id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.9 Rolnummer: C.22.0153.N Zaak: ALPHA CLASSICAL CLEANING contra KBC BANK Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-02-15 Raadplegingen: 1138 - laatst gezien 2026-06-18 23:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.9 Fiches 1 - 2 De aansteller van de dader van een opzettelijke fout kan zich ten aanzien van de mededader niet beroepen op diens nalatigheid of onvoorzichtigheid en is gehouden tot integraal herstel van de schade van de mededader
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382, 1383 en 1384, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel 'fraus omnia corrumpit' Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Meesters. Aangestelden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382, 1383 en 1384, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel 'fraus omnia corrumpit' Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 40, p. 1580-
- - LENAERTS, Annekatrien; Noot'Invloed van de opzettelijke fout van de aangestelde op de verdeling van de schadelast in de contributoire verhouding tussen de aansteller en een nalatige mededader' Tekst van de conclusie C.22.0153.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiseres een professionele schoonmaakonderneming is. Een aangestelde van eiseres ontvreemdde tijdens het schoonmaken van de kantoren van Thomas Cook een aantal getekende cheques. Ze paste hierop de begunstigde aan naar haar eigen naam en inde deze cheques in een filiaal van verweerster voor een totale som van 12.803,31 euro. De aangestelde van eiseres werd door de correctionele rechtbank veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, gebruikmaking van vervalste stukken, ontvreemding van cheques en het zich bedrieglijk toe-eigenen van gelden. De benadeelde, Thomas Cook, werd door verweerster volledig vergoed. Verweerster vorderde daarop van eiseres terugbetaling van die volledige schadevergoeding. De appelrechter oordeelt dat die vordering gegrond is, niettegenstaande ook verweerster ten aanzien van Thomas Cook aansprakelijk is, gezien haar aangestelde bij het verwerken van de cheques had kunnen vaststellen dat deze vervalst waren en zij zich, door alsnog over te gaan tot uitbetaling van de cheques, schuldig heeft gemaakt aan een grove fout waardoor Thomas Cook schade heeft geleden. De appelrechter oordeelt dat wanneer de schade is veroorzaakt door samenlopende fouten, het verhaal tussen de aansprakelijke personen in principe beperkt is tot het aandeel van de medeaansprakelijke in de aansprakelijkheid, maar “Fraus omnia corrumpit” hierop een uitzondering vormt omdat het verhindert dat de dader van een opzettelijk misdrijf voordeel kan halen uit zijn oneerlijkheid. Eiseres is als aansteller, krachtens artikel 1384, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek voor dezelfde schade aansprakelijk ten aanzien van Thomas Cook en de aansteller van de dader van een opzettelijk misdrijf kan, ten gevolge van dit onweerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid, evenmin aanspraak maken op een vermindering van de vergoedingen. Tegen dit arrest van 24 november 2021 van het hof van beroep te Gent voert eiseres één middel aan waarin zij stelt dat het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit” niet tot gevolg heeft dat de persoon die ten opzichte van het slachtoffer aansprakelijk is voor een opzettelijk misdrijf begaan door een persoon voor wie hij instaat, ten aanzien van de medeaansprakelijke verantwoordelijk dient te worden gesteld voor de volledige schade en dient te worden veroordeeld om aan de medeaansprakelijke die het slachtoffer volledig heeft vergoed, de volledige schadevergoeding terug te betalen.
- Bespreking. 2.
