id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.8 Rolnummer: C.22.0030.N Zaak: LANDEXPLO WEST contra West-Vlaamse Intercommunale Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-02-10 Raadplegingen: 392 - laatst gezien 2026-06-15 01:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.8 Fiches 1 - 2 Tegen de beslissing over de wettigheid van de onteigening is derdenverzet mogelijk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DERDENVERZET Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 2 en 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Artt. 45 tot en met 61 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 2 en 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Artt. 45 tot en met 61 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Fiche 3 De vordering van de begunstigde van een verkoopbelofte kan bogen op eigendomsbescherming in de zin van artikel 1 Eerste aanvullend Protocol EVRM en kan derdenverzet instellen tegen de beslissing over de wettigheid van de onteigening gezien hij beschikt over een recht dat buiten zijn schuldvordering ligt
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 2 en 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Artt. 45 tot en met 61 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2024, nr. 503, p. 573-
- - COPPENS, Alain; Noot'Onteigening en derdenverzet' Tekst van de conclusie C.22.0030.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eerste verweerster bij besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 2017 in het kader van de definitieve goedkeuring van een GRUP, machtiging werd verleend om gronden te onteigenen. De geviseerde gronden zijn eigendom/ in vruchtgebruik van tweede, derde en vierde verweersters. Vijfde tot en met zevende verweerder zijn houder van zakelijke of persoonlijke rechten op de grond. Nadat eerste verweerster was overgegaan tot dagvaarding van tweede tot en met vierde verweerster overeenkomstig artikel 46 van het Onteigeningsdecreet, wees de vrederechter in het kader van de wettigheidscontrole de vordering van eerste verweerster af als onontvankelijk. De vrederechter oordeelde dat eerste verweerster onvoldoende is tegemoetgekomen aan haar verplichting om, vooraleer de gerechtelijke onteigeningsfase aan te vatten, overeenstemming te bereiken met de eigenaars. Op het hoger beroep van eerste verweerster oordeelt de rechtbank van eerste aanleg bij vonnis van 29 april 2020 dat alle formaliteiten om eerste verweerster tot onteigening te laten overgaan, waren nageleefd en werd een deskundig onderzoek bevolen om de onteigende innemingen gedetailleerd te omschrijven en advies te verlenen over de definitieve vergoeding. Intussen hadden tweede tot en met vierde verweerster op 19 februari 2020 een overeenkomst van ‘tijdelijke wederzijdse verkoop/aankoopbelofte” afgesloten met eiseres als kandidaat koper. Eiseres achtte zich door bovenvermeld vonnis in beroep geschaad in haar rechten die zij kan putten uit de voormelde optieovereenkomst en stelde hiertegen derdenverzet in. Dit derdenverzet werd door de rechtbank van eerste aanleg afgewezen als onontvankelijk. Eiseres voert tegen dit vonnis van 29 september 2021 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge één middel aan.
- Bespreking. De appelrechters besloten tot de niet ontvankelijkheid van het derdenverzet op grond van twee zelfstandige redenen, namelijk de niet verzoenbaarheid van het derdenverzet met de bepalingen en de doelstellingen van het Onteigeningsdecreet, wat door eiseres wordt aangevochten in het eerste onderdeel, en het oordeel dat, zelfs al zou het gemeen gerechtelijk recht worden toegepast, eiseres als een in artikel 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek bedoelde schuldeiser dient te worden beschouwd die geen derdenverzet kan instellen, wat door eiseres in het tweede onderdeel wordt aangevochten. 2.
- Eerste onderdeel. 2.1.
