandigheden moeten verkeren
(17). Over de waarborg van wapengelijkheid stelde Procureur-generaal Patrick DUINSLAEGER dat uit de rechtspraak van het Europees Hof te Straatsburg blijkt dat deze vereiste een ‘algemene draagwijdte heeft’, zonder dat aan dit recht een ‘absolute waarde wordt toegekend’ en verder: “Er wordt door het EHRM immers niet vereist dat de lidstaten een strikte procedurele gelijkheid tussen de partijen waarborgen, maar enkel dat alle partijen aanspraak moeten kunnen maken op een ‘redelijk gelijkwaardige’ of een ‘redelijk vergelijkbare situatie’…Dit houdt in dat geen enkele van de betrokken partijen in een duidelijk bevoorrechte positie mag worden geplaatst”
(18). Het komt erop aan dat een partij kennis krijgt van de argumenten en bewijsmiddelen aangevoerd door de tegenpartij en deze informatie kan betwisten zonder dat aan haar recht op verdediging een onevenredige beperking wordt opgelegd
(19). 28. In de zaak Cottin t/België stelde het Europees Hof te Straatsburg een schending vast van artikel 6.1 EVRM omdat de vonnisrechter voor de beoordeling van de strafvordering en de burgerlijke vordering een medisch-deskundigenonderzoek van het slachtoffer van opzettelijke slagen en verwondingen had bevolen zonder enige mogelijkheid van inspraak van de beklaagde voorafgaand aan het indienen van het (eind)verslag van de deskundige. Het EHRM leidt uit het recht op tegenspraak, als component van artikel 6.1 EVRM, geen algemeen en abstract beginsel af waarop de beklaagde zich zou kunnen beroepen om in alle omstandigheden deel te nemen aan de verrichtingen van de gerechtsdeskundige
(20). Van belang is dat de beklaagde op een doeltreffende wijze zijn opmerkingen kan geven over een bewijselement dat doorslaggevend is voor de overtuiging van de vonnisrechter
(21). Het EHRM stelde vast dat de beklaagde noch zijn advocaat noch zijn adviserend geneesheer de kans had om deel te nemen aan de verrichtingen van de medische-gerechtsdeskundige of om voorafgaand aan het verslag van deze deskundige bijkomende onderzoeksverrichtingen te vragen
(22).
  1. Getoetst aan deze beginselen, lijkt mij dat eiser ten onrechte een miskenning aanvoert van het beginsel van wapengelijkheid. Uit de aard van het deskundigenonderzoek, namelijk het medisch-psychologisch onderzoek van de burgerlijke partij zelf, vloeit voort dat de burgerlijke partij aanwezig is bij de verrichtingen van de gerechtsdeskundige en diens betrouwbaarheid persoonlijk kan beoordelen. Verder mag het slachtoffer van een misdrijf zich tijdens het strafrechtelijk onderzoek laten vergezellen door zijn wettelijke vertegenwoordiger en een persoon naar keuze, tenzij een gemotiveerde beslissing in tegengestelde zin is genomen (artikel 20c EU-Richtlijn 2012/29). Deze bepaling kan m.i. ook gelden voor een deskundigenonderzoek dat door de strafrechter is bevolen voor het bepalen van de aard en omvang van de schade toegebracht aan het slachtoffer. Tenslotte blijkt uit de opdracht van de in deze zaak aangestelde gerechtsdeskundige dat hij de medische raadslieden van elke partij bij zijn onderzoek moet betrekken. Het feit dat de beklaagde of zijn advocaat niet zelf aan de verrichtingen van het medisch-psychologisch onderzoek van het slachtoffer kan deelnemen, maar daarbij wel inspraak heeft door tussenkomst van een eigen geneesheer, belet hem niet de betrouwbaarheid van deze deskundige te betwisten. Het recht van verdediging is m.i. voldoende gewaarborgd. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  2. Het tweede onderdeel stelt dat het recht op een eerlijk proces in het gedrang komt als de partijen niet aan de onderzoeksdaden van de gerechtsdeskundige kunnen deelnemen. In zijn arrest van 30 april 1997 oordeelde het Grondwettelijk Hof immers dat een deskundigenonderzoek bevolen door de vonnisrechter waarbij de deskundige niet verplicht is ‘de regels betreffende de tegenspraak in acht te nemen’ een schending inhoudt van artikel 6 EVRM.
