← België

C. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221216.1N.11 Rolnummer: C.21.0448.N Zaak: C. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-06 Raadplegingen: 808 - laatst gezien 2026-06-18 21:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221216.1N.11 Fiche 1 Artikel 58 Grondwet houdt geen beperking of uitzondering in op het recht op vrijheid van meningsuiting dat gewaarborgd wordt door artikel 10 EVRM en artikel 19 Grondwet, maar bekrachtigt integendeel het recht op vrijheid van meningsuiting van parlementsleden. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 58 Vrije woorden: Parlementaire onschendbaarheid - Vrijheid van meningsuiting - Artikel 10 EVRM en artikel 19 Grondwet - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 19 en 58 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 2 - 3 Het komt de rechter toe te beoordelen of de beweringen die een parlementslid uit over een persoon, alsook de beweringen die geen verband houden met problemen van algemene draagwijdte of deel uitmaken van het politieke debat, zijn uitgebracht in de uitoefening van zijn functie en derhalve onder het toepassingsgebied van artikel 58 Grondwet vallen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 58 Vrije woorden: Parlementaire onschendbaarheid - Parlementslid - Beweringen - Toepassingsgebied van artikel 58 - Beoordeling - Rechter - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 58 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Vrije woorden: Grondwet 1994 (art. 1 tot 99) - Artikel 58 - Parlementaire onschendbaarheid - Parlementslid - Beweringen - Toepassingsgebied van artikel 58 - Beoordeling - Rechter - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 58 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 4 De artikelen 10.2 en 10.3 van het Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies staan er niet aan in de weg dat de voorzitter van de onderzoekscommissie in zijn hoedanigheid van voorzitter of in naam van de commissie verklaringen aflegt die verder reiken dan het verstrekken van objectieve informatie aangaande de werking en de agenda
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: IMMUNITEIT Vrije woorden: Parlementaire onderzoekscommissie - Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies - Voorzitter - Verklaringen - Inhoud Wettelijke bepalingen: Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies - 23-10-1997 - Artt. 10.2 en 10.3 Fiche 5 Artikel 10.3 van het Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies op grond waarvan de voorzitter meteen na de vergadering een verklaring aan de pers aflegt, sluit niet uit dat hij op een later tijdstip ook nog verklaringen kan afleggen in zijn hoedanigheid van voorzitter, dan wel in naam van de commissie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: IMMUNITEIT Vrije woorden: Parlementaire onderzoekscommissie - Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies - Vergadering - Voorzitter - Verklaringen - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies - 23-10-1997 - Art. 10.3 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2023/24, nr. 8, p. 311-
  1. - LEMMENS, Koen; Noot'Parlementaire onverantwoordelijkheid: spreken met gespleten tong?' Tekst van de conclusie C.21.0448.N Conclusie van procureur-generaal A. Henkes: I. Rechtspleging voor het Hof Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 december 2020 (2019/AR/719). Verslaggever: Sectievoorzitter Eric Dirix II. Feiten en procedurevoorgaanden
  2. De feiten en procedurevoorgaanden, zoals die blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kunnen als volgt worden samengevat.
  3. In 1996 werd eiser samen met andere personen strafrechtelijk vervolgd wegens het witwassen van geld, valsheid in geschrifte en bendevorming. Op 17 juni 2011 heeft hij, met toepassing van het (door de wet van 14 april 2011) gewijzigde artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering, een verruimde minnelijke schikking gesloten met het openbaar ministerie. In de loop van 2012 werd in Frankrijk een artikel gepubliceerd waarin gesuggereerd werd dat de Franse autoriteiten, waaronder de toenmalige president van de Franse Republiek, druk hadden uitgeoefend op de Belgische autoriteiten om de eiser een voorkeursbehandeling te geven. Op 23 november 2016 heeft verweerder, die lid was van de Kamer van volksvertegenwoordigers, samen met nog een aantal andere volksvertegenwoordigers, waaronder de heer G., een voorstel ingediend tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie die ermee belast zou worden
(1)onderzoek te voeren naar de omstandigheden die hebben geleid tot de aanneming en de toepassing van de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen, voor wat de minnelijke schikking in strafzaken betreft,
(2)na te gaan hoe het openbaar ministerie toepassing heeft gegeven aan artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering, meer bepaald zoals gewijzigd bij de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen, vanaf de inwerkingtreding van deze wet tot 20 augustus 2011, en
(3)een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop eiser de Belgische nationaliteit heeft verkregen. Verweerder heeft als voorzitter deelgenomen aan de werkzaamheden van deze commissie, samen met de heer G. als lid van deze commissie.