- Wanneer een slachtoffer schade lijdt waarvoor verschillende personen aansprakelijk zijn, kan het slachtoffer iedere schadeverwekker aanspreken voor het geheel, evenwel zonder dat hij méér vergoed kan zien dan de werkelijk geleden schade. In de obligatioverhouding tot de benadeelde is er van een verdeling tussen aansprakelijken dus geen sprake, nu al de voorwaarden noodzakelijk voor het tot stand komen van een schadegeval worden geacht een gelijke of equivalente causale rol te hebben gespeeld
(1). De equivalentieleer helt op dit punt over in het voordeel van de benadeelde en in het nadeel van de aansprakelijken doordat ongeacht de aard van de fout
(2)deze als aanknopingspunt wordt gebruikt voor aansprakelijkheid indien de fout in een noodzakelijk oorzakelijk verband staat met de schade. Evenwel wordt het evenwicht tussen medeaansprakelijken onderling in beginsel hersteld op het niveau van de contributoire verhouding. Een normale toepassing van de equivalentieleer vereist immers dat elke dader wiens fout in een noodzakelijk oorzakelijk verband staat met de schade, een deel van de schadelast draagt volgens de causale bijdrage van zijn fout
(3). De schadelast mag dus in beginsel niet worden afgewenteld op één enkele dader en de aansprakelijke die de schadelijder volledig heeft vergoed zal daarom over een regresvordering beschikken jegens zijn medeaansprakelijke(n). Welke verdeelsleutel moet worden gehanteerd wordt door de feitenrechter vastgesteld. Het komt hem toe te oordelen in welke mate de fout van ieder van de aansprakelijken heeft bijgedragen tot de schade en op basis daarvan het aandeel in de schade te bepalen dat de aansprakelijke die de schadelijder heeft vergoed, van de anderen kan terugvorderen. Bij samenloop van fouten van derden, gebeurt het herstel van het evenwicht door een verdeling van de schadelast, op het niveau van de regresvordering. Ingeval van samenloop van een fout van een derde met een fout van de benadeelde zelf, gebeurt het herstel van het evenwicht in beginsel onmiddellijk door een verdeling van aansprakelijkheid
(4). Indien er echter samenloop is van een onopzettelijke fout van de benadeelde met een opzettelijke fout van de dader erkent uw Hof evenwel een uitzondering op de regel van aansprakelijkheidsverdeling
(5). Uw Hof oordeelt immers dat de dader van een opzettelijke fout de nalatigheid of de onvoorzichtigheid van het slachtoffer niet mag inroepen om een verdeling van de aansprakelijkheid te verkrijgen, en dit op basis van het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit. De dader van de opzettelijke fout zal dan uitzonderlijk de volledige schadelast moeten dragen en het Hof schakelt dus de normale toepassing van de equivalentieleer uit, die een verdeling van aansprakelijkheid zou rechtvaardigen, waardoor de dader van de opzettelijke fout in de mogelijkheid zou worden gesteld om – minstens gedeeltelijk – een voordeel te halen uit die verdeling van aansprakelijkheid
(6). Dat Uw Hof het beginsel Fraus omnia corrumpit niet toepast in de contributoire verhouding tussen medeaansprakelijken die beide een opzettelijke fout hebben begaan, doet hieraan niets af, omdat het in die optiek logisch is dat, in de onderlinge verhouding tussen de mededaders, elke dader gehouden is tot zijn aandeel in de schadelast, zonder dat de ene mededader de volledige schadelast op de andere kan afwentelen
(7). Daarentegen is moeilijker in te passen in voormelde redenering het standpunt dat
(8)“het voor de toepassing van de regel dat, - wanneer schade is veroorzaakt door de samenlopende fouten van verschillende personen, het aan de rechter staat om, in de wederkerige betrekkingen tussen degenen die deze fouten hebben begaan, te oordelen in welke mate de fout van ieder van hen heeft bijgedragen tot de schade en op basis daarvan het aandeel in de schade te bepalen dat één van de daders die de schadelijder heeft vergoed, van de anderen kan terugvorderen - niet ter zake doet dat sommige samenlopende fouten opzettelijk zijn en andere niet”. De kerngedachte van het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit is immers dat de bedrogpleger geen enkel voordeel mag putten uit zijn bedrog ten gevolge van een rechtshandeling of de toepassing van een rechtsregel
(9). Met andere woorden, uit een bedrieglijke gedraging kan geen enkel recht ontstaan en de toepassing van een rechtsregel, die verkregen is in aanwezigheid van bedrog, moet dus volledig worden uitgeschakeld
(10). Wanneer een rechtssubject aan een ander opzettelijk schade wil toebrengen, moeten de rechtsgevolgen van die gedraging dus volledig worden geneutraliseerd
