id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.5 Rolnummer: C.20.0165.N Zaak: U. contra G. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-02-06 Raadplegingen: 607 - laatst gezien 2026-06-19 00:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.5 Fiches 1 - 3 De stedenbouwkundig inspecteur en het college van burgemeester en schepenen zijn als titularissen van de publieke herstelvordering, te beschouwen als benadeelden in de zin van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk wetboek zodat de vijfjarige termijn voor het instellen van de vordering begint te lopen van zodra zij beschikken over alle elementen voor het instellen van de vordering
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 7.7.4 VCRO, voor zijn wijziging bij decreet van 25 april
- Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 7.7.4 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 7.7.4 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 7.7.4 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.20.0165.N Conclusie van Eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eisers, ten laatste in het jaar 2000, in landschappelijk waardevol agrarisch gebied een woning oprichtten zonder over de vereiste stedenbouwkundige vergunning te beschikken. Per mail van 3 augustus 2016 meldde de gemeente het bestaan van deze onvergunde woning aan verweerder met het verzoek proces-verbaal op te stellen. Verweerder gaf hieraan gevolg en dagvaardde eisers, na het verkrijgen van een positief advies vanwege de Hoge raad voor het Handhavingsbeleid, voor de rechtbank van eerste aanleg ter inleiding van de herstelvordering die strekte tot herstel in de oorspronkelijke staat. Dit hield concreet in dat de woning met de bijkomende verhardingen en het afdak/carport, inclusief eventuele vloerplaat en fundamenten dienden te worden afgebroken, de afbraakmaterialen moesten verwijderd worden van het terrein en de bouwput moest opgevuld worden met zuivere teelaarde. Voor de eerste rechter voerden eisers geen verweer en werd de herstelvordering ontvankelijk en gegrond verklaard. In hoger beroep wierpen eisers onder andere de verjaring van de herstelvordering op. De appelrechter volgt hen hierin niet, verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond en bevestigt de bestreden beslissing. Tegen dit arrest van 25 november 2019 van het hof van beroep te Brussel voeren eisers één middel aan.
- Bespreking. 2.
- In het enig middel voeren eisers aan dat bij de toepassing van artikel 7.7.4., eerste lid, VCRO vóór zijn vervanging bij decreet van 25 april 2014, en artikel 2262bis, § 1, tweede lid (Oud) Burgerlijk wetboek de handhavende overheden, zelfs indien zij titularis zijn van het vorderingsrecht inzake herstel, geen persoonlijke schade lijden door een gepleegd bouwmisdrijf en zij niet kunnen worden beschouwd als een benadeelde in de zin van artikel 2262bis, § 1, tweede lid (Oud) Burgerlijk wetboek. De publieke herstelvordering wordt immers ingesteld omwille van een krenking van het algemeen belang, zodat de verjaringstermijn begint te lopen als de gemeenschap kennis heeft van de schade en de daarvoor aansprakelijke. De gemeenschap heeft die kennis, aldus eisers, wanneer haar overheid die kennis heeft. De appelrechter die de datum van kennisgeving aan verweerder in acht neemt als basis voor de beoordeling van de verjaring verantwoordt, aldus eisers, zijn beslissing niet naar recht. 2.
