← België

BANK NAGELMACKERS contra ZAKENKANTOOR CARMANS

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.2 Rolnummer: C.21.0469.N Zaak: BANK NAGELMACKERS contra ZAKENKANTOOR CARMANS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-02-07 Raadplegingen: 723 - laatst gezien 2026-06-18 20:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.2 Fiches 1 - 2 De handelsagentuurovereenkomst vereist, anders dan een makelaarsovereenkomst, dat er sprake is van een permanente band tussen de partijen aan de overeenkomst

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. I.11, 1° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: MAKELAAR Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. I.11, 1° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 3 - 4 De handelsagent heeft recht op een uitwinningsvergoeding wanneer op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst naar redelijke verwachting, mag worden aangenomen, zonder dat is vereist dat dit daadwerkelijk zo is, dat de aanbreng van nieuwe klanten of de aanzienlijke uitbreiding van de zaken met bestaande klanten de principaal na de beëindiging van de overeenkomst nog aanzienlijke voordelen zal opleveren, hetgeen een zekere bestendigheid van die aanbreng of uitbreiding impliceert
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Vrije woorden: Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 5 - 6 Indien de handelsagentuurovereenkomst een concurrentiebeding bevat ten gunste van de handelsagent bestaat een vermoeden dat de agentuur de principaal nog aanzienlijke voordelen zal opleveren, behoudens het tegenbewijs te leveren door de principaal dat de agentuur hem geen aanzienlijke voordelen kon opleveren, hetgeen wordt beoordeeld op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst; het bewijs dat de principaal niet daadwerkelijk een aanzienlijk voordeel heeft genoten volstaat niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.21.0469.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  1. Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat tussen partijen een agentuurovereenkomst voor onbepaalde duur werd afgesloten, waarin bepalingen werden opgenomen zowel met betrekking tot activiteiten van verweerster als zelfstandig bankagent als activiteiten van verweerster inzake kredietproducten en verzekeringsdossiers. Nadat eiseres de samenwerking beëindigde, stelde verweerster eiseres in gebreke in betaling van een vervangende opzeggingsvergoeding en een uitwinningsvergoeding. Bij gebrek aan gunstige reactie ging verweerster over tot dagvaarding. Voor de eerste rechter werd onder andere discussie gevoerd over de berekeningsgrondslag van de gevorderde vergoedingen. De rechtbank van koophandel volgde daarbij het standpunt van eiseres dat enkel de bankactiviteiten onder de handelsagentuurovereenkomst vallen terwijl de gebeurlijke krediet- en verzekeringsbemiddeling door verweerster als makelaar werden verricht en buiten het toepassingsgebied van de handelsagentuur vallen, zodat de vergoedingen die verweerster ontving in het kader van die activiteiten niet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de berekeningsgrondslag. Aan verweerster werd een maximale uitwinningsvergoeding toegekend berekend op basis van het gemiddelde van de commissies die zij verdiende tijdens de vijf jaren die voorafgingen aan het beëindigen van de bankagentuur. Op het hoger beroep van eiseres oordeelt de appelrechter dat het de wil van partijen is geweest om zowel de bankactiviteit als de krediet- en verzekeringsactiviteit onder te brengen onder hetzelfde agentschapscontract en de aan verweerster toekomende opzeggingsvergoeding moet worden berekend op basis van de vergoedingen die zij ontving als krediet- en verzekeringsmakelaar. Wat de uitwinningsvergoeding betreft bevestigt de appelrechter de beslissing van de eerste rechter met dien verstande dat hierbij eveneens moet rekening worden gehouden met de aan verweerster betaalde premies en commissies in het kader van kredieten en verzekeringen. Tegen het arrest van 1 maart 2021 van het hof van beroep te Brussel voert eiseres twee middelen aan.
