id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 december 2022
Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Krachtens artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, beveelt het Hof van Cassatie, wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt dat de vastgestelde schending het gevolg is van een procedurefout of -tekortkoming die dermate ernstig is dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, de heropening van de rechtspleging, voor zover de veroordeelde partij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft die slechts door een heropening kunnen worden hersteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 442q
uinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 442q
uinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 442q
uinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 9 Het recht op bijstand van een advocaat, dat verbonden is met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, zijn rechten die gelden in personam en in beginsel bijgevolg slechts kunnen worden ingeroepen door degene ten aanzien van wie die rechten werden miskend; een beklaagde kan zich evenwel beroepen op de miskenning van die rechten als verweer tegen belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, hetzij wanneer die andere beklaagde, die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt, hetzij wanneer blijkt dat ingevolge de miskenning van die rechten er ongeoorloofde druk werd uitgeoefend op die andere beklaagde en zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de conclusie P.22.1130.N Conclusies van advocaat-generaal Winants: I. VERZOEKSCHRIFT TOT HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING. 1. Bij verzoekschrift dat ter griffie van het Hof is neergelegd op 19 augustus 2022, vraagt de verzoeker op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 26 november 2013 in de zaak AR P.13.1234.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4, AC 2013, nr. 634
(1). II. PROCEDURELE ANTECEDENTEN. 2. Bij arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 april 2012 werden de verzoeker en een medebeschuldigde N.I. naar het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen verwezen op verdenking van moord op B.V., gepleegd op 13 september 2009. De verzoeker werd ervan beschuldigd de opdrachtgever te zijn geweest van de moord terwijl N.I. de uitvoerder ervan was. 3. De procedure na dit verwijzingsarrest gaf aanleiding tot een aantal akten en arresten, met name:
- a)een akte van beschuldiging opgesteld op 25 mei 2012 door de procureur-generaal;
- b)een arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen bij toepassing van artikel 278 Wetboek van Strafvordering op 13 december 2012 het arrest;
- c)een bevelschrift van 14 januari 2013 van de voorzitter van het hof van assisen waarbij deze oordeelde dat, de verzoeker geen raadsman meer had gelet op de terugtrekking van zijn raadsman, de zaak niet in staat van wijzen was en naar een latere zitting moest worden verwezen;
- d)een nieuw arrest van de preliminaire rechtszitting gewezen door de voorzitter van het hof van assisen op 18 april 2013. 4. In de procedure ten gronde voor het van assisen betwistte de verzoeker de ontvankelijkheid van de strafvordering en de regelmatigheid van de tijdens het vooronderzoek verzamelde bewijsgegevens. Dit gebeurde bij toepassing van het toen geldende artikel 291 Wetboek van Strafvordering dat inhield dat de partijen nietigheden en onregelmatigheden moesten voordragen bij de aanvang van het debat voor het hof van assisen, nl. vóór de voorlezing van de akte van beschuldiging, waarover het hof (voorzitter en assessoren) dan uitspraak moest doen bij tussenarrest. Sinds de wet van 05/05/2019
(2)en de invoering van een artikel 278bis Wetboek van Strafvordering, is het debat over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering nu verschoven naar de preliminaire zitting en doet de voorzitter van het hof alleen daarover uitspraak bij een afzonderlijk arrest (art. 278bis Sv.). In dit verband voerde de verzoeker onder meer
(3)aan dat hij bij de verhoren tijdens het vooronderzoek niet werd bijgestaan door een raadsman, terwijl ook de voor hem belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I. werden afgelegd zonder dat die laatste werd bijgestaan door een raadsman. Het is ook nuttig aan te stippen dat de verzoeker steeds zijn onschuld in deze zaak heeft staande gehouden.
- Bij tussenarrest van 21 mei 2013 verwierp het hof van assisen de door de verzoeker opgeworpen verweermiddelen over de ontvankelijkheid van de strafvordering en de regelmatigheid van de bewijsgegevens. In dit arrest stelde het hof van assisen dat de beklaagde geen belastende verklaringen had afgelegd aangezien hij de feiten betwistte, dat de cautieplicht wel degelijk werd nageleefd bij de verhoren en verklaringen afgelegd na zijn vrijheidsberoving en dat de medebeschuldigde N.I. zich niet zelf beroepen had op een miskenning van zijn recht op bijstand en evenmin zijn verklaringen had ingetrokken (p. 10, nr. 10). Bij arrest van 30 mei 2013 verklaarde het hof van assisen de verzoeker en de medebeschuldigde N.I. schuldig aan de moord op B.V en bij een tweede arrest van diezelfde datum veroordeelde het hof van assisen de verzoeker tot levenslange opsluiting.