(11), evenwel met dien verstande dat aan een rechtsregel enkel de uitwerking mag worden ontnomen in de mate dat dit nodig is om te verhinderen dat het bedrieglijk beoogde, verboden resultaat wordt bereikt
(12). Het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit heeft dus slechts een corrigerende werking ten aanzien van rechtsregels waarvan de toepassing tot gevolg zou hebben dat een dader van een opzettelijke fout datgene zou verkrijgen of behouden wat hij met zijn bedrog voor ogen had. Wanneer de toepassing van een rechtsregel dergelijk gevolg niet heeft, behoudt deze haar normale uitwerking
(13). Deze neutralisatiegedachte van de rechtsgevolgen van een bedrieglijke gedraging werd ook verankerd in artikel 1.11 van het Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek dat weldra in werking treedt
(14), en krachtens hetwelk de opzettelijke fout, gepleegd met het oogmerk te schaden of uit winstbejag, de dader geen voordeel mag verschaffen
(15). Gezien de neutralisatiegedachte van voormeld rechtsbeginsel, moet het principe dat de dader van een opzettelijke fout de fout van de andere partij niet mag inroepen, op een algemene wijze worden toegepast op alle fouten met een bedrieglijk karakter
(16)en dus niet enkel op de situatie van samenloop met een onopzettelijke fout van de benadeelde zelf. Het is enkel het intentionele element van het gedrag van de bedrieger dat doorslaggevend is, terwijl het minder van belang is tegen wie de bedoeling om te schaden is gericht
(17). In de rechtsleer wordt daarom, mijns inziens terecht, op ruime schaal verdedigd dat een opzettelijk handelende dader die het slachtoffer in de obligatoire verhouding volledig heeft vergoed, in de contributoire verhouding met de medeaansprakelijken, geen regresrecht mag hebben tegen één (of meer) mededader(s) die slechts nalatig zijn geweest. En ook omgekeerd dat een onopzettelijk handelende dader die het slachtoffer volledig heeft vergoed, wel een volledig regresrecht heeft tegen de mededader die een opzettelijke fout heeft gepleegd. Bij de interne verdeling van de schadelast moet de dader van het opzet dus uitzonderlijk de volledige schadelast dragen
(18). Dit standpunt ligt ook in lijn met het toekomstig buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, meer bepaald artikel 5.189, derde lid
(19), dat het principe - gebaseerd op het adagium Fraus omnia corrumpit - dat een aansprakelijke die de schade met opzet heeft veroorzaakt, zich niet kan beroepen op een fout van de benadeelde om vermindering van zijn aansprakelijkheid te bekomen, doortrekt tot de verhouding tussen medeaansprakelijken en er dus geen regres kan worden uitgeoefend tegen medeaansprakelijken die niet met hetzelfde opzet hebben gehandeld
(20). 2.2. Te dezen rijst echter de bijkomende vraag of het principe dat de opzettelijk handelende dader in de contributoire verhouding met de onopzettelijk handelende mededader(s) de volledige schadelast moet dragen, kan worden doorgetrokken naar de aansteller die aansprakelijk is voor de opzettelijke fout van zijn aangestelde op grond van artikel 1384, derde lid, Oud BW. Uw Hof oordeelt
(21), in bevestigende zin, dat “artikel 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek voorziet in een onweerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid ten laste van de aansteller voor de schade die door de fout van de aangestelde veroorzaakt werd in de bediening waartoe de aansteller hem gebezigd heeft en de aansteller van de dader van een opzettelijk misdrijf bijgevolg geen aanspraak kan maken op een vermindering van de aan het slachtoffer van dat misdrijf verschuldigde vergoedingen wegens de onvoorzichtigheden of nalatigheden die dat slachtoffer zou hebben begaan”. Evenmin als de aangestelde zelf, die een opzettelijke fout heeft gepleegd, kan de aansteller dus, gelet op het beginsel Fraus omnia corrumpit, aanspraak maken op een verdeling vanaansprakelijkheid jegens het slachtoffer dat slechts een nalatigheid heeft begaan. Gelet op wat hiervoor werd gezegd dient deze redenering ook analoog te worden toegepast in een situatie van samenloop van een opzettelijke fout van de aangestelde met een onopzettelijke fout van één (of meer) mededader(s). Net zomin als de aangestelde zelf die een opzettelijke fout heeft gepleegd, kan de aansteller in de contributoire verhouding tussen medeaansprakelijken ten aanzien van de mededader, die een onopzettelijke fout heeft begaan, aanspraak maken op diens aandeel in de schade. Waar het op het eerste gezicht misschien moeilijk aanvaardbaar lijkt de aansteller, die niet zelf het opzet heeft gepleegd, toch de volledige schadelast te laten dragen, omdat dit lijkt in te gaan tegen de idee dat opzet persoonlijk is en dat enkel de dader van dit opzet geen voordeel mag halen uit zijn bedrog door uitschakeling van de equivalentieleer