  1. Nog vóór de commissie haar werkzaamheden beëindigd heeft, heeft eiser op 18 april 2017 de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, gedagvaard voor de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, en vergoeding gevorderd van de schade die hij zou hebben geleden door de fouten van de onderzoekscommissie. De procedure tegen de Belgische Staat is nog steeds hangende.
  2. Op 10 mei 2017 dagvaardde eiser vervolgens ook de heer G. voor de rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Bij vonnis van 19 juni 2019 heeft de rechtbank de vordering van eiser tegen de heer G. niet-ontvankelijk verklaard voor zover die vordering betrekking had op meningen die de heer G. had geuit in de uitoefening van zijn parlementaire functies. De vordering werd voor het overige ongegrond verklaard. Tegen dit vonnis heeft eiser hoger beroep ingediend bij het hof van beroep te Luik. De heer G. heeft incidenteel beroep ingediend. De beroepsrechter verklaart beide beroepen ontvankelijk. Hij verklaart het beroep van de heer G. zonder voorwerp, en dat van eiser gedeeltelijk gegrond. Zoals de rechter in eerste aanleg, is hij van oordeel dat de parlementaire onverantwoordelijkheid van de heer G. niet eraan in de weg staat dat de rechter kennis kan nemen van een deel van de feiten die hem door eiser ten laste worden gelegd. Anders dan de eerste rechter, is hij van oordeel dat bepaalde handelingen van de heer G. onrechtmatig waren. Dat verschil in beoordeling kan, althans gedeeltelijk, worden verklaard doordat eiser zijn kritiek voor de beroepsrechter anders heeft geformuleerd dan voor de eerste rechter. Tegen dat arrest is cassatieberoep ingediend en ingeschreven op de algemene rol van het Hof met nummer C.21.0487.F.
  3. Ten slotte heeft eiser, op 24 mei 2017, ook verweerder, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie, gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde. Deze procedure, en inzonderheid het arrest geveld door het hof van beroep te Gent op hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 januari 2019, op tegenspraak geveld door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, is het onderwerp van het huidig geding, ingeschreven op de algemene rol van het Hof met nummer C.21.0448.N.
  4. De door het hof van beroep te Luik weerhouden oplossing in het geding tussen eiser en de heer G. verschilt niet wezenlijk van de oplossing die het hof van beroep te Gent heeft weerhouden in het geding tussen eiser en verweerder.
  5. Het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent verwerpt, aldus eiser, de interpretatie van artikel 58 van de Grondwet zoals door eiser verdedigd, op basis van volgende motieven (in hoofdorde weergave van de door eiser geselecteerde uittreksels): “