- De verzoeker stelde cassatieberoepen in tegen het tussenarrest van 21 mei 2013 en tegen de arresten van 30 mei 2013 over de schuldmotivering en de straftoemeting en voerde daarbij in een eerste middel
(4)schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, waarbij hij stelde dat, gelet op de door hem zonder de bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen, de strafvordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard (eerste onderdeel) en dat de strafvordering eveneens niet-ontvankelijk moest worden verklaard of minstens tot bewijsuitsluiting moest worden overgegaan met betrekking tot de belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I., die ook waren afgelegd zonder dat hij was bijgestaan door een raadsman (tweede onderdeel).
- Het Hof verwierp bij arrest 26 november 2013 het cassatieberoep van de verzoeker waarbij het oordeelde, m.b.t. zijn eerste middel dat de onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een verdachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advocaat, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de strafvordering maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs (eerste onderdeel) en dat het recht op bijstand van een advocaat, de daarmee verbonden cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, rechten zijn die in personam gelden, zodat een beklaagde zich in beginsel niet kan beroepen op de miskenning van die rechten betreffende belastende verklaringen afgelegd lastens hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt (tweede onderdeel).
- Op 26 mei 2014 legde de verzoeker een verzoekschrift (nr. 4115/14) neer bij het EHRM waarin hij op basis van de redenen ontwikkeld voor uw Hof een schending inriep van de artikelen 6.1 en 6.3.c. EVRM. Bij arrest van 8 maart 2022 oordeelde het EHRM
(5)dat de strafprocedure tegen de verzoeker is in zijn geheel beschouwd niet eerlijk verlopen is en dat er derhalve sprake is van een schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM (§ 71 en § 72). De redenen voor de beslissing van het EHRM kunnen als volgt worden samengevat: a) het feit dat de verzoeker tijdens het gerechtelijk onderzoek meermaals ondervraagd werd zonder de bijstand van een advocaat, zowel vóór zijn arrestatie (§ 42) als meerdere malen r na zijn arrestatie (§ 44), en dit in strijd met de bescherming van artikel 6 EVRM waarop de verzoeker zich in dit verband kon beroepen (§ 46). Uit de lezing van het EHRM- arrest blijkt zeer duidelijk dat het Europees Hof een toepassing maakt van de principes van het Beuze-arrest
(6),waarnaar bij herhaling ook wordt verwezen en dat ook een assisenprocedure betrof. Het verschil hier is wel dat de ondervragingen in de zaak Beuze dateerden van vóór het arrest Salduz
(7)terwijl zij in deze zaak dateren van erna. b) het feit dat de verzoeker een polygraaftest onderging die werd afgenomen zonder de bijstand van een advocaat (§ 44, § 58 en § 62) en als resultaat vermeldde dat zijn reacties leugenachtig waren
(8). Volgens het Hof van Cassatie is een vrijwillige polygraaftest geen verhoor dat bijstand van een advocaat vereist
(9)maar het EHRM lijkt mij hier een genuanceerder standpunt in te nemen
(10). c) het feit dat de bijkomende rechten waarvan de verzoeker kon genieten, waaronder het vrije verkeer met zijn raadsman buiten de verhoren en de aanwezigheid van een advocaat tijdens het samenvattend verhoor (§ 45) niet volstaan om de eerlijkheid van de procedure te garanderen (§ 56)
(11).
- d)het feit dat de voormelde verklaringen van de verzoeker het vervolg van de procedure op een doorslaggevende wijze hebben beïnvloed (§ 57).
- e)het feit dat de Belgische rechtsinstanties onvoldoende onderzocht hebben welke weerslag de afwezigheid van een raadsman heeft gehad op de toelaatbaarheid
(12)van de verklaringen van de verzoeker (§ 63).
- f)het feit dat het hof van assisen in zijn tussenarrest van 21 mei 2013 ook niet de argumenten van de verzoeker onderzocht met betrekking tot de weerslag van de afwezigheid van een raadsman bij de verhoren van de medebeschuldigde N.I. op de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van die laatste en de mogelijkheid dat die verklaringen onder druk werden afgelegd (§ 67).