  3. Anders dan eiser aanvoert, oordeelt het bestreden arrest niet dat het medisch-psychologisch onderzoek dient te verlopen zonder mogelijkheid tot tegenspraak tijdens de verrichtingen van de gerechtsdeskundige. De appelrechters namen aan dat de tegenspraak wordt gewaarborgd door 1°de deelname van een adviserend geneesheer van de beklaagde of veroordeelde tijdens de verrichtingen van de gerechtsdeskundige en 2°de mogelijkheid van de raadsman en geneesheer van de beklaagde of veroordeelde om het voorverslag van de gerechtsdeskundige te betwisten. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  4. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde schending van artikel 6 EVRM inzake het medisch-psychologisch onderzoek van de burgerlijke partij uitgevoerd zonder bijstand van de beklaagde en zijn advocaat en is het onderdeel niet-ontvankelijk.
  5. De onpartijdigheid van de gerechtsdeskundige.
  6. In zijn vierde middel voert eiser aan dat het bestreden arrest niet antwoordt op zijn verweer in conclusie dat de gerechtsdeskundige blijk gaf van partijdigheid omdat hij op eigen initiatief liet weten dat de raadsman van eiser niet tot de verrichtingen werd toegelaten, terwijl de burgerlijke partij daar zelf niet om had verzocht.
  7. De in punt 3 aangehaalde redenen (blz. 17-18 arrest) over het ontbreken van partijdigheid van de gerechtsdeskundige lijken mij toereikend als antwoord op het verweer van eiser, ontwikkeld in de beroepsconclusie. Het middel gesteund op artikel 149 Grondwet kan aldus niet worden aangenomen.
  8. Besluit. Het arrest dat het hoger beroep ongegrond verklaart tegen het vonnis dat een verzoek tot wraking van de gerechtsdeskundige afwijst is m.i. naar recht verantwoord. Mijn advies is verwerping van het cassatieberoep. _____________________________________
(1)Cass. 9 januari 2004, AR C.01.0126.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040109.7, AC 2004, nr. 9. Over de wraking van gerechtsdeskundigen in strafzaken, ook als de aanstelling alleen betrekking heeft op de burgerlijke vordering, zie P. TRAEST en P. VAN CAENEGHEM, “Het deskundigenonderzoek in strafzaken”, in Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en belastingconsulent, Die Keure 2003, 428-430; G.F. RANIERI en M. TRAEST, “De toepassing van het Gerechtelijk Wetboek in strafzaken: artikelsgewijze bespreking in de rechtspraak van het Hof”, in Jaarverslag Hof van Cassatie 2005, Larcier 2006, 251-252; J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier 2006, 79; F. HENRY, Les procédures de récusation et de dessaisissement, Larcier 2009, 160 p.; L. KENNES, Manuel de la preuve en matière pénale, Kluwer 2009, 390-394; R. DECLERCQ, “Wraking”, Comm.Sr. 2014, 3-4; T. LYSENS en L. NAUDTS, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Kluwer, 2018, 254-271; J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia 2020, 643-644; J. LAMBRECHTS, “Technisch raadsman en deskundige in hetzelfde dossier: een multidisciplinaire benadering van een objectief gewettigde vrees voor partijdigheid”, T. Strafr. 2020, 268; T. TOREMANS, “Het belangenconflict van de gerechtsdeskundige als wrakingsgrond en zijn meldingsplicht in geval van twijfel over zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid”, P&B 2020, 3-10; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 840-841; A. DE DAPPER, “Commentaar bij artikel 966 Ger.W.”, in Burgerlijk procesrecht. Duiding (ed. P. DAUW, B. DECONINCK en B. WYLLEMAN), Deel I, Intersentia 2021, 884-885; S. TACK, “Rechten met betrekking tot de medische expertise”, in Handboek Gezondheidsrecht, Vol. II (ed. T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS), Intersentia 2022, 873-875.
(2)Cass. 5 juni 2019, AR P.19.0346.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190605.3, AC 2019, nr. 351.
(3)T. LYSENS en L. NAUDTS, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Kluwer 2018, 156-162; J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia 2020, 650-655; A. DE DAPPER, “Commentaar bij artikel 972 Ger.W.”, in Burgerlijk procesrecht. Duiding (ed. P. DAUW, B. DECONINCK en B. WYLLEMAN), Deel I, Intersentia 2021, 888-893.