  6. Art. 58 Gw 6.
  7. Het recht op vrije meningsuiting is internationaal gewaarborgd
(1)en grondwettelijk verankerd
(2). Dit recht is echter niet absoluut. In het belang van de rechten of goede naam van derden, in het belang van de nationale veiligheid, dan wel ter bescherming van de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden kunnen er beperkingen aan dit recht worden verbonden. Wie het recht van vrije meningsuiting misbruikt – bijvoorbeeld door zich schuldig te maken aan laster of eerroof – kan ook voor de correctionele dan wel burgerlijke rechter (of zelfs voor zijn tuchtoverste) gedagvaard worden en uiteindelijk gehouden zijn tot het betalen van een schadevergoeding
(3). Art. 58 Gw luidt evenwel als volgt: “Geen lid van een van beide Kamers kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht.” Artikel 58 Gw betreft de parlementaire onverantwoordelijkheid en niet de onschendbaarheid (Cass. 4 oktober 2006, AR P.06.0759.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061004.2). (…) De meningen of stemmen, geuit in het kader van de werkzaamheden van een parlementaire onderzoekscommissie, vallen onder voormelde bescherming van art. 58 Gw. (…) 6.2. Voor de toepassing van art. 58 Gw moet voldaan zijn aan volgende cumulatieve voorwaarden:
(1)de hoedanigheid van parlementslid hebben,
(2)het uiten van een mening of het uitbrengen van een stem,
(3)in de uitoefening van de parlementaire functie. Een parlementslid valt onder de parlementaire onverantwoordelijkheid ex art. 58 Gw vanaf de aanvang van zijn/haar mandaat en dit tot op het ogenblik dat zijn/haar mandaat afloopt, met dien verstande dat hij/zij ook na het beëindigen van zijn/haar mandaat ‘beschermd’ blijft voor meningen en stemmen, uitgebracht tijdens het mandaat. Het begrip ‘uiten van een mening of het uitbrengen van een stem’ wordt ruim geïnterpreteerd en dekt alle mogelijke vormen van meningsuitingen, met name mondeling, schriftelijk, digitaal, zelfs met gebaren (behoudens wanneer deze gepaard gaan met geweld). De plaats waar de mening wordt verkondigd doet niet ter zake. De bescherming geldt immers in de uitoefening van de functie, ongeacht of die in het parlementsgebouw of erbuiten plaatsvindt. Zo kan het zijn dat een persconferentie die gehouden wordt binnen het Paleis der Natie niet onder toepassing van de onverantwoordelijkheid valt, terwijl anderzijds een plaats-bezoek van een onderzoekscommissie er wel onder valt. Het beslissende criterium is dus niet de plaats waar de mening wordt geuit, maar wel of die mening al dan niet in de uitoefening van de functie van parlementslid wordt verkondigd
(4). De wet geeft geen invulling van het begrip ‘in de uitoefening van zijn functie’. In het werk getiteld “de parlementaire onverantwoordelijkheid (freedom of speech)”, uitgegeven door de Juridische dienst van de Kamer van Volksvertegenwoordigers – mei 2015 leest het hof hieromtrent o.m. het volgende
(5): “Wat wordt verstaan onder “de uitoefening van de functie”? De Grondwet omschrijft niet wat onder de uitoefening van de functie moet worden verstaan. Rechtsleer en rechtspraak stellen de “uitoefening van de functie” gelijk met de “uitoefening van het parlementair mandaat”. In de loop der jaren hebben ze twee belangrijke criteria ontwikkeld om uit te maken of een parlementslid zijn mening of stem heeft uitgebracht in de uitoefening van zijn parlementair mandaat. Een eerste belangrijk criterium om het toepassingsgebied af te bakenen is het reglement van de wetgevende assemblee. Is de mening geuit tijdens een vergadering van een orgaan opgericht door het reglement of a fortiori door de wet of de Grondwet, dan lijkt er geen betwisting te bestaan. Voor alles wat een parlementslid zegt tijdens de plenaire vergaderingen en de vergaderingen van het Bureau, het bestuurscomité, de taalgroepen, de Conferentie van voorzitters, de parlementaire overlegcommissie, de vaste, bijzondere en tijdelijke commissies, de onderzoekscommissies, de adviescomités, … geniet hij dus de