- g)het feit dat bij de schuldigverklaring van de verzoeker als opdrachtgever van de moord de jury verwezen heeft naar elementen die slechts met elkaar in overeenstemming konden worden gebracht op basis van de gezamenlijke verklaringen van de verzoeker, van de medebeschuldigde N.I. en van personen die als getuige werden gehoord, waarbij in het verdict een doorslaggevend gewicht werd toegekend aan de voor de verzoeker belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I. (§ 67 en § 70), maar waarbij ook de door de verzoeker afgelegde verklaringen zonder de bijstand van een raadsman een belangrijke plaats innemen (§ 70). III. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING. 9. Op 19 januari 2000 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de aanbeveling nr. R
(2000)2
(13)goedgekeurd, waarin de lidstaten van de Raad van Europa werden aanbevolen om te voorzien in de mogelijkheid om gerechtelijke procedures op nationaal niveau te heropenen, nadat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden had vastgesteld. Teneinde zich naar deze aanbeveling te conformeren werd de procedure tot heropening van de rechtspleging na een definitief arrest van het EHRM in het Belgisch recht ingevoerd bij wet van 1 april 2007
(14)en zij maakt het voorwerp uit van de artikelen 442bis tot 442octies Wetboek van Strafvordering. 10. Artikel 442bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Wanneer bij een definitief arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is vastgesteld dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of de aanvullende protocollen, hierna ‘het Europees Verdrag’, zijn geschonden, kan, enkel wat de strafvordering betreft, de heropening gevraagd worden van de rechtspleging die geleid heeft tot de veroordeling van de verzoeker in de zaak voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of tot de veroordeling van een andere persoon, wegens hetzelfde feit en op grond van dezelfde bewijsmiddelen”. Uit deze tekst blijkt dat de heropening enkel de beslissing op de strafvordering kan aanbelangen, zodat de burgerlijke partij in elk geval de haar toegekende schadevergoeding zal behouden, ongeacht wat de beslissing naar aanleiding van de heropening zou zijn. Het gaat hier om een keuze die is ingegeven door de rechtszekerheid
(15)en die als corollarium heeft dat de burgerlijke partij niet tussenkomt in de procedure van heropening
(16). 11. Uit de tekst van artikel 442bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, volgt dat de mogelijkheid om een heropening te vragen aldus beperkt wordt tot een veroordelende beslissing op de strafvordering. Dit begrip wordt evenwel noch in de wetsbepalingen aangaande de heropening noch in de parlementaire voorbereiding nader gespecifieerd en J. VAN MEERBEECK heeft in zijn reeds geciteerde bijdrage
(17)aangegeven dat dit begrip in het Belgische strafrechtssysteem eerder beperkt is. Het lijkt evenwel de bedoeling van de wetgever te zijn geweest de mogelijkheid tot een heropening van de rechtspleging niet te beperken tot de veroordelingen stricto sensu zodat een brede invulling van het begrip veroordelende beslissing hier aangewezen is
(18), zodat het niet enkel gaat om eigenlijke straffen, maar ook om maatregelen zoals internering, rijverbod, publicaties, beroepsverboden, verbeurdverklaringen, eenvoudige schuldigverklaring, opschorting van de uitspraak van de veroordeling en beslissingen over herstelvorderingen. In casu gaat het om een veroordeling tot levenslange opsluiting die uiteraard in aanmerking komt voor een eventuele heropening van de rechtspleging.
- Overeenkomstig artikel 442ter Wetboek van Strafvordering behoort het recht om de heropening te vragen onder meer aan de veroordeelde, voorwaarde waaraan hier is voldaan. In toepassing van artikel 442quater, § 2, Wetboek van Strafvordering dient het verzoekschrift te worden ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven en dient het binnen de zes maanden na het definitief worden van de beslissing van het arrest van het EHRM te zijn ingediend. Ook aan deze voorwaarden is in onderhavig geval voldaan.