(4)GwH 30 april 1997, arrest 24/1997, B.8, www.const-court.be; P. MARTENS, “L’influence de la jurisprudence de la Cour d’Arbitrage sur l’expertise en matière pénale”, in Perspectieven uit de recente rechtspraak in strafzaken, Mys & Breesch, 2000, 106-107; Ph. TRAEST en P. VAN CAENEGEM, “De tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek in strafzaken: een status questionis ten behoeve van de praktijk”, T. Strafr. 2000, 49-53; T. DECAIGNY, Tegenspraak in het vooronderzoek, Intersentia 2013, 500; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2020, 158; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1424-1426.
(5)GwH 30 april 1997, arrest 24/1997, B.7, www.const-court.be; A. MASSET, “L’expertise en matière pénale au fond (enfin) contradictoire”, JT 1997, 790-797 ; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1424-1426; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1345. Over de tegenspraak tijdens het deskundigenonderzoek bevolen door de vonnisrechter zie eveneens EHRM 18 maart 1997, Mantovanelli t/Frankrijk en EHRM 2 juni 2005, Cottin t/België, RABG 2005, 1484 noot F. VAN VOLSEM; T. DECAIGNY, Tegenspraak in het vooronderzoek, Intersentia 2013, 529-537.
(6)Cass. 8 februari 2000, AR P.97.0515.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.8, AC 2000, nr. 100, RW 2000-01, 238, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; P. DUINSLAEGER, “Het probleem van het contradictoire karakter van het deskundigenonderzoek in strafzaken”, RW 2000-01, 217-231; F. VAN VOLSEM, “Het deskundigenonderzoek m.b.t. de gegrondheid van de strafvordering: slechts dan niet-tegensprekelijk als het echt niet anders kan?”, RABG 2005, 1496; F. HUTSEBAUT, “Het deskundigenonderzoek in strafzaken: een lange weg afgelegd, maar toch het eindstation nog niet bereikt”, in Van pionier naar onmisbaar. Over 30 jaar Panopticon, Maklu 2009, 183-184; Ph. TRAEST, “Bedenkingen bij een wettelijke regeling van het deskundigenonderzoek in strafzaken”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 816-817; T. DECAIGNY, Tegenspraak in het vooronderzoek, Intersentia 2013, 508-509; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1389 en 1426.
(7)P. DUINSLAEGER, “Het probleem van het contradictoire karakter van het deskundigenonderzoek in strafzaken”, RW 2000-01, 231; Ph. TRAEST en P. VAN CAENEGEM, “Het deskundigenonderzoek in strafzaken”, in Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, Die Keure 2003, 393; F. HUTSEBAUT, “Het deskundigenonderzoek in strafzaken: een lange weg afgelegd, ma toch is het einstation nog niet bereikt”, in Van pionier na onmisbaar. Over 30 jaar Panopticon, Maklu 2009, 179; Ph. TRAEST, “Bedenkingen bij een wettelijke regeling van het deskundigenonderzoek in strafzaken”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 817-818; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1389, 1420 en 1428; S. TACK, “Rechten met betrekking tot de medische expertise”, in Handboek Gezondheidsrecht, Vol. II (ed. T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS), Intersentia 2022, 865-883.
(8)Cass. 2 november 2012, AR C.11.0018.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.8, AC 2012, nr. 587, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM.
(9)Over de installatievergadering in zaken van een medische expertise zie S. TACK, “Rechten met betrekking tot de medische expertise”, in Handboek Gezondheidsrecht, Vol. II (ed. T. VANSWEEVELT en F. DEWALLENS), Intersentia 2022, 877.
(10)T. LYSENS en L. NAUDTS, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Kluwer 2018, 172-177; J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2020, 656; A. DE DAPPER, “Commentaar bij artikel 972bis Ger.W.”, in Burgerlijk procesrecht. Duiding (ed. P. DAUW, B. DECONINCK en B. WYLLEMAN), Deel I, Intersentia 2021, 892-894.
