← België

CRELAN NV contra QUATRI BV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.1 Rolnummer: C.21.0518.N Zaak: CRELAN NV contra QUATRI BV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-02-07 Raadplegingen: 684 - laatst gezien 2026-06-18 22:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.1 Fiche In burgerlijke zaken kan een partij hoger beroep instellen indien haar belangen worden geschaad door de beroepen beslissing, welk belang voorhanden is wanneer het hoger beroep strekt tot het herstel van een vergissing of een verzuim of tot aanvulling van de rechtsgronden die hadden kunnen leiden tot een andersluidende, voor deze partij gunstige beslissing van de eerste rechter

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 17, 18, 1050 en 1057, 7° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.21.0518.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  1. Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat op 19 oktober 2009 tussen (de rechtsvoorganger van) eiseres, een kredietinstelling, en (de rechtsvoorganger van) verweerster, een immobiliënvennootschap, een overeenkomst tot stand kwam waarbij vier kredieten voor een totaal bedrag van 440.000 euro werden verleend. Omwille van de overeengekomen vaste rentevoet voorzag de overeenkomst dat een vrijwillige en vervroegde terugbetaling van het opgenomen bedrag verboden was. Toen verweerster in 2016 toch om de mogelijkheid van vervroegde terugbetaling vroeg, wenste eiseres hierop niet in te gaan. Verweerster ging over tot dagvaarding van eiseres waarbij zij vorderde te horen zeggen voor recht dat de kredietopening in werkelijkheid een lening op interest is waarop artikel 1907bis Oud BW van toepassing is en zij het krediet vervroegd kan terugbetalen mits wederbeleggingsvergoeding van zes maanden interest, berekend over de terugbetaalde som en volgens de rentevoet zoals overeengekomen. In besluiten voor de eerste rechter betwistte eiseres de vorderingen van verweerster ten gronde en vorderde zij, in het beschikkend gedeelte, die vorderingen ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Nadat de eerste rechter de vorderingen van verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaarde, tekende eiseres hoger beroep aan en voerde zij in haar beroepsbesluiten niet enkel verweer ten gronde maar voerde zij eveneens aan dat de vordering van verweerster ontoelaatbaar diende verklaard te worden wegens de afwezigheid van daadwerkelijk reeds verkregen belang op het ogenblik van de gedinginleidende dagvaarding. Eiseres voerde aan dat de vordering van verweerster betrekking had op een mogelijks toekomstige gebeurtenis waarover verweerster het advies van de rechtbank wou bekomen en er geen ernstig betwist of bedreigd recht voorlag. Op het ogenblik van de dagvaarding werd de overeenkomst immers gewoon uitgevoerd door partijen en werd het krediet afbetaald conform de overeengekomen aflossingen. Eiseres voerde aan dat de eerste rechter om die reden de vordering, desgevallend ambtshalve, ontoelaatbaar had moeten verklaren. De appelrechter oordeelt dat eiseres geen belang kan laten gelden om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de eerste rechter om de vorderingen van verweerster ontvankelijk te verklaren nu zij zelf de ontvankelijkheid daarvan heeft gevorderd. De appelrechter voegt hieraan –ten overvloede– toe dat verweerster wel degelijk beschikte over een reeds verkregen en dadelijk belang nu de betwisting over de mogelijkheid tot vervroegde terugbetaling geen louter theoretische discussie betrof zonder actueel belang. Op die gronden wordt het hoger beroep, in de mate dat het er toe strekt de vorderingen van verweerster onontvankelijk te doen verklaren, afgewezen als onontvankelijk. Op andere gronden wordt het hoger beroep voor het overige ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Tegen dit arrest van 29 april 2020 van het hof van beroep te Gent voert eiseres drie middelen aan.
  2. Bespreking. 2.
  3. In het eerste middel voert eiseres aan dat het gegeven dat zij in eerste aanleg heeft geconcludeerd tot de ontvankelijkheid van de vorderingen van verweerster, haar niet het belang ontneemt om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de eerste rechter dat die vorderingen ontvankelijk zijn, nu het volstaat dat de beroepen beslissing haar belangen schaadt, zelfs indien die beslissing conform is aan haar conclusies voor de eerste rechter. 2.1.