- Eiseres voert, in het kader van de (on)verenigbaarheid van de bepalingen van het onteigeningsdecreet met het buitengewoon rechtsmiddel van derdenverzet, aan dat de beslissing over de wettigheid van de onteigening wel degelijk door derdenverzet kan worden aangevochten conform het Gerechtelijk wetboek, nu de regels van het Gerechtelijk Wetboek van aanvullend recht zijn en het Onteigeningsdecreet geen bepaling bevat betreffende de buitengewone rechtsmiddelen waaronder het derdenverzet. Eerste verweerster voert in de memorie van antwoord aan dat deze redenering niet kan worden gevolgd nu het gehele doel van het Onteigeningsdecreet, namelijk de snelheid van de procedure, en de systematiek ervan, namelijk het snel betrekken van derde-belanghebbenden, haaks staan op de toepasbaarheid van het derdenverzet in deze procedure. 2.1.
- Eerste verweerster kan worden gevolgd in haar analyse over het doel en de systematiek van het Onteigeningsdecreet. Zowel in de memorie van toelichting
(1)als in de rechtsleer
(2)wordt immers gewezen op de doelstelling van snelheid en efficiëntie van de procedure en ook de artikelen 46 en 47 van het Onteigeningsdecreet, inzake de aanhangig making, voorzien inderdaad dat derden zo snel als mogelijk bij de procedure worden betrokken. Evenwel regelt de memorie van toelichting ook uitdrukkelijk de verhouding van het decreet met het Gerechtelijk Wetboek
(3)in die zin dat hetgeen niet uitdrukkelijk is geregeld door het decreet, onder de toepassing valt van de regels uit het Gerechtelijk Wetboek. Dit sluit aan bij de algemene regel zoals vooropgesteld in artikel 2 Gerechtelijk wetboek dat de in dat wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dat wetboek. De vraag rijst dus of de toepassing van het derdenverzet uit het Gerechtelijk Wetboek al dan niet verenigbaar is met de systematiek en de bepalingen van het Onteigeningsdecreet, en meer bepaald met de bepalingen inzake het vonnis over de wettigheid van het onteigeningsbesluit. 2.1.3. Uit de memorie van toelichting blijkt dat wanneer de decreetgever afwijkt van het systeem van de rechtsmiddelen van het Gerechtelijk Wetboek, dit duidelijk wordt aangegeven en verantwoord. Zo bepaalt artikel 54 van het Onteigeningsdecreet uitdrukkelijk dat – weliswaar in een bepaald aantal gevallen – hoger beroep mogelijk is tegen het vonnis dat uitspraak doet over de wettigheid van het onteigeningsbesluit. Het feit dat hoger beroep enkel mogelijk is door de onteigenende instantie wanneer de vrederechter de onteigening onwettig acht, en door elke partij die de wettigheid heeft betwist wanneer de vrederechter de onteigening wettig acht en toelaat, wordt in de memorie van toelichting verantwoord als een uitzondering voorzien in artikel 616 Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat tegen ieder vonnis hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt
(4). Artikel 54, § 1, Onteigeningsdecreet is aldus te aanzien als een specifieke regeling van het hoger beroep tegen het vonnis inzake de wettigheid. Van het buitengewoon rechtsmiddel van het derdenverzet wordt in de memorie van toelichting nergens gewag gemaakt. Er wordt ook nergens aangegeven dat dit rechtsmiddel niet kan worden aangewend. Het Onteigeningsdecreet sluit derhalve de toepassing niet uit van het gemeenrechtelijk derdenverzet tegen een rechterlijke beslissing over de wettigheid van de onteigening. 