- De inwilliging van een verzoek tot heropening van de rechtspleging is afhankelijk van twee grondvoorwaarden die, omwille van het uitzonderlijk karakter van een heropening, cumulatief
(19)dienen te zijn verwezenlijkt en in het artikel 442quinquies, Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen en die de quasi letterlijke overname zijn van de reeds geciteerde aanbeveling R
(2000)2 van 19 januari 2000. Artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, bepaalt: “Wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt hetzij dat de bestreden beslissing ten gronde strijdig is met het Europees Verdrag, hetzij dat de vastgestelde schending het gevolg is van procedurefouten of -tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, beveelt het Hof van Cassatie de heropening van de rechtspleging, voor zover de veroordeelde partij of de rechthebbenden voorzien in artikel 442ter, 2°, zeer ernstige nadelige gevolgen blijven ondervinden, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld”. De twee grondvoorwaarden waaraan derhalve dient te zijn voldaan zin: a) Eerste grondvoorwaarde
(20): de bestreden beslissing is ten gronde strijdig met het Europees Verdrag of de vastgestelde schending is het gevolg van procedurefouten of -tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging;
- b)Tweede grondvoorwaarde: de veroordeelde partij of de rechthebbenden voorzien in artikel 442ter, 2°, blijven zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. 14. Uit het arrest van het EHRM van 8 maart 2022 blijkt dat de schending van de artikelen 6.1 en 6.3.
- c)wordt afgeleid uit enerzijds de talrijke verklaringen van de verzoeker zonder advocaat tijdens het vooronderzoek, de doorslaggevende invloed die zij hadden op het vervolg van de procedure en het gebrek aan onderzoek nopens de toelaatbaarheid van die verklaringen en anderzijds de verklaringen van de medebeschuldigde N.I. tijdens het vooronderzoek zonder advocaat, waarbij niet onderzocht werd wat de weerslag is van de afwezigheid van een raadsman bij deze verhoren op de betrouwbaarheid ervan en de mogelijkheid dat ze onder druk werden afgelegd. Belangrijk lijkt me hierbij te zijn dat het EHRM bijzonder belang hecht aan de invloed van verklaringen afgelegd zonder raadsman op de bewijsconstructie
(21), gelet op hetgeen werd gesteld in de overweging § 70 van het arrest, met name “dat bij de schuldigverklaring van de verzoeker als opdrachtgever van de moord de jury verwezen heeft naar elementen die slechts met elkaar in overeenstemming konden worden gebracht op basis van de gezamenlijke verklaringen van de verzoeker, van de medebeschuldigde N.I. en van personen die als getuige werden gehoord, waarbij in het verdict een doorslaggevend gewicht werd toegekend aan de voor de verzoeker belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I., maar waarbij ook de door de verzoeker afgelegde verklaringen zonder de bijstand van een raadsman een belangrijke plaats innemen”. 15. De problematiek van de eigen verklaringen van de verzoeker zonder raadsman werd in de voorziening in cassatie tegen de arresten over de schuldmotivering en de straftoemeting aangeraakt in het kader van het eerste onderdeel van het middel, maar hoofdzakelijk toegespitst op de invloed daarvan op de ontvankelijkheid of minstens toelaatbaarheid van de strafvordering
(22)en werd door uw Hof bij arrest van 26 november 2013 verworpen op grond van de overweging dat de onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een verdachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advocaat, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de strafvordering maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs
(23). 16. De problematiek van de verklaringen zonder raadsman van de medebeschuldigde maakte het voorwerp uit van het tweede onderdeel van het middel en ook hier werd daaruit de onontvankelijkheid van de strafvordering afgeleid, maar werd er tevens gesteld dat het hof van assisen had moeten overgaan tot de bewijsuitsluiting van die verklaringen. Dat tweede onderdeel werd door het arrest van uw Hof van 26 november 2013 verworpen op basis van enerzijds hetzelfde argument om het eerste onderdeel te verwerpen en anderzijds op basis van de in personam -rechtspraak die inhoudt dat een beklaagde zich in beginsel niet kan beroepen op de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat, de daarmee verbonden cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, betreffende belastende verklaringen afgelegd lastens hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt
(24).
- Uit het arrest van het EHRM van 8 maart 2022 volgt evenwel dat het Hof van Cassatie, bij de beoordeling van verzoekers grief volgens welke moest worden overgegaan tot bewijsuitsluiting van de door de medebeschuldigde N.I. tijdens het vooronderzoek zonder de bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen, zich niet kon beperken tot dit oordeel maar ook diende na te gaan of het hof van assisen in het tussenarrest van 21 mei 2013 de weerslag heeft onderzocht van de afwezigheid van een raadsman bij de verhoren van de medebeschuldigde N.I. op de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van die laatste en op de mogelijkheid dat die verklaringen onder druk werden afgelegd.