(22), is dit een misvatting nu het feit dat de aansteller van de dader van een opzettelijke fout de gehele schadelast moet dragen ten aanzien het slachtoffer of een mededader die een nalatigheid heeft begaan, niet voortvloeit uit de werking van het beginsel Fraus omnia corrumpit – dat enkel de dader van het opzet zelf viseert – maar wel uit artikel 1384, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek, en de daarin vervatte objectieve- of risicoaansprakelijkheid van de aansteller
(23). Wie aansprakelijk is op grond van een risicoaansprakelijkheid, is dit niet omdat hij zelf een fout heeft begaan – of vermoed wordt een fout te hebben begaan – maar enkel en alleen omdat de wetgever of de rechtspraak hem een waarborgverbintenis heeft opgelegd. De objectieve aansprakelijkheid van artikel 1384, derde lid, Oud BW is dus volledig losgekoppeld van een fout van de aansteller. Daarenboven kan de persoon op wie de waarborgverbintenis rust, zich niet beroepen op excepties/uitsluitingsgronden waarop de persoon voor wie hij moet instaan zich evenmin kan beroepen
(24). In het geval van een opzettelijke fout van de aangestelde, kan de aansteller dus niet ontsnappen aan zijn aansprakelijkheid door hetzij een eigen exceptie/uitsluitingsgrond in te roepen die erin bestaat dat hij zelf geen opzet heeft gepleegd, hetzij, op grond van een eigen exceptie/uitsluitingsgrond, de onopzettelijke fout van het slachtoffer of van een mededader in te roepen om tot een verdeling van aansprakelijkheid of van de schadelast te komen
(25). Het standpunt van Uw Hof
(26)dat, ingeval de aansteller zelf slachtoffer is geworden van de samenlopende fouten van zijn aangestelde die een opzettelijke fout had gepleegd en een derde mededader, die een nalatigheid had begaan, het beginsel Fraus omnia corrumpit niet verhindert dat de aansteller, als slachtoffer, op grond van art. 1382 en 1383 Oud BW een verhaal heeft tegen de medeaansprakelijke derde die een onopzettelijke fout heeft gepleegd, doet hieraan niets af. In tegenstelling tot de zaak die thans voorligt, was art. 1384, derde lid, Oud BW in de zaak die toen voorlag niet van toepassing, nu het hierin verankerde vermoeden van aansprakelijkheid van de aansteller enkel geldt ten aanzien van benadeelde derden, en niet in de verhouding tussen de aansteller en de aangestelde zelf
(27). Door de voormelde objectieve aansprakelijkheid kan het slachtoffer zich aldus tegen de meest solvabele persoon richten
(28)en wordt hem dus een bijkomende garantie geboden. De objectieve aansprakelijkheid speelt dus vooral in functie van het maatschappelijk nut
(29). Dit hoeft echter niet te betekenen dat de aansteller in voorkomend geval in de kou blijft staan als gedupeerde van een opzettelijk misdrijf begaan door zijn aangestelde. Vooreerst wordt de aansteller die het slachtoffer of een mededader van de aangestelde volledig heeft vergoed, gesubrogeerd in de rechten van dit slachtoffer of die mededader, krachtens art. 1251, 3°, Oud BW, en heeft hij op die grond een regres tegen de dader, zijn aangestelde. Zo komt het geheel van de schadelast uiteindelijk wel te liggen bij de aangestelde die persoonlijk opzet heeft gepleegd, uiteraard voor zover deze niet onvermogend is. Ook de aansprakelijkheidsverzekeraar van de aansteller blijft tot dekking gehouden. Opzet in de zin van art. 62, eerste lid, Wet Verzekeringen is immers strikt persoonlijk. Het recht op verzekeringsdekking kan enkel worden ontzegd aan diegene die de opzettelijke fout persoonlijk heeft begaan
(30). De aansteller is weliswaar objectief aansprakelijk voor de opzettelijke fout van zijn aangestelde, maar hij heeft dit opzet niet persoonlijk begaan. De opzettelijke fout van de aangestelde zal dus geen grond kunnen vormen om de aansteller uit te sluiten van verzekeringsdekking. 2.3. Uit wat voorafgaat volgt dat de aansteller van de dader van een opzettelijke fout, ten aanzien van de mededader die een nalatigheid of onvoorzichtigheid heeft begaan, geen aanspraak kan maken op diens aandeel in de schade, en, omgekeerd, dat de onopzettelijk handelende mededader die het slachtoffer volledig heeft vergoed, over een integraal regresrecht beschikt tegen de aansteller van de dader van de opzettelijke fout. Het enig middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt bijgevolg naar recht. Conclusie: verwerping. ________________________________________
(1)T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, “Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht”, Antwerpen, Intersentia 2009, 765.