- De rechtsvraag wie in het kader van de beoordeling van de verjaring van een publieke herstelvordering als “benadeelde” in de zin van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud BW kan worden beschouwd, situeert zich, gelet op de gegevens van de zaak, binnen het overgangsrecht van artikel 7.7.4, eerste lid, VCRO. Voor stedenbouwmisdrijven die plaatsvinden vanaf 1 september 2009 voorziet de VCRO in art. 6.1.41, § 5 immers in een specifiek verjaringsregime met termijnen die afwijken van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen en die aanvangen vanaf het ogenblik dat het misdrijf is gepleegd, dus zonder enige kennisnamevereiste. Voor misdrijven gepleegd vóór 1 september 2009, zoals te dezen door de appelrechter vastgesteld, gelden voor de publieke herstelvordering evenwel nog twee verjaringsregimes door een combinatie van de VCRO en het Oud BW. Voor de private vordering tot herstel in natura of tot schadevergoeding van de benadeelde derde geldt daarentegen enkel de verjaringsregeling van het Oud BW
(1). Bij wijze van overgangsregeling bepaalt artikel 7.7.4, eerste lid VCRO dat de aanspraak op een publieke herstelvordering ontstaan vóór 1 september 2009 al naargelang het gebied waarin het misdrijf is gepleegd verjaart na verloop van 10 of 5 jaar te rekenen vanaf 1 september 2009, tenzij de toepassing van artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, (Oud) BW de verjaring eerder zou doen intreden. Indien de herstelvordering op grond van minstens één van de verjaringsregimes verjaard is, is de herstelvordering dus verjaard
(2). 2.3. Krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid Oud BW, is een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering onderworpen aan een dubbele verjaringstermijn. Enerzijds een relatieve termijn die vijf jaar bedraagt en begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Anderzijds een absolute verjaringstermijn die twintig jaar bedraagt en begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. De te dezen te beantwoorden rechtsvraag houdt dus verband met de relatieve verjaringstermijn. Een verjaringstermijn weerspiegelt steeds de visie van de wetgever omtrent het recht een proces in te stellen. Verjaring van dit recht heeft een maatschappelijke bestaansreden omdat het de rechtszekerheid dient en op die manier ook de maatschappelijke rust ten goede komt
(3). Het is dus, naast het belang van de schuldenaar die op die manier beveiligd wordt tegen al te oude aanspraken met bewijsproblemen als gevolg, ingegeven door het maatschappelijk belang en raakt de openbare orde. Dit is hier niet anders. Het was het doel van de wetgever bij het instellen van de relatieve verjaringstermijn met dubbele cumulatieve voorwaarde, om die verjaringstermijn pas te doen lopen als de benadeelde, titularis van het vorderingsrecht, over alle elementen beschikte voor het instellen van de vordering
(4). De hoedanigheid van “benadeelde” wordt met andere woorden in verband gebracht met de hoedanigheid van titularis van het vorderingsrecht
(5)gezien de wetgever wenste te vermijden dat de verjaring zou lopen zonder dat de vordering kan worden ingesteld
(6). Uw Hof bevestigt dit standpunt in zijn rechtspraak door te oordelen dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever als uitgangspunt van de bedoelde verjaring de dag heeft beoogd waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft van alle gegevens die nodig zijn om een aansprakelijkheidsvordering te kunnen instellen
(7). 2.4. De vordering van de herstelvorderende overheid in stedenbouwzaken kan niet worden gelijkgesteld met het optreden van een burgerlijke partij gezien eerstgenoemde vordering ertoe strekt de ten aanzien van het algemeen belang gecreëerde schade te vergoeden en de herstelvorderende overheid in rechte niet optreedt als benadeelde derde ter behartiging van enig eigendomsrecht
(8). Anders dan de burgerlijke partijstelling beoogt deze herstelmaatregel geen vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar wel het beëindigen van een met de wet strijdige toestand die het algemeen belang schaadt. De herstelvorderende overheid oefent aldus een wettelijke opdracht in het algemeen belang uit
(9). Hij krijgt immers van de samenleving de opdracht die materieelrechtelijke aanspraak concreet te verwoorden in een herstelvordering en wanneer hij besluit in zijn hoedanigheid van eiser tot herstel als formele procespartij op te treden, vormt de herstelvordering het voorwerp van zijn eis
(10). Hoewel eisers aldus terecht aanvoeren dat de stedenbouwkundige inspecteur en/of het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de feiten werden gepleegd, geen persoonlijke schade lijden door een gepleegd bouwmisdrijf, zijn zij, gelet op die wettelijke opdracht om de materieelrechtelijke aanspraak tot herstel van de krenking van het algemeen belang te formuleren
(11), wél te aanzien als een benadeelde in de zin van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, BW. Hieruit volgt dat kennis in hun hoofde is vereist om aan de voormelde wil van de wetgever tegemoet te komen en het pas die kennis in hun hoofde is die de verjaringstermijn doet lopen
(12). Dit standpunt wordt ook door een meerderheid in de rechtsleer ondersteund
(13). 2.5. Het middel dat ervan uitgaat dat de stedenbouwkundig inspecteur en het college van burgemeester en schepenen niet als benadeelde in de zin van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, BW kunnen worden beschouwd, faalt aldus naar recht. Conclusie: verwerping. _______________________________________
(1)Zie GwH 29 juli 2010, arrest 94/2010, r.o. B.5.4.