2.1.4. Eerste verweerster voert aan dat, nu er overeenkomstig artikel 52, § 1 van het onteigeningsdecreet geen enkel rechtsmiddel openstaat tegen het vonnis inzake de provisionele vergoeding, ook geen derdenverzet kan worden toegestaan tegen het vonnis inzake de wettigheid van het onteigeningsbesluit. Dit standpunt lijkt me moeilijk te kunnen worden gevolgd nu beide beslissingen betrekking hebben op twee onderscheiden fases van de procedure. Het ontbreken van een beroepsmogelijkheid met betrekking tot het vonnis inzake de provisionele vergoeding, wordt in de memorie van toelichting specifiek vanuit het provisionele karakter van die vergoeding en de belangen van de onteigende verrechtvaardigd. Er wordt op gewezen dat deze provisionele en dus per definitie voorlopige vergoeding, slechts een tussenstap vormt om de inbezitneming mogelijk te maken en het hoger beroep hiertegen, wegens het voorlopige karakter ervan, weinig zin heeft en een uitspraak over een definitieve vergoeding onnodig zou uitstellen, wat in het nadeel is van de onteigende
(5). Deze verantwoording valt moeilijk uit te breiden naar het vonnis inzake de wettigheid van de onteigening, wel integendeel, nu bij een vonnis over de wettigheid van het onteigeningsbesluit het net in het belang is van de onteigende en van derden dat hiertegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. 2.1.5. Eerste verweerster voert tevens aan dat, nu de artikelen 46 en 47 van het Onteigeningsdecreet inzake de aanhangigmaking voorzien dat derden zo snel als mogelijk bij de procedure worden betrokken, geen derdenverzet kan worden toegestaan tegen het vonnis inzake de wettigheid van het onteigeningsbesluit. De regel om derden zo snel als mogelijk bij te procedure te betrekken is ingegeven ter bescherming van derden die een persoonlijk (of zakelijk) recht genieten op het te onteigenen goed in het kader van artikel 1 EAP EVRM
(6). Indien het onmogelijk is bepaalde derden via de procedure in de artikelen 46 en 47 Onteigeningsbesluit te betrekken bij de procedure, omdat zij op dat ogenblik niet gekend zijn, lijkt het mij dat aan deze derden minstens moet worden toegestaan het buitengewoon rechtsmiddel van derdenverzet – onder de voorwaarden zoals vooropgesteld in het Gerechtelijk Wetboek – aan te wenden zodat zij alsnog bij de procedure worden betrokken. 2.1.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het buitengewoon rechtsmiddel van het derdenverzet overeenkomstig de gemeenrechtelijke regeling van het Gerechtelijk Wetboek aldus niet onverenigbaar is met de inhoud en de structuur van het Onteigeningsdecreet, in het bijzonder betreffende de bepalingen het vonnis over de wettigheid van het onteigeningsbesluit. Het eerste onderdeel komt gegrond voor. 2.
- Tweede onderdeel. In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat indien het gemeen gerechtelijk recht wordt toegepast, eiseres als begunstigde van een verkoopbelofte te beschouwen is als een schuldeiser die beschikt over een recht dat buiten zijn schuldvordering op de belover ligt en aan wie het bijgevolg, overeenkomstig artikel 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek, wel toegelaten is derdenverzet in te stellen. 2.2.
- Krachtens artikel 1122, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan. Artikel 1122, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek sluit een aantal derden uit van het recht op derdenverzet, waaronder de schuldeisers, behalve wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten hun schuldvordering ligt. Het principe van de uitsluiting van het derdenverzet vindt haar grondslag in het beginsel dat de schuldeiser de fluctuaties in het vermogen van zijn debiteur dient te ondergaan
(7). Op deze regel zijn er dan weer drie uitzonderingen, namelijk dat de schuldeiser niet mag worden benadeeld door het bedrog van zijn schuldenaar; de schuldeiser ook nog bescherming kan genieten tegen de inkrimping van het vermogen van zijn schuldenaar door het bekomen van hypotheken of voorrechten en de schuldeiser ook de veranderingen in het vermogen van zijn schuldenaar niet moet ondergaan wanneer hij zich kan beroepen op enig recht dat buiten zijn schuldvordering ligt. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt een kruislingse optieovereenkomst, waarbij eiseres de beneficiaris is van een verkoopbelofte of van een aankoopoptie of calloptie. In dit geval kent de belover aan de begunstigde het recht toe, om indien de begunstigde dit wenst, de belover te verplichten een goed te verkopen