(11)Over dit probleem van tegenspraak zie F. VAN VOLSEM, “Het deskundigenonderzoek m.b.t. de gegrondheid van de strafvordering: slechts dan niet tegensprekelijk wanneer het echt niet anders kan?”, RABG 2005, 1503-1505; D. DE CALLATAY, “L’expertise du dommage corporel et de la responsabilité médicale”, in L’expertise (ed. J. VAN COMPERNOLLE en B. DUBUISSON), Bruylant 2002, 219-221; T. LYSENS en L. NAUDTS, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Kluwer 2018, 183-184.
(12)Cass. 12 april 2000, AR P.00.0136.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.16, AC 2000 nr. 249, RW 2001-02, 306 noot B. DE SMET. Zie ook D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 76; T. LYSENS en L. NAUDTS, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Kluwer 2018, 183-184; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1426.
(13)F. VAN VOLSEM, “Het deskundigenonderzoek m.b.t. de gegrondheid van de strafvordering: slechts dan niet tegensprekelijk wanneer het echt niet anders kan?”, RABG 2005, 1504.
(14)Over recht op bescherming van slachtoffers van o.a. seksuele misdrijven tegen ‘secundaire victimisatie’ en de rechten van verdediging van de beklaagde zie G. MARLIER, Familie in het straf-en strafprocesrecht, Kluwer 2018, 803, 822 en 827.
(15)F. VAN VOLSEM, “Het deskundigenonderzoek m.b.t. de gegrondheid van de strafvordering: slechts dan niet tegensprekelijk wanneer het echt niet anders kan?”, RABG 2005, 1504.
(16)Cass. 5 oktober 2021, AR P.21.0724.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 AC 2021, nr. 613, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0573.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6, AC 2020, nr. 733; Cass. 26 mei 2010, AR P.10.0503.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100526.1, AC 2010, nr. 366; Cass. 27 april 2010, AR P.10.0119.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.6, AC 2010, nr. 288; Cass. 25 oktober 2006, AR P.06.1082.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061025.7, AC 2006, nr.
  1. Zie ook EHRM 19 oktober 2021, Kartoyev e.a. t/Rusland, § 69 en 70, www.echr.coe.int en alg. alg. P. DUINSLAEGER, “Het recht op wapengelijkheid”, RW 2015-16, 402-423; C. VAN DEN WYNGAERT, “Het gelijkheidsbeginsel in het strafprocesrecht: de schone slaapster in het bos?”, RW 1991-92, 1181-1193; J. HIELKEMA, Deskundigen in Nederlandse strafzaken, Den Haag, SdU Uitg. 1996, 160-170; B. DE SMET, J. LATHOUWERS en K. RIMANQUE, “Artikel
  2. Recht op een eerlijk proces”, in Handboek EVRM. Deel
  3. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia 2004, 453 en 464-468; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol.1, Larcier 2006, 424-474; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 851-854; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 818-819; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 732-736.
(17)Cass. 9 juni 2011, AR D.10.0008.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110609.3, AC 2011, nr. 394; Cass. 27 april 2010, AR P.10.0119.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.6, AC 2010, nr. 288.
(18)P. DUINSLAEGER; “Het recht op wapengelijkheid”, Mercuriale, RW 2015-16, 411, met verwijzing naar EHRM 27 oktober 1993, Dombo Beheer B.V. t/Nederland.
(19)P. DUINSLAEGER; “Het recht op wapengelijkheid”, Mercuriale, RW 2015-16, 411-412, met verwijzing naar EHRM 20 februari 1996, Lobo Machado t/Portugal; EHRM 25 maart 1998, Belziuk t/Polen en EHRM 15 januari 2015, Chopenko t/Oekraïne, www.echr.coe.int.
(20)EHRM 2 juni 2005, Cottin t/België, § 30, www.echr.coe.int, RABG 2005, 1484 noot F. VAN VOLSEM, “Het deskundigenonderzoek m.b.t. de gegrondheid van de strafvordering: slechts dan niet tegensprekelijk wanneer het echt niet anders kan?”, (1493-1505), 1498.
(21)EHRM 2 juni 2005, Cottin t/België, § 31 en § 33, www.echr.coe.int; F. VAN VOLSEM, l.c., RABG 2005, 1499.
(22)EHRM 2 juni 2005, Cottin t/België, § 32, www.echr.coe.int; F. VAN VOLSEM, l.c., RABG 2005, 1499. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221129.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.8 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.16 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040109.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061025.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100526.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110609.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121102.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190605.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.