  2. Bespreking. 2.
  3. Eerste middel. 2.1.
  4. In het eerste onderdeel van het eerste middel gaat eiseres er van uit dat de appelrechter het aspect bemiddeling van verzekering en kredieten, waarvan partijen zijn overeengekomen dat het een makelaardij betreft, heeft geherkwalificeerd in agentuur, wat dan de grondslag vormt voor het opnemen van de commissies i.v.m. de verzekeringen en kredieten in de berekeningsgrondslag van de opzeggingsvergoeding en uitwinningsvergoeding, zonder dat de appelrechter daarbij heeft nagegaan of er sprake is van een permanente band tussen eiseres en verweerster, wat het essentiële onderscheidende kenmerk is tussen agentuur en makelaardij. Zoals eiseres terecht aanvoert wordt een handelsagentuurovereenkomst, overeenkomstig artikel I.11, 1°, WER gekenmerkt als een overeenkomst waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, tegen vergoeding en op permanente wijze belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat. De permanente band duidt op een bepaald, voortdurend en geregeld contact dat de principaal en de handelsagent moeten houden, zonder dat dit voltijds hoeft te zijn. Het kan dus ook uitgeoefend worden als nevenberoep op voorwaarde dat het met regelmaat wordt uitgeoefend
(1). Door die permanente band onderscheidt
(2)de handelsagentuurovereenkomst zich van andere overeenkomsten zoals de lastgeving
(3), de overeenkomst met een zelfstandige bemiddelaar
(4)of de makelaarsovereenkomst
(5), waarvoor de wetgever het toepassingsgebied van boek X, titel 1 WER wilde uitsluiten
(6). De rechter die een makelaarsovereenkomst wenst te herkwalificeren naar een agentuurovereenkomst, moet bijgevolg vaststellen dat er sprake is van dergelijke permanente band tussen partijen. Of er een permanente band bestaat wordt in concreto beoordeeld op basis van de omstandigheden
(7). Het loutere gegeven dat de makelaars-overeenkomst zich qua instrumentum bevindt in het contract waarin de agentuurovereenkomst werd opgenomen, doet, zoals eiseres aanvoert, niet noodzakelijk afbreuk aan het bestaan van een initiële kwalificatie door partijen van twee rechtsverhoudingen in eenzelfde contract, namelijk een makelaars-overeenkomst en de agentuurovereenkomst. Het is slechts wanneer er effectief een onverenigbaarheid wordt vastgesteld met (één van) de kwalificatie(s), dat de rechter die rechtsverhouding kan herkwalificeren. De appelrechter oordeelt in dit verband dat het niet is omdat in de overeenkomst een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de activiteiten als zelfstandig bankagent en de activiteiten inzake kredietproducten en verzekeringsdossiers die onderworpen waren aan onderscheiden wettelijke bepalingen en omdat er werd bedongen dat de bemiddelingsactiviteit van verweerster inzake kredieten en verzekeringen buiten het voorwerp viel van het tussen partijen gesloten agentschapscontract, dit er aan in de weg zou staan dat partijen slechts één overeenkomst hebben gesloten; dat in dit agentschapscontract en zijn bijlagen werd bedongen op welke wijze verweerster haar activiteiten als makelaar in kredieten en verzekeringen diende uit te oefenen; deze activiteiten kaderden in dezelfde contractuele relatie als de zelfstandige bankactiviteit; de vergoedingen voor die makelaarsactiviteiten gebeurden onder de vorm van commissies volgens een barema dat was gehecht aan en integrerend deel uitmaakte van de agentuurovereenkomst en deze vergoedingen ook vermeld werden op dezelfde, door eiseres opgemaakte borderellen en fiscale fiches als de commissies die verweerster ontving als zelfstandig bankagent. De appelrechter concludeert hieruit dat het de wil van partijen is geweest om zowel de bankactiviteit als de krediet -en verzekeringsactiviteit in eenzelfde agentschapscontract onder te brengen. Met deze redenen geeft het arrest bijgevolg te kennen dat alle activiteiten die door verweerster werden ontwikkeld kaderden in dezelfde agentuurovereenkomst en er, gelet op de vaste commissie-afspraken en vaste procedures die verweerster diende na te leven, ook voor de krediet- en verzekeringsactiviteiten, een permanente band bestond tussen partijen op grond waarvan verweerster kon aanspraak maken op een opzeggings- en uitwinningsvergoeding. Het eerste onderdeel dat er van uitgaat dat de appelrechter deze permanente band niet vaststelt kan bijgevolg niet worden aangenomen. (…) 2.
  1. Tweede middel. Het tweede middel richt zich tegen de beslissing omtrent de uitwinningsvergoeding, meer bepaald het oordeel van de appelrechter dat eiseres er niet in slaagt het vermoeden uit artikel X.18, tweede lid WER te weerleggen. Krachtens artikel X.18 WER heeft de handelsagent, na het beëindigen van de overeenkomst recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren. Indien de overeenkomst, zoals te dezen, voorziet in een concurrentiebeding wordt de principaal geacht, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen. 2.2.