(8). Een optieovereenkomst verleent een louter vorderingsrecht en dus geen zakelijk recht
(9). Het is de belover van een optie die het volledige eigendomsrecht behoudt en zakelijke rechten op het goed kan toestaan
(10). De verbintenis voor de belover betreft enerzijds een verbintenis om iets te doen, namelijk de belofte handhaven en eventueel nakomen, en anderzijds een verbintenis om iets te laten, namelijk de belofte intrekken of het goed hangende de termijn van de optie aan een derde verkopen. Het meewerken aan het verlijden van de notariële akte, bij het lichten van de optie, zit noodzakelijk verweven in de verbintenis om iets te doen. De verkoop is immers pas rond bij het verlijden van die notariële akte. In die omstandigheden is geen sprake van een ‘ander recht dat buiten de schuldvordering van de schuldeiser ligt’, en is er bijgevolg in hoofde van eiseres als gewone schuldeiser geen derdenverzet mogelijk. Het tweede onderdeel kan niet worden aangenomen. 2.3. Gezien de beslissing tot het niet ontvankelijk verklaren van het derdenverzet steunt op deze zelfstandige, in het tweede onderdeel tevergeefs bekritiseerde reden kan het eerste onderdeel, ook al is het gegrond, niet tot cassatie leiden. Conclusie: gedeeltelijke cassatie met verwijzing. __________________________________________
(1)MvT, Ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Parl.St. Vlaams Parlement, 2016-17, nr. 991/1, 4-5.
(2)Zie bv.: T. DE WAELE, “Rechtsbescherming in het nieuwe Vlaamse onteigeningsdecreet: een onvoltooide symfonie”, TROS 2020, 257; S. VERBIST en C. BUGGENHOUDT, “Het Vlaams onteigeningsdecreet in veertien doelstellingen” in Themis Publiekrecht, die Keure, Brugge 2017, 92; S. VERBIST en C. BIMBENET, “Het Vlaams Onteigeningsdecreet. Vloek of zegen voor lokale besturen?”, T.Gem. 2018, 38.
(3)MvT, Ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Parl.St. Vlaams Parlement, 2016-17, nr. 991/1, 76. Zie ook: F. CHARLIER, “Algemene krijtlijnen van het onteigeningsrecht” in Het onroerend goed in de praktijk, XVII.A-V-XVII.A-123, Mechelen, Kluwer 2018, 51.
(4)Memorie van toelichting bij het Ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Parl.St. Vlaams Parlement, 2016-17, nr. 991/1, 85.
(5)Memorie van toelichting bij het Ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Parl.St. Vlaams Parlement, 2016-17, nr. 991/1, 84.
(6)Zie Memorie van toelichting bij het Ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Parl.St. Vlaams Parlement, 2016-17, nr. 991/1, 80.
(7)H. BOULARBAH en C. MARQUET, Tierce opposition, Brussel, Bruylant 2012, 70; G. DE LEVAL et al., Procédure civile, II, Voies de Recours, vol. 2, Brussel, Larcier, 2021, 484; J. LAENENS, P. THIRIAR et al., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 827; K. WAGNER, “Derdenverzet: art. 1122 Ger.W.” in Artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk Wetboek, Mechelen, Kluwer 2002,
(1)17.
(8)N. PORTUGAELS, “Inleiding tot opties en optiebedingen” in Knelpunten opties, Antwerpen, Intersentia 2013, 3-4.
(9)Zie Cass. 12 december 1991, AR 8929, AC 1991, nr. 198; N. PORTUGAELS, “Inleiding tot opties en optiebedingen” in Knelpunten opties, Antwerpen, Intersentia 2013, 4. Zie ook Cass. 12 december 1991, AR 8929, AC. 1991, nr. 198.
(10)N. PORTUGAELS, “Inleiding tot opties en optiebedingen” in Knelpunten opties, Antwerpen, Intersentia 2013, 5. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div