(2)Zie Cass. 26 mei 2020, AR P.20.0169.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.4, AC 2020, nr. 317.
(3)Cass. 26 mei 2020, AR P.20.0169.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.4, AC 2020, nr. 317; Cass. 9 september 2015, AR P.15.0653.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150909.3, AC 2015, nr. 497.
(4)Cass. 30 september 2015, AR P.14.0474.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150930.2, AC 2015, nr. 568; Cass. 6 november 2002, AR P.01.1108.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021106.16, AC 2002, nr. 584; H. BOCKEN, “Toerekening van aansprakelijkheid op grond van de equivalentieleer”, in B. Tilleman en I. Claeys (eds) Buitencontractuele aansprakelijkheid, Die Keure 2004, p. é en 244.
(5)Cass. 9 oktober 2007, AR P.07.0604.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.4, AC 2007, nr. 465; Cass. 6 november 2002, AR P.01.1108.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021106.16, AC 2002, nr. 584.
(6)A. LENAERTS, “Fraus omnia corrumpit: autonome rechtsfiguur of miskend correctiemechanisme?”, RW 2013-14, 369, nr. 14.
(7)Cass. 30 september 2021, AR C.20.0591.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.6, AC 2021, nr. 601.
(8)Cass. 2 oktober 2009, AR C.08.0168.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091002.4, AC 2009, nr. 548 waar het middel een uitdrukkelijke schending had aangevoerd van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit.
(9)Cass. 21 december 2018, AR C.18.0154.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181221.2, AC 2018, nr. 733; Cass. 18 maart 2010, AR C.08.0502.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100318.5, AC 2008, nr. 196; A. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Brugge, die Keure 2013, nr. 305.
(10)A. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Brugge, die Keure 2013, nr. 304.
(11)L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia 2000, nr. 244; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, I, Brussel, Bruylant 1962, nr. 55; A. LENAERTS, o.c., nr. 300.
(12)Cass. 30 september 2021, AR C.21.0002.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.10, AC 2021, nr. 602; Cass. 18 juni 2021, AR C.20.0547.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.3, AC 2021, nr. 455; Cass. 3 oktober 2019, AR C.18.0438.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.4, AC 2019, nr. 499; A. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Brugge, die Keure 2013, nr. 300; P. VAN OMMESLAGHE, Les obligations, II/1 in De Page Traité de droit civil belge, Brussel, Bruylant 2013, 482, nr. 308.
(13)S. GUILIAMS, De contributio-verhouding bij samenlopende opzettelijke fouten van derden, noot onder Cass. 30 september 2021, RW, 5 november 2022, p. 373-374, met verwijzing naar M. KRUITHOF, “Een kritische analyse van enkele recente cassatiearresten over schadevergoedingsrecht” in M. Kruithof (ed.), Inzichten in actueel aansprakelijkheidsrecht en verzekeringsrecht. II de Interuniversitair Congres over Aansprakelijkheids- en Verzekeringsrecht (ICAV II), Antwerpen, Intersentia 2018, 41; A. LENAERTS, “Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht. Autonome rechtsfiguur of miskend correctiemechanisme?”, Brugge, die Keure 2013, 212 en 225; D. WUYTS, “Verzekeringsfraude”, Antwerpen, Intersentia 2014, 130 en 181-183.
(14)De wet van 28 april 2022 houdende boek 1 'Algemene bepalingen' van het Burgerlijk Wetboek werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 1 juli 2022. De wet treedt in werking op 1 januari 2023.
(15)Deze bepaling is een verankering van voormeld algemeen rechtsbeginsel (MvT, Parl.St., Kamer, 2020-2021, doc. 55, nr. 1805/001, p. 24.) en tegelijk een verfijning van de rechtspraak van uw Hof, gezien het enkel het bestaan van een opzettelijke fout vereist, gepleegd met een oogmerk te schaden of winst te behalen, zonder dat er noodzakelijkerwijs fraude of misleiding geweest moet zijn. Het plegen van een opzettelijk misdrijf is dus voldoende voor de toepassing van de regel in voormelde bepaling (MvT, Parl.St., Kamer, 2020-2021, doc. 55, nr. 1805/001, p. 26.