  2. Eerste onderdeel. 2.2.1.
  3. Eiseres voert aan dat zij meende dit vermoeden te kunnen weerleggen door aan te voeren dat zij geen aanzienlijk voordeel genoot ingevolge de beëindiging, nu verweerster het tot haar portefeuille behorend cliënteel had aangespoord om zijn rekeningen over te brengen naar haar nieuwe principaal en zij dit staafde met afvloeicijfers. Eiseres voert aan dat de principaal die bewijst geen daadwerkelijk voordeel te hebben genoten het vermoeden van artikel X.18, tweede lid WER weerlegt zodat de appelrechter die oordeelt dat eiseres niet bewijst dat zij geen voordeel kon verwerven zonder na te gaan of zij al dan niet bewijst dat zij geen daadwerkelijk voordeel heeft genoten, dit artikel schendt. Uw Hof oordeelt, in het kader van de met artikel X.18 WER gelijklopende tekst van artikel 20 van de Handelsagentuurwet, dat uit de wet en de parlementaire voorbereiding volgt dat de handelsagent recht heeft op een uitwinningsvergoeding, wanneer naar redelijke verwachting mag worden aangenomen dat de aanbreng van nieuwe klanten of de aanzienlijke uitbreiding van de zaken met bestaande klanten, na de beëindiging van de overeenkomst, de principaal nog aanzienlijke voordelen zal opleveren, hetgeen een zekere bestendigheid van de bedoelde aanbreng of uitbreiding impliceert. Het is evenwel niet vereist dat de aanbreng of de uitbreiding, na de beëindiging van de overeenkomst, daadwerkelijk nog aanzienlijke voordelen oplevert voor de principaal. De vervulling van de voorwaarde dient in de regel te worden beoordeeld op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst. Feiten die dateren van na de beëindiging van de overeenkomst en van aard zijn de verwezenlijking van de voorwaarde in de weg staan, mogen in geen geval in aanmerking worden genomen, wanneer zij aan de principaal zelf toe te schrijven zijn
(8). De appelrechter moet bij de toepassing van voormelde principes dus een prognose maken en het potentieel beoordelen zoals dat bij de beëindiging van de overeenkomst bestaat
(9). Uw Hof oordeelt ook dat indien de handelsagentuurovereenkomst, zoals te dezen het geval is, een concurrentiebeding bevat, er ten gunste van de handelsagent een dubbel vermoeden bestaat, enerzijds dat de handelsagent klanten heeft aangebracht, en anderzijds dat de agentuur de principaal nog aanzienlijke voordelen zal opleveren
(10). De principaal kan evenwel het tegenbewijs leveren dat de agentuur hem geen aanzienlijke voordelen kon opleveren. Het volstaat daarbij niet aan te tonen dat de principaal daarbij niet daadwerkelijk een voordeel heeft genoten. Het tweede onderdeel dat bijgevolg uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. (…) Conclusie: verwerping. ______________________________________________
(1)Y. VAN COUTER, F. PAUWELS en P. DE SMEDT, “Definities eigen aan boek X. Commentaar bij artikel I.11.1°”, Artikelsgewijze commentaar, Mechelen, Kluwer 2015, 146.
(2)Zie B. LAMBRECHT, “Kroniek van 12 jaar rechtspraak over het toepassingsgebied van de Handelsagentuurwet”, DAOR 2007, 392-396; Y. VAN COUTER, F. PAUWELS en P. DE SMEDT, “Definities eigen aan boek X. Commentaar bij artikel I.11.1°”, Artikelsgewijze commentaar, Mechelen, Kluwer 2015, 146-147. Zie ook P.J. NAEYAERT, Handelagentuurovereenkomst in APR, 2019, 29, nr. 30.
(3)B. TILLEMAN, Lastgeving, p. 40, nr. 59.
(4)Y. VAN COUTER, F. PAUWELS en P. DE SMEDT, “Definities eigen aan boek X. Commentaar bij artikel I.11.1°”, Artikelsgewijze commentaar, Mechelen, Kluwer 2015, 146.
(5)Zie de definitie van verzekeringsmakelaar in artikel 5 van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen: “21° /1” de verzekeringstussenpersoon die verzekeringnemers en verzekeringsondernemingen met elkaar in contact brengt, zonder in de keuze van deze verzekeringsondernemingen gebonden te zijn”; en de definitie van kredietmakelaar in artikel I.9, 37°, WER: “een kredietbemiddelaar, met uitsluiting van een verbonden agent, een subagent of een agent in een nevenfunctie, die zijn bemiddelingsactiviteiten uitoefent buiten elke exclusieve agentuurovereenkomst of elke andere juridische verbintenis die hem verplicht zijn hele productie of een bepaald deel ervan te plaatsen bij een of meerdere kredietgevers”.
(6)P. NAEYAERT, Handelsagentuurovereenkomst, APR, 2019, p. 29, nr. 30.
(7)Y. VAN COUTER, F. PAUWELS en P. DE SMEDT, “Definities eigen aan boek X. Commentaar bij artikel I.11.1°”, Artikelsgewijze commentaar, Mechelen, Kluwer 2015, 146.
(8)Cass. 15 mei 2008, AR C.07.0320.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080515.7, AC 2008, nr. 298.
(9)D. MERTENS, Werd vervolgd. De uitwinningsvergoeding wanneer de agent “zijn” cliënteel meeneemt, R.D.C, Larcier 2008, 250.
(10)Cass. 25 maart 2010, AR C.08.0483.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.1, AC 2010, nr. 216. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080515.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.