- Het door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de toegang tot een raadsman in alle fasen van het strafproces, zoals uitgelegd door het EHRM in het arrest van 8 maart 2022, werd hierdoor geschonden, mede gelet op het oordeel van het EHRM dat in het verdict van de jury een doorslaggevend gewicht werd toegekend aan de voor de verzoeker belastende verklaringen van de medebeschuldigde N.I. De aldus vastgestelde schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM als gevolg van een procedurefout of -tekortkoming is dermate ernstig dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. De verzoeker werd veroordeeld tot levenslange opsluiting. Bijgevolg blijft de verzoeker zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden van de bestreden rechtspleging, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. De in de artikelen 442bis en 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde voorwaarden zijn verenigd. Er is dan ook grond tot heropening van de rechtspleging, tot intrekking van het arrest P.13.1234.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4 van 26 november 2013 en tot een herbeoordeling van het cassatieberoep
(25). IV. HERBEOORDELING VAN HET CASSATIEBEROEP.
- Het eerste middel, tweede onderdeel voert de schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat het feit dat de medebeschuldigde geen bijstand van een raadsman genoot bij zijn verhoren, geen probleem vormt; het stelt vast dat de medebeschuldigde verklaringen heeft afgelegd zonder dat hij zich kon laten bijstaan door een advocaat terwijl hij zich tijdens het gerechtelijk onderzoek in voorhechtenis bevond; het laat evenwel na de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, minstens over te gaan tot bewijsuitsluiting van die onregelmatige verhoren waarbij tevens de eiser wordt beschuldigd.
- Het recht op bijstand van een advocaat, dat verbonden is met de cautieplicht, het zwijg- recht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, zijn rechten die gelden in personam en in beginsel bijgevolg slechts kunnen worden ingeroepen door degene ten aanzien van wie die rechten werden miskend
(26). Evenwel kan een beklaagde zich beroepen op de miskenning van die rechten als verweer tegen belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is
- a)hetzij wanneer die andere beklaagde, die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt,
- b)hetzij wanneer blijkt dat ingevolge de miskenning van die rechten er ongeoorloofde druk werd uitgeoefend op die andere beklaagde en zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn. Dat houdt dan ook in dat wanneer een beklaagde aanvoert dat voor hem belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde zonder de bijstand van een raadsman hoewel hij op die bijstand gerechtigd was, uit het debat moeten worden geweerd, de rechter zich niet ertoe beperken na te gaan of die andere beklaagde de miskenning heeft ingeroepen van zijn recht op bijstand van een raadsman en op die grond zijn verklaringen heeft ingetrokken, maar dat hij ook dient na te gaan of de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat er niet toe heeft geleid dat die andere beklaagde zijn belastende verklaringen heeft afgelegd onder ongeoorloofde druk waardoor de betrouwbaarheid ervan is aangetast. 21. Het tussenarrest van het hof van assisen van 21 mei 2013 heeft evenwel dat laatste onderzoek niet gedaan en beperkte zich tot de argumentatie dat de medebeschuldigde N.I. zich niet zelf beroepen had op een miskenning van zijn recht op bijstand en evenmin zijn verklaringen had ingetrokken (zie supra randnummer 5). Het onderdeel dan ook is in zoverre gegrond. De overige grieven kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord. V. OMVANG VAN DE CASSATIE. 22. De onwettigheid van het tussenarrest van het hof van assisen van 21 mei 2013 met betrekking tot het verweer van de eiser tegen de door de medebeschuldigde N.I. tijdens het vooronderzoek zonder de bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen, leidt tot de vernietiging van dit tussenarrest, van het arrest van 30 mei 2013 over de schuld en het arrest van diezelfde datum over de straf. Daarenboven ben ik de mening toegedaan dat gelet op het nauwe verband tussen die onwettigheid, die de bewijsbeoordeling betreft, de akte van beschuldiging die verwijst naar de verklaringen van de verzoeker en de medebeschuldigde N.I., en de arresten van de preliminaire rechtszitting van 13 december 2012 en 28 april 2013, die de lijst van de door het hof van assisen te horen getuigen bevatten en aldus eveneens betrekking hebben op de bewijsvoering voor het hof van assisen, de vernietiging van het arrest van 21 mei 2013 ook de vernietiging met zich meebrengt van de akte van beschuldiging en van de volledige daarop volgende procedure, met inbegrip van de arresten van de preliminaire rechtszitting. VI. CONCLUSIE. Ik concludeer derhalve tot de heropening van de rechtspleging, tot de intrekking van het arrest van uw Hof van 26 november 2013, AR P.13.1234.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4, Pas. 2013, nr. 634, en tot de vernietiging, met verwijzing, van: - de akte van beschuldiging van 25 mei 2012; - het arrest van de preliminaire rechtszitting van 13 december 2012; - het arrest van de preliminaire rechtszitting van 18 april 2013; - het tussenarrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 21 mei 2013; - het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 30 mei 2013 over de schuld; - het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 30 mei 2013 over de straf. _________________________________________
(1)Cass 26 november 2013, AR P.13.1234.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4, AC 2013, nr. 634.