onverantwoordelijkheid. Tegenwoordig wordt aangenomen dat ook vergaderingen van politieke fracties onder het toepassingsgebied vallen, voor zover ze verband houden met de parlementaire activiteiten. Wanneer een parlementslid een mening uit tijdens de wekelijkse fractievergadering is hij dus beschermd, maar doet hij dat tijdens een studiedag die toegankelijk is voor derden, dan geldt de bescherming niet. Een tweede belangrijk criterium is of een parlementslid handelt in opdracht of in naam van het parlement (of een commissie) dan wel als privépersoon. Zo bepaalt het Kamerreglement dat de voorzitter van de Kamer “het woord voert uit naam van de Kamer en overeenkomstig haar wens”. In die context is de voorzitter van de assemblee dus gedekt door de freedom of speech. Ook de verklaringen van de voorzitter van een onderzoekscommissie, gedaan uit naam van die commissie, zijn gedekt door de parlementaire onverantwoordelijkheid. Als die voorzitter echter buiten zijn rol als woordvoerder treedt, kan hij wel verantwoordelijk gehouden worden. In dezelfde logica kunnen persmededelingen en -conferenties uit naam van de commissie (of van een ander orgaan van de assemblee) ook gedekt zijn. Wanneer een parlementslid op eigen initiatief een persconferentie organiseert, kan hij zich echter nooit beroepen op de onverantwoordelijkheid. Ook wanneer een parlementslid deel uitmaakt van een officiële delegatie van zijn assemblee, valt de mening die hij uit onder de parlementaire onverantwoordelijkheid. Hij handelt dan immers in opdracht van zijn assemblee. Is de uitoefening van het “parlementair mandaat” hetzelfde als de uitoefening van het “politiek mandaat”? Nee, er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de activiteiten van een parlementslid in het kader van zijn functie (zijn parlementair mandaat) en zijn politieke of partijgebonden activiteiten. De onverantwoordelijkheid geldt alleen voor de uitoefening van het mandaat en niet voor partij- of politieke activiteiten in het algemeen. Toespraken tijdens partijmeetings of andere activiteiten in het kader van een politieke partij (colloquia, …), vallen dus buiten het toepassingsgebied van de “freedom of speech”, zelfs als ze worden georganiseerd in het parlement. Ook politieke debatten waar partijstandpunten worden verdedigd, zijn niet gedekt. Toespraken tijdens partijmeetings of andere activiteiten in het kader van een politieke partij (colloquia, …), vallen dus buiten het toepassingsgebied van de “freedom of speech”, zelfs als ze worden georganiseerd in het parlement. Ook politieke debatten waar partijstandpunten worden verdedigd, zijn niet gedekt. Nagenoeg alle moeilijkheden die tot nog toe gerezen zijn, hebben te maken met wat moet worden verstaan onder de uitoefening van het parlementair mandaat. Dat is immers een evolutief begrip: wat er momenteel nog niet toe wordt gerekend, wordt dat morgen misschien wel. Er bestaat dus wel degelijk een grijze zone die de parlementsleden niet altijd evenveel rechtszekerheid biedt. Niemand kan immers met absolute zekerheid voorspellen of de rechter zich bevoegd zal verklaren wanneer een vordering wordt ingesteld tegen een parlementslid. En wat als een parlementslid woordelijk herhaalt wat hij eerder in commissie of plenaire vergadering heeft gezegd? Algemeen wordt aanvaard dat een parlementslid niet gedekt is door de parlementaire onverantwoordelijkheid als hij bijvoorbeeld tijdens een interview of een persconferentie herhaalt wat hij in een parlementaire vergadering heeft gezegd, zelfs niet als hij zijn verklaring voorleest. Wanneer een parlementslid een toespraak die hij eerder in de assemblee heeft gehouden, uitgeeft in de vorm van een brochure, wordt hij evenmin beschermd door de parlementaire onverantwoordelijkheid. Verwijst hij daarentegen louter naar een in het parlement uitgesproken rede, dan wordt hij wel beschermd.” (…) 6.3. Wat moet worden begrepen onder ‘de uitoefening van het parlementair mandaat’ is dus een evolutief begrip. De rechtspraak ging traditioneel uit