  4. Het middel noopt tot het definiëren van het belang als specifieke en autonome voorwaarde voor de toelaatbaarheid van het hoger beroep. Deze autonome toelaatbaarheidsvoorwaarde moet immers door de appelrechter worden onderzocht alvorens hij de toelaatbaarheid van de rechtsvordering kan toetsen aan de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek
(1). De vraag rijst te dezen wie wanneer belang heeft bij het instellen van een hoger beroep. Is dit enkel degene wiens vordering geheel of gedeeltelijk werd afgewezen door de eerste rechter, of geldt dit ook voor degene in wiens nadeel iets werd beslist zelfs al heeft die partij daarover geen verweer gevoerd. 2.1.2. Lange tijd werd in het kader van de toelaatbaarheid van het hoger beroep verdedigd dat dit rechtsmiddel enkel kon worden aangewend door degene wiens aanspraken geheel of gedeeltelijk werden afgewezen. Belang werd gekoppeld aan het in het ongelijk gesteld zijn, het gegriefd zijn door de beslissing van de eerste rechter, waarbij men met het aantekenen van hoger beroep verhoopte om iets in zijn voordeel te bereiken via de hervorming van de beslissing van de eerste rechter. Het begrip “belang” werd dus procesrechtelijk benaderd: een partij heeft belang bij het instellen van hoger beroep als wat de rechter heeft beslist, afwijkt van wat de partij voor de eerste rechter heeft aangevoerd en gevorderd
(2). Dit belang wordt daarbij getoetst aan de processuele houding van de appellant voor de eerste rechter, waarbij om na te gaan of een partij procesrechtelijk belang heeft, een vergelijking moet worden gemaakt tussen wat zij in eerste aanleg heeft aangevoerd en wat daarover door de eerste rechter is beslist
(3). In de zaak die thans voorligt benadert de appelrechter het belang van de appellant bijgevolg louter procesrechtelijk wanneer hij oordeelt dat eiseres geen belang kan laten gelden om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de eerste rechter om de vorderingen van verweerster ontvankelijk te verklaren, nu zij zelf de ontvankelijkheid daarvan heeft gevorderd. 2.1.3. In de rechtsleer wordt echter steeds vaker verdedigd dat een partij hoger beroep kan of mag instellen, niet alleen tot herstel van beweerde “fouten” van de eerste rechter, maar ook en zelfs alleen om eigen verzuimen te herstellen of om de oorspronkelijke vordering uit te breiden of te wijzigen. Aldus mag op een eerder ingenomen stelling in eerste aanleg worden teruggekomen
(4)of mag dat wat in eerste aanleg werd aangevoerd worden aangevuld
(5). Hierbij ligt geen procesrechtelijke benadering van het belang voor maar een materieelrechtelijke benadering waarbij een partij belang heeft om hoger beroep aan te tekenen indien de aangevochten beslissing enigszins nadelig is voor zijn materieelrechtelijke toestand
(6). De appellant heeft er dan belang bij het nadeel dat het aangevochten vonnis berokkent aan zijn materieelrechtelijke toestand door het hoger beroep ongedaan te maken en dit ongeacht zijn processuele houding voor de eerste rechter ten overstaan van wie hij iets heeft erkend, niet heeft betwist of zich naar de wijsheid heeft gedragen. Partijen in een burgerlijk geding hebben immers geen libelleringsplicht maar een libelleringslast en de verweerder is in het kader van zijn verweerlast dan ook niet verplicht om over alle aspecten inhoudelijk standpunt in te nemen. De vrijheid voor een partij om zelf te beslissen of en in welke mate aan de rechter wordt meegedeeld of een vordering wordt betwist dan wel of de partij zich al dan niet bewust van verweer onthoudt is een toepassing van de partijautonomie of het beschikkingsbeginsel
(7), Door sommige auteurs wordt evenwel benadrukt dat de materieelrechtelijke benadering van het belang het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep in hoofdorde ten dienste stelt van het individueel belang van de benadeelde procespartij
(8)terwijl er naast dit individueel belang ook een algemeen belang is dat een efficiënte en proceseconomische rechtsbedeling vereist die er mag van uitgaan dat partijen zorgvuldig procederen. Rechtzoekenden en procespartijen moeten dit belang eerbiedigen in hun procesgedrag
(9). Vonnissen kunnen slechts dan worden aangevochten als er redenen zijn om te aanvaarden dat de eerste rechter onjuist geoordeeld heeft of de evolutie van het geschil noodzaakt tot een nieuwe beoordeling. Het rechtsmiddel van hoger beroep leent er zich dus niet toe om zomaar terug te komen op een eerder ingenomen standpunt. Er moet daadwerkelijk sprake zijn van een vergissing in het licht van de evolutie van de zaak, zoals een nieuw stuk dat opduikt en een nieuw licht werpt op de zaak