(16)J.-L. FAGNART, La causalité, Waterloo, Kluwer 2009, nr. 522; P. VAN OMMESLAGHE, Les obligations in De Page Traité de droit civil belge, II/2, Brussel, Bruylant 2013, 1643, nr. 1115; J.-F. ROMAIN, Théorie critique du principe général de bonne foi en droit privé, Brussel, Bruylant 2000, nrs. 222 en 341.2.1.
(17)B. WEYTS, “Fraus omnia corrumpit in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht: geen aansprakelijkheidsverdeling in geval van opzet” (noot onder Cass. 6 november 2002), RW 2002-03, 1632, nr. 7 zie ook S. GUILIAMS, “De verdeling van de schadelast bij samenloop van een opzettelijke en een onopzettelijke fout”, RW 2010-11, 484, nr. 23.
(18)H. BOCKEN en I. BOONE, “Causaliteit in het Belgische recht”, TPR 2002, 1656, nr. 30, vn. 125; I. BOONE, “Invloed van opzettelijke fout op verdeling van de schadelast tussen medeaansprakelijken” (noot onder Cass. 2 oktober 2009), NjW 2010, 323; E. DE KEZEL, “Opzet, aansprakelijkheid en intern regres: verandert het Hof van Cassatie het geweer van schouder?” (noot onder Cass. 18 maart 2010), RABG 2010, 1299; S. GUILIAMS, “De verdeling van de schadelast bij samenloop van een opzettelijke en een onopzettelijke fout”, RW 2010-11, 484-485, nrs. 22-25; A. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Brugge, die Keure 2013, nr. 200; A. LENAERTS, “Le recours contributoire entre coobligés in solidum et l’influence de la faute intentionnelle: fraus omnia corrumpit?” (noot onder Cass. 2 oktober 2009), JT 2010, 534-535; M. VAN QUICKENBORNE, Oorzakelijk verband tussen onrechtmatige daad en schade in Recht en praktijk, Mechelen, Kluwer 2007, nr. 131; B. WEYTS, “Geen toepassing van Fraus omnia corrumpit bij in solidum aansprakelijkheid: un accident de parcours?” (noot onder Cass. 2 oktober 2009), T.Verz. 2010, 447-448). Zie in de Franstalige rechtsleer: C. DALCQ, “Une nouvelle application du principe fraus omnia corrumpit” (noot onder Cass. 30 september 2015), RGAR 2016, nr. 15287.
(19)Artikel 5.189, derde lid van het Voorontwerp van wet van 1 september 2019 houdende invoeging van de bepalingen betreffende buitencontractuele aansprakelijkheid in het Burgerlijk Wetboek, raadpleegbaar op: https://justitie.belgium.be/nl/bwcc.
(20)Memorie van toelichting bij het Voorontwerp van wet houdende invoeging van de bepalingen betreffende buitencontractuele aansprakelijkheid in het Burgerlijk Wetboek, p. 221-222, raadpleegbaar op: https://justitie.belgium.be/nl/bwcc” artikel 5.170 bepaalt dat een aansprakelijke die de schade met opzet heeft veroorzaakt, zich niet kan beroepen op een fout van de benadeelde om vermindering van zijn aansprakelijkheid te bekomen. Deze regel is gebaseerd op het adagium Fraus omnia corrumpit. Het ontwerp trekt dit uitgangspunt in het derde lid van artikel 5.189 door tot de verhouding tussen medeaansprakelijken.
(21)Cass. 30 september 2015 AR P.14.0474.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150930.2, AC 2015, nr. 568.
(22)T. DERVAL, “L’application du principe Fraus omnia corrumpit en matière aquilienne” (noot onder Cass. 30 september 2015), TBBR 2016, 556-557, nr. 27.
(23)zie A. LENAERTS, “L’influence de la faute intentionnelle du préposé sur le partage de responsabilités entre le commettant et la victime négligente: application par répercussion du principe fraus omnia corrumpit?” (noot onder Cass. 30 september 2015), JT 2015, 844 e.v.