(2)Wet houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek, BS 24 mei 2019; R. VERSTRAETEN, "De preliminaire zitting van het hof van assisen na de wet van 5 mei 2019: één zitting, twee arresten, geen hoger beroep, hoeveel cassatieberoepen?", NC 2021/3, 213-225.
(3)Behalve een Salduz-verweer werd ook nog verweer gevoerd over de regelmatigheid van de telefoontaps en over een PV van de politie m.b.t. een anonieme getuige.
(4)Er werd nog een tweede middel aangevoerd dat evenwel irrelevant is voor de problematiek.
(5)In de hierna volgende “samenvatting” van de essentie van het EHRM-arrest, worden zowel de overwegingen van het EHRM m.b.t. de eigen verklaringen van Tonkov weergegeven, als de overwegingen m.b.t. de medebeschuldigde Ivanov (N.I.) – ook al wordt er uiteindelijk voorgesteld om slechts te heropenen en te casseren op dat laatste punt (zie punt C. van de toelichting achteraan het ontwerp).
(6)EHRM 9 november 2018, nr. 71409/10, Beuze t. België.
(7)EHRM 27 januari 2008, nr. 36391/02, Salduz t. Turkije.
(8)Zie over de polygraaf in TONKOV ook VERBRUGGEN, COLLAGE en HUYSMANS, in Themis 122, 2022, (146-166), p. 157, nr. 15.
(9)Cass. 9 april 2013, AR P.12.2018.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130409.1, AC 2013, nr. 225, RW 2013-2014, 1305 met noot B. DE SMET; F. VERBRUGGEN, L. COLLAGE en J. HUYSMANS, “België zoet Europese sterren; enkele aandachtspunten voor de strafrechtspraktijk”, Themis 2021-2022 nr. 122: Straf- en strafprocesrecht, p. 157, nr. 15.
(10)Men kan zich natuurlijk de vraag stellen of het principe van een polygraaftest – zijnde het meten van spontane lichaamsreacties op gestelde vragen – verenigbaar is met de bijstand van een advocaat.
(11)Het gaat hier blijkbaar over de omstandigheid dat er wél een bijstand was van advocaten gedurende het samenvattend verhoor door de onderzoeksrechter van 20/10/2011 (tussenarrest 21/05/2013, p. 10).
(12)Het arrest gebruikt de term ‘recevabilité’ dat dus ontvankelijkheid betreft. Maar het gaat in wezen over het niet weren van de verklaringen van de verzoeker en dus over hun toelaatbaarheid in het strafproces.
(13)Vrije vertaling van de Franse tekst: ‘I. Nodigt, in het licht van deze overwegingen, de contracterende partijen uit zich ervan te vergewissen dat er op het interne vlak afdoende mogelijkheden bestaan om, in de mate van het mogelijke, een restitutio in integrum te verwezenlijken; II. Moedigt de contracterende Partijen aan om hun nationale rechtssystemen te onderzoeken teneinde zich ervan te vergewissen dat er aangepaste mogelijkheden bestaan voor het heronderzoek van een zaak, daaronder begrepen de heropening van de rechtspleging, in de gevallen waarin het Hof een schending van het Verdrag heeft vastgesteld, inzonderheid wanneer i. de benadeelde partij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden van de internrechtelijke beslissing, die niet afdoende hersteld wordt door een billijke genoegdoening en die slechts door een heronderzoek of een heropening kan worden rechtgezet en ii uit het arrest van het Hof blijkt dat a. de betwiste internrechtelijke beslissing strijdig is met het EVRM, of b. de vastgestelde schending het gevolg is van procedurefouten of tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat een ernstige twijfel rijst over het resultaat van de betrokken interne procedure.