(10). 2.1.4. De rechtspraak van Uw Hof sluit hier enigszins bij aan in die zin dat wordt geoordeeld dat een partij in principe geen belang heeft om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis dat uitspraak doet conform haar conclusie
(11), maar dat dit wel wordt aanvaard indien er sprake is van een vergissing
(12)van de appellant, of ingeval van een materie die de openbare orde raakt
(13). Die vergissing kan worden begaan bij het verdedigen van zijn belangen
(14), en geldt dan zowel voor het formuleren van eigen vorderingen als voor het voeren van verweer tegen vorderingen van andere partijen. Zo aanvaardt Uw Hof dat de loutere niet betwisting van de bedragen die door een andere partij van haar werden gevorderd voor de eerste rechter, niet impliceert dat deze partij geen belang heeft om hoger beroep in te stellen
(15). Ook het zich in conclusies aansluiten bij de besluiten van een aangestelde deskundige belet niet dat die partij hoger beroep aantekent tegen het vonnis dat conform die besluiten werd genomen en in hoger beroep de aanstelling van een college van deskundigen wordt gevraagd om de bevindingen van de deskundige te her evalueren
(16). 2.1.5. Uit wat voorafgaat volgt dat in rechtspraak en rechtsleer een evolutie merkbaar is waarbij er niet langer wordt van uitgegaan dat het hoger beroep een loutere controlefunctie heeft, omdat die benadering te veel uitgaat van het voorbijgestreefd idee dat een geschil onveranderlijk is en de rechter in hoger beroep exact hetzelfde geschil dat werd gevoerd voor de eerste rechter nog eens overdoet binnen de perken van het hoger beroep. Een moderne procedure is echter een evolutief gegeven waarbij er aandacht is voor het optimaal oplossen van het geschil. Het hoger beroep is dan geen herhaling maar een verderzetting van het geding in eerste aanleg, waarbij wordt rekening gehouden met de evolutie ervan sedert de uitspraak van de eerste rechter
(17). Dit dient de proceseconomie, maar slechts in de mate dat de band met het oorspronkelijk geschil niet wordt verbroken of het geschil zijn oorspronkelijke vorm niet verliest, in welk geval de appelrechter in feite over een volkomen nieuw geschil zou moeten oordelen
(18). 2.1.6. In de zaak die thans voorligt betwistte eiseres de vordering van verweerster. Zij voerde daarbij in besluiten enkel inhoudelijk verweer voor wat de grond van de vordering betrof, maar nam geen inhoudelijk, onderbouwd standpunt in over de ontvankelijkheid van de vordering. Op dit punt werd geen debat gevoerd, en uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt niet dat dit het gevolg was van het feit dat eiseres zich uitdrukkelijk wenste aan te sluiten bij het standpunt van verweerder maar wel omdat zij verzuimde hierover verweer te voeren en zij zich in het beschikkend gedeelte beperkte tot een standaardformulering van ontvankelijkheid. Het ontvankelijk verklaren van de vordering van verweerster heeft het belang van eiseres negatief beïnvloed in die zin dat deze ontvankelijkheid leidde tot het gedeeltelijk gegrond verklaren van de vordering. De evolutie van het geschil sedert de uitspraak van de eerste rechter heeft eiseres doen inzien dat ze er in het kader van de betwiste vordering, die sowieso voor de appelrechter aanhangig was, belang bij had ook argumenten met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering te formuleren en op die manier het verzuim of de vergissing die zij in eerste aanleg had begaan recht te zetten. Door het aanvoeren van deze argumenten werd de band met het oorspronkelijk geschil niet verbroken, noch verloor het daardoor zijn oorspronkelijke vorm. De appelrechter dient steeds in concreto te onderzoeken of een partij belang heeft om hoger beroep in te stellen
(19). De appelrechter die het hoger beroep van eiseres niet ontvankelijk verklaart omdat zij geen belang kan laten gelden, louter op de grond dat de eerste rechter heeft gestatueerd zoals eiseres heeft gevorderd, zonder na te gaan of er in de concrete omstandigheden ondanks die conforme uitspraak geen sprake is van een vergissing of een verzuim in hoofde van eiseres als verweerster in eerste aanleg, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. 2.1.