(2)I. VAN GIEL, “Stedenbouwmisdrijven: een praktisch overzicht van de verjaringsregels mbt de strafvordering en de herstelvordering van de herstelvorderende overheid en de benadeelde derde”, TBO 2011, 76.
(3)T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Intersentia 2009, p. 58, nr. 81.
(4)T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Intersentia 2009, p. 66, nr. 90.
(5)Parl.St. Kamer, 1997-98, nr. 1087/7, 4-5 en 9.
(6)Parl.St. Senaat 1997-98, nr. 883/3, 10; L. CORNELIS, Samenlevingsgericht (aansprakelijkheids)recht, Antwerpen, Intersentia 2017, 127-128; T. TANGHE, “De verjaring van buitencontractuele rechtsvorderingen tot schadevergoeding wegens kartelinbreuken: een intrigerend drieluik”, TPR 2018, 1393; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 934.
(7)Cass. 5 september 2014, AR C.12.0605.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140905.7, AC 2014, nr. 494, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(8)GwH, 29 juli 2010, arrest 94/2010, r.o. B.5.3.
(9)Cass.14 mei 2013, AR P.12.1218.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130514.5, AC 2013, nr. 294 met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER.
(10)P. VANSANT, “De gerechtelijke herstelmaatregel” in Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2020, Mechelen, Kluwer 2019, 1232.
(11)Artikelen 6.1.43 j° 6.1.41 VCRO (voor de wijziging ervan bij Vlaams decreet van 25 april 2014).
(12)Zie conclusie van advocaat-generaal C. VANDEWAL vóór Cass.12 mei 2017: “Uit deze bepalingen volgt dat de herstelvordering voor een niet-vergunde vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed, dat niet gelegen is in ruimtelijk kwetsbaar gebied of in openruimtegebied, die dateert van vóór 1 september 2009 niet verjaart vóór 31 augustus 2014, tenzij wanneer vóór die datum in toepassing van artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen reeds meer dan vijf jaar kennis had gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, of wanneer in toepassing van die bepaling vaststaat dat sinds de inbreuk reeds meer dan 20 jaar zijn verlopen, in welk geval de verjaring intreedt bij het verstrijken van die vijfjarige, respectievelijk twintigjarige termijn”.
(13)G. DEBERSAQUES en H. VAN LANDEGHEM, “Handhaving” in B. HUBEAU, W. VANDEVYVERE en G. DEBERSAQUES (eds.), Handboek Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw, Brugge, die Keure 2011, 948-949; B. HUBEAU, H. VAN LANDEGHEM en B. ROELANDTS, “De handhaving in het gewijzigde decreet op de ruimtelijke ordening (Codex RO)” in J. ROZIE (ed.), Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Antwerpen, Intersentia 2012, 221-222; P. VANSANT, “De verjaring van de herstelvordering: het arrest van 13 mei 2003 nader bekeken”, TMR 2003, 626-627; P. VANSANT en B. NELISSEN, “Ook de buurman heeft rechten”, TMR 2010, 15; P. VANSANT, “Verjaring van de publieke herstelvordering” in Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2020, Mechelen, Kluwer 2019, 1288; I. VAN GIEL, “Stedenbouwmisdrijven: een praktisch overzicht van de – grondwettige – verjaringsregels met betrekking tot de strafvordering en de herstelvordering van de herstelvorderende overheid en de benadeelde derde”, TBO 2011, 78; M. MUYLLE en E. WILLEMS, “De bouwovertreding en de overdracht van onroerend goed op de vooravond van het wijzigingsdecreet ruimtelijke ordening. Actuele en toekomstige aandachtspunten voor het notariaat”, Not.Fisc.M. 2009, 20-22. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130514.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140905.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div