(24)H. BOCKEN en I. BOONE, m.m.v. M. KRUITHOF, Buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en andere schadevergoedingsstelsels, Brugge, die Keure 2014, 165-166, nrs. 262 en 263; S. GUILIAMS, o.c., RW 2017-18, 148, nr. 8.
(25)In de rechtsleer wordt terecht benadrukt dat deze oplossing niet kan worden uitgebreid naar andere aansprakelijkheden voor andermans daad, zoals de aansprakelijkheid van ouders en leerkrachten op grond van resp. art. 1384, tweede en vierde lid, Oud BW, voor zover deze niet als een objectieve aansprakelijkheid worden beschouwd, maar het vermoeden van aansprakelijkheid steunt op een persoonlijke fout van de aansprakelijke. Deze laatsten kunnen dat vermoeden weerleggen door aan te tonen dat zij geen eigen fout hebben begaan in de bewaking over of in de opvoeding van het kind), of dus dat zij ontoerekenbaar zijn (Cass. 4 maart 2015, AR P.14.1873.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150304.4, AC 2015, nr. 159: ouders; Cass. 10 oktober 2003, AR C.02.0628.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031010.4, AC 2003, nr. 490 en Cass. 25 januari 1993, AR 9385, AC 1993, nr. 47: leerkrachten). Ouders of leerkrachten kunnen zich dus wel op eigen excepties/uitsluitingsgronden beroepen, waarop hun kind of leerling zich niet kan beroepen. Indien het kind of de leerling zich schuldig heeft gemaakt aan een opzettelijk misdrijf, zullen de ouders of leerkrachten bijgevolg wel kunnen opwerpen dat zij zelf geen opzettelijke fout hebben begaan. Zij worden immers niet vermoed een opzettelijke fout te hebben begaan. Zij zullen zich eveneens, op grond van een eigen exceptie/uitsluitingsgrond, kunnen beroepen op de onopzettelijke fout van het slachtoffer of van de mededader, om een verdeling van aansprakelijkheid of van de schadelast te bekomen (in die zin T. DERVAL, o.c., TBBR 2016, 557, nr. 28; S. GUILIAMS, o.c., RW 2017-18, 149, nr. 12).
(26)Cass. 27 mei 2022, AR C.20.0461.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220527.1F.6, AC 2022, nr. 380.
(27)zie concl. van advocaat-generaal B. INGHELS, op datum in Pas. voor Cass. 27 mei 2022, AR C.20.0461.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220527.1F.6, AC 2021, nr. 380; Cass. 20 juni 2008, AR C.06.0210.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080620.1, AC 2008, nr. 385; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2009, 412, nr. 621.
(28)E. DIRIX, “Aansprakelijkheid van en voor hulppersonen” in Recht halen uit aansprakelijkheid, Gent, Mys & Breesch 1993, 344, nr. 3.
(29)H. BOCKEN en I. BOONE, m.m.v. M. KRUITHOF, Buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en andere schadevergoedingsstelsels, Brugge, die Keure 2014, 170, nr. 270; L. CORNELIS, Beginselen van het Belgisch buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht. De onrechtmatige daad, Antwerpen, Maklu 1989, 387; J.-L. FAGNART, “Chronique de jurisprudence 1955-67”, JT 1969, 257; S. STIJNS, Leerboek verbintenissenrecht, 1bis, Brugge, die Keure 2013, nr. 103; H. VANDENBERGHE, M. VAN QUICKENBORNE, L. WYNANT en M. DEBAENE, “Overzicht van rechtspraak (1994-1999). Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad”, TPR 2000, 1868, nr. 139; A. VAN OEVELEN, “De civielrechtelijke aansprakelijkheid van de werknemer en van de werkgever voor de onrechtmatige daden van de werknemer in het raam van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst”, RW 1987-88, 1194, nr. 50; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia 2009, 425, nr. 640.
(30)T. DERVAL, o.c., TBBR 2016, 558, nr. 29; S. GUILIAMS, o.c., RW 2017-18, 148, nr. 10; G. JOCQUÉ, “Actualia verzekeringsrecht” in T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Actuele ontwikkelingen in het aansprakelijkheidsrecht en verzekeringsrecht (ICAV I), Antwerpen, Intersentia 2015, 27. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021106.16 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031010.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080620.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091002.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100318.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150304.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150909.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150930.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181221.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220527.1F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div