  1. Verweerster voert in de memorie van antwoord aan dat het middel, ook al was het gegrond niet tot cassatie kan leiden omdat de beslissing dat het hoger beroep onontvankelijk is ook steunt op een tweede, niet aangevochten reden. In de zaak die voorligt heeft de appelrechter met de reden dat eiseres geen belang kan laten gelden om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de eerste rechter om de vorderingen van verweerster ontvankelijk te verklaren nu zij zelf de ontvankelijkheid daarvan heeft gevorderd, de toelaatbaarheid van het hoger beroep zelf beoordeeld. De ten overvloede reden dat verweerster wel degelijk beschikte over een reeds verkregen en dadelijk belang nu de betwisting over de mogelijkheid tot vervroegde terugbetaling geen louter theoretische discussie betrof zonder actueel belang, kan evenwel niet naar recht de ontoelaatbaarheid van het hoger beroep verantwoorden. De grond van niet-ontvankelijkheid kan bijgevolg niet kan worden aangenomen. 2.1.
  2. Het eerste middel komt gegrond voor. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: Vernietiging met verwijzing. ___________________________________________
(1)Zie Cass. 13 september 1991, AR 7015, AC 1991, nr. 22.
(2)K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu 1995, p.70.
(3)K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu 1995, p.478.
(4)G. DE LEVAL, Droit judiciaire, T. II, Vol. 2, Brussel, Larcier 2021, 55, nr. 9.50; J. LAENENS et al., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2019, 745, nr. 1538; D. SLAGMOLEN, M. DE ROECK, K. SAS en J. DE WINNE, “Hoger beroep” in BHBP, Mechelen, Kluwer 2017, 26, nr. 32390. Zie ook reeds voordien: A. DECROES, “Recevabilité de l’appel: qualité et intérêt” RCJB 2004, 379, nr. 15; P. VAN RILLAER, “Art. 1050 Ger.W.”, Artikelgewijze commentaar gerechtelijk recht, Mechelen, Kluwer 2002, 17, nr. 29.
(5)Zie P. VANLERSBERGHE, “Belang vereist voor het instellen van een ontvankelijk hoger beroep”, RABG 2006,
(1383)1384.
(6)K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu 1995, p. 70; A. DECROES, “Recevabilité de l’appel”: qualité et intérêt” RCJB 2004, 379, nr. 15.
(7)B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia 2007, p. 125.
(8)K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu 1995, p.70.
(9)T. DE JAEGER, “Verstorend procesgedrag :doeltreffend sanctioneren voor een efficiënte procesvoering”, TPR, 2017, p. 1218.
(10)Zie P. VANLERSBERGHE, “Belang vereist voor het instellen van een ontvankelijk hoger beroep”, RABG 2006,
(1383)1384.
(11)Cass. 13 maart 1997, AR C.96.0176.F, AC 1997, nr. 143, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970313.8
(12)Cass. 15 september 2006 AR. C.05.0304.N, AC 2006, nr. 419, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.4. Zie ook Cass.17 oktober 1946 “que le plaideur qui, devant le premier juge, a commis une erreur de fait ou de droit, a un intérêt, consacré d’ailleurs par la loi, à rectifier cette erreur devant le juge d’appel auquel la partie adverse a déféré la cause (…) que l’appel a été institué non seulement pour réparer les erreurs du premier juge, mais aussi pour remédier aux erreurs que les parties ont pu commettre en débattant leurs intérêts, RCJB 1947, 159.
(13)Cass. 23 april 1990, AR 8759, AC 1990, nr. 492, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900423.12. Cass. 16 juni 1986, AR 5135, AC 1986, nr. 645, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860616.12.
(14)Cass.17 oktober 1946, RCJB 1947, 159.
(15)Cass. 7 mei 2004, AR C.03.0603.F, AC 2004, 244, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040507.3.
(16)Cass. 23 april 1990, AR 8759, AC 1990, nr. 492 ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900423.12.
(17)Zie concl. van advocaat-generaal P. CORNELIS voor Cass.15 september 2006 AR C.05.0304.N, AC 2006, nr. 419, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.4.
(18)K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu 1995, p. 479.
(19)Zie in dat verband J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Intersentia 2020, nr. 1539. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860616.12 ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900423.12 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970313.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040507.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.