← België

3M Belgium contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 december 2022

Art. 578

, 3° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociale zaken (bijzondere regels) Vrije woorden: Geschil - Individueel geschil - Collectief geschil - Begrip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 578

, 3° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Fiche 3 De individuele dan wel collectieve aard van een geschil betreffende de toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst wordt niet bepaald door het voorwerp van de vordering zoals ze door de eiser wordt omschreven, maar door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het geschil; om zijn rechtsmacht te bepalen dient de rechter bijgevolg het werkelijk nagestreefde doel van de door de partijen gestelde vorderingen na te gaan

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Vrije woorden: Geschil - Individueel geschil - Collectief geschil - Aard - Bepaling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 578

, 3° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2023, nr. 464, p.

  1. - VAN HIEL, Isabelle; Noot'Cassatie verklaart arbeidsrechter onbevoegd voor geschil over vakbonds-afvaardiging voor kaderleden' Tekst van de conclusie S.21.0029.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
  2. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 13 januari
  3. Door eiseres worden er twee middelen aangevoerd.
  4. Het eerste middel. De problematiek betreft de vraag naar de rechtsmacht en bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van het voor hem gebrachte geschil, in casu een geschil over een cao. Het begrip “rechtsmacht” heeft meerdere invullingen. In eerste instantie betreft dit de uitoefening van de rechterlijke macht als dusdanig. De grondwetgever heeft de behandeling van de geschillen betreffende de subjectieve en materiële rechten, en dus de rechtsmacht, toegewezen aan de Hoven en Rechtbanken, tenzij de wet het anders zou bepalen

(1). De vraag of er al dan niet sprake is van een geschil omtrent subjectieve rechten betreft derhalve een vraag omtrent de rechtsmacht van de rechter
(2). Eens er sprake is van rechtsmacht, in de hiervoor aangehaalde betekenis, stelt zich de vraag naar de bevoegdheid, wat zowel de materiële als territoriale bevoegdheid betreft. Hier gaat het om de rechtsmacht, in een tweede betekenis, die door de wetgever aan de rechter wordt toegewezen om effectief kennis te nemen van het geschil betreffende het specifiek subjectief recht dat voor hem is gebracht
(3). Dus de vraag stelt zich of het behoort tot zijn attributie en of hij territoriaal bevoegd is. Wanneer het gaat over het aspect bevoegdheid wordt de aard van de vordering bepaald aan de hand van het voorwerp van de vordering zoals ze omschreven wordt door de eiser en niet het reële voorwerp zoals bepaald door de bodemrechter
(4). Het gaat hem dus om de vordering in de bewoordingen waarin ze door de eiser wordt gesteld
(5). Wanneer het echter gaat om rechtsmacht, in de eerste betekenis van het woord, dan moet het werkelijk nagestreefde doel van de door de partijen gestelde vorderingen nagegaan worden, alsook de rechtsgevolgen van een gebeurlijke gegrondverklaring. Zoals reeds aangegeven betreft het geschil een cao. Wat betreft cao’s bepaalt artikel 578, 3° Gerechtelijk Wetboek dat de arbeidsrechtbank kennis neemt van de individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten. Hier moet “individueel geschil” geplaatst worden tegenover “collectief geschil”. Wat deze laatste categorie betreft moet er op gewezen worden dat het hier niet om een numeriek criterium gaat. Inderdaad een groep werknemers kan een vordering instellen om een subjectief recht, dat bijvoorbeeld voortvloeit uit een normatieve bepaling van een cao, af te dwingen zonder dat er op dat ogenblik sprake is van een “collectief geschil”
(6). Een collectief geschil betreft een gecollectiviseerd belang. Het is een geschil dat voorspruit uit belangentegenstellingen tussen een collectiviteit van werknemers en werkgever(s). Bij dit soort conflicten wordt, in de regel, niet de eerbieding van een bestaand recht nagestreefd doch is het doel de wijziging van bestaande regels
(7). Een belangentegenstelling moet derhalve opgelost worden door onderhandelingen op basis van politieke en economische overwegingen
(8). Reden waarom dit soort geschillen, die dus geen betrekking hebben op subjectieve rechten, niet onder de rechtsmacht vallen - in eerst hoger aangehaalde betekenis - van de Hoven en Rechtbanken. Volledigheidshalve moet erop gewezen worden dat zo voor het collectief conflict an sich er geen sprake is van rechtsmacht in hoofde van de Hoven en Rechtbanken het natuurlijk kan zijn dat de gebeurlijke handelingen van deze of gene partij in het kader van dat belangenconflict wel een aantasting van een subjectief recht tot gevolg kan hebben waardoor er voor dat aspect natuurlijk wel rechtsmacht en bevoegdheid is
(9). Dus de aard van het geschil, individueel of collectief, zal bepalend zijn of er sprake is van rechtsmacht in de eerste betekenis, en dit ongeacht de partij(en) die het geschil aanbrengen. Het geschil dat voor Uw hof wordt gebracht, betreft de cao van 4 mei 1999 betreffende coördinatie van het statuut van de syndicale afvaardigingen, gesloten in PC 207 en algemeen verbindend verklaard bij KB van 7 mei 2000
(10). De aard van de door de verweerders gestelde vordering blijkt uit de syntheseconclusie van verweerders
(11). De alhier geformuleerde eisen betreffen niet een vordering tot het afdwingen van individuele subjectieve rechten die verweerders zouden genieten in het kader van voormelde cao maar zijn er op gericht om, door de gestelde eisen, te komen tot een wijziging van de gesloten cao en dit op grond van een beweerde ongrondwettelijke discriminatie. Het betreft dus een collectief geschil en derhalve onttrokken aan de rechtsmacht van de Hoven en Rechtbanken. De appelrechters verantwoorden dan ook niet naar recht hun beslissing dat zij rechtsmacht en bevoegdheid hebben om het geschil te beoordelen in het kader van artikel 578, 3° Gerechtelijk Wetboek. Conclusie: Cassatie. __________________________________________
(1)J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, “Handboek Gerechtelijk Recht”, Intersentia, Antwerpen 2020, p. 239.
(2)J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, o.c., p. 240.
(3)J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, o.c., p. 240.
(4)M.-A. MASCHELEIN, “Arbeidsgerechten en Sociaal Procesrecht, Kluwer”, Mechelen 2018, p. 62.
(5)J. VAN PUYNVELDE en J. VAN CAMP, “De materiële bevoegdheid van de arbeidsgerechten inzake arbeidsconflicten, in Sociaal Procesrecht”, Intersentia, Antwerpen 2018, p. 47.
(6)M.-A. MASCHELEIN, o.c., p. 81.
(7)J. CLESSE en F. KÉFER, “Manuel du droit de travail”, Larcier, Brussel,2018, p. 145.
(8)M.-A. MASCHELEIN, o.c., p. 81.
(9)M.-A. MASCHELEIN, o.c., p. 82.
(10)BS 6 april 2001.
(11)P. 65 en 66. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221212.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221212.3N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.