(14)Wet tot wijziging van het Wetboek van strafvordering met het oog op de heropening van de rechtspleging in strafzaken, BS 9 mei 2007. Zie over deze wet: J. VAN MEERBEECK , “La réouverture des procédures pénales après un arrêt de Strasbourg – Commentaire de la loi du 1er avril 2007”, JT 2007, pp.733-737; N. COLPAERT, « De nieuwe procedure van heropening van een strafzaak na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de mens”, RW 2007-2008, pp. 53-61; A. VERHEYLESONNE en O. KLEES, “La loi belge du 1er avril 2007 relative à la réouverture de la procédure pénale à la suite d’un arrêt de condamnation de la Cour européenne des droits de l’homme”, Rev. Trim. D.H. 2008, pp. 773-800; P. LEMMENS en W. VANDENHOLE, “De heropening van een strafprocedure na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de rechten van de Mens”, T. Strafr. 2001, 49-74.
(15)Parl. St. Senaat, 2005-2006, 3-1769/1, pp. 14.15.
(16)Deze optie werd door de Raad van State in zijn verslag bekritiseerd – zie Parl. St. Senaat, 2005-2006, 3-1769/1, pp. 34-36.
(17)J. VAN MEERBEECK, o.c., p. 735, voetnoot 13.
(18)F. VAN VOLSEM, ‘Tien jaar toepassing van de heropening van de rechtspleging”, in J. DE CODT, B. DECONINCK, D. THIJS, A. HENKES en J.-F. VAN DROOGHENBROECK (eds.), Le Code Judiciaire a 50 ans Et après?/50 jaar Gerechtelijk Wetboek Wat nu?, pp. 668-669, nrs. 18-20.
(19)F. VAN VOLSEM, o.c., p. 677; N. COLPAERT, “De nieuwe procedure van heropening van een strafzaak na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de mens”, RW 2007-2008, pp. 59-61; J. ROZIE, “Nieuwe ontwikkelingen in Straatsburg. De uitspraken gewezen in 2006 door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens tegen België en de procedure tot heropening van de rechtspleging in strafzaken onder de loep genomen”, NC 2007, p. 409; Omzendbrief n° COL 12/2007 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep, p. 9.
(20)Er weze hierbij aangestipt dat deze eerste grondvoorwaarde twee onderscheiden hypotheses omvat, zie Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0910.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6, AC 2011, nr. 556, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH in JT 2012, p. 37; zie J. VAN MEERBEECK, “La réouverture des procédures pénales après un arrêt de Strasbourg – Commentaire de la loi du 1er avril 2007”, JT 2007, p. 735; N. COLPAERT, “De nieuwe procedure van heropening van een strafzaak na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de mens”, RW 2007-2008, p. 59; A. VERHEYLESONNE en O. KLEES, “La loi belge du 1er avril 2007 relative à la réouverture de la procédure pénale à la suite d’un arrêt de condamnation de la Cour européenne des droits de l‘homme”, Rev. Trim. D.H. 2008, p. 789.
(21)Zie hierover P. TERSAGO, “De vertaalslag van de Beuze-rechtspraak in heropeningsprocedures voor het Hof van Cassatie”, noot onder Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1212.N, NC 2022, p. 404, nr. 8.
(22)De verzoeker heeft inderdaad voor het Hof niet aangevoerd - minstens niet expliciet – dat zijn verklaringen zonder raadsman afgelegd dienden te worden geweerd, hetgeen hij wel heeft gedaan met de verklaringen van de medebeschuldigde.
(23)Zie Cass. 26 november 2013, AR P.13.1234.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4, AC 2013, nr. 634, supra randnummer 7. Ik denk dat het hier gehuldigde principe ook na het arrest van het EHRM overeind blijft.
(24)Cass. 1 april 2014, AR P.12.1334.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.1, AC 2014, nr. 252; zie ook betreffende de derdenwerking van de Salduz -rechtspraak M. LOCHS, Tonkov t. Belgie (EHRM, 41115/14) – (Mede)verdachtenverklaringen als bewijs in de Salduz/Beuze-beoordeling van art. 6 EVRM.
(25)Zie desaangaande M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte 2021, 9de ed., t. II, pp. 1902-1903.
(26)Zie supra. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221206.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.19 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130409.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131126.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div