van een strikte benadering/interpretatie van het begrip “een mening of een stem uitgebracht in de parlementaire functie”: - De immuniteit welke het parlementslid beschermt tegen vervolging of onderzoek naar aanleiding van een door hem uitgebrachte mening of stem, geldt volgens de tekst van art. 44 Gw [thans art. 58], alleen voor de meningen uitgebracht of de redevoeringen uitgesproken “in de uitoefening van zijn functie”. Indien het lid zijn rede buiten het Parlement herhaalt of de tekst ervan publiceert, vervalt zijn immuniteit. Een parlementslid dat een antwoord op een tegen hem gerichte aanval in een dagblad doet opnemen, handelt bij deze perspolemiek niet in de uitoefening van zijn openbaar mandaat. Hij treedt op als private persoon zodat hij evenals iedere burger de verantwoordelijkheid voor dat antwoord draagt, en de journalist die dat antwoord opneemt, stelt zich bloot aan rechtsvorderingen vanwege derden. Dit geldt ook wanneer het antwoord slechts de letterlijke herhaling is van een vroeger in openbare vergadering uitgesproken rede die in de Parlementaire Handelingen is opgenomen
(6). - De parlementaire onverantwoordelijkheid heeft tot doel de volledige onafhankelijkheid van de vertegenwoordigers van de Natie te verzekeren. Door hen vrij te stellen van vervolging en van onderzoek voor de rechter naar aanleiding van een mening of een stem die zij in de uitoefening van hun functie uitbrengen verleent dit prerogatief hun een volstrekte onverantwoordelijkheid zelfs wegens handelingen die een flagrante aantasting van de rechten en van de eer van de burgers zijn. Zodanig voorrecht, dat inbreuk maakt op het vooraan in de Grondwet neergelegde beginsel van de gelijkheid der Belgen voor de wet, mag echter niet zo worden toegepast dat het ruimer is dan de tekst die dat voorrecht bepaalt of de politieke eisen die dit zelve hebben ingevoerd, hetgeen het geval is wanneer de rechtsvordering in plaats van tegen een lid van het Parlement juist door dat lid zelf is ingeleid
(7). - De absolute onverantwoordelijkheid die wordt opgelegd door art. 58 Gw heeft slechts betrekking op meningen en stemmingen die door parlementsleden worden uitgebracht bij de uitoefening van hun mandaat. Ze moet in enge zin worden geïnterpreteerd. Ze is niet van toepassing op de woorden van deze parlementsleden in andere omstandigheden dan degene die deze grondwetsbepaling beschrijft
(8). Een parlementslid heeft vandaag echter niet langer dezelfde rol als een parlementslid in de 19de en (vroege) 20ste eeuw. De moderne rol van een parlementslid is niet langer deze van een notabele die enkel zijn standpunten verdedigt in het parlementair halfrond
(9). De Kamer van Volksvertegenwoordigers is actief op Twitter, Facebook en YouTube. De plenaire vergaderingen worden live uitgezonden op de website van de Kamer
(10). Naar aanleiding van ‘de zaak G.’ [lees: de vordering van P. C. tegen G. G. ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg Namen] werd in de rechtsleer gepleit voor een ruimere interpretatie van de parlementaire onverantwoordelijkheid
(11), in die zin dat alle verklaringen in het kader van een debat van algemeen belang onder het toepassingsgebied van art. 58 Gw zouden moeten vallen, ongeacht de plaats waar een parlementslid die verklaringen aflegt
(12). De rechtbank van eerste aanleg te Namen is deze rechtsleer bij vonnis d.d. 19 juni 2019 in de zaak van P. C. tegen G. G. grotendeels bijgetreden
(13). 6.4. Voor wat betreft huidige vordering van P.C. tegen D.V.D.M. houdt dit hof bij de beoordeling/invulling van het begrip “een mening of een stem uitgebracht in de parlementaire functie” rekening met het volgende: D.V.D.M. was met ingang van 22 december 2016 voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie. Art. 10.2 van het reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies van de Kamer, bepaalt het volgende: “Behoudens andersluidende beslissing van de commissie, voert alleen de voorzitter het woord uit haar naam.”. Er ligt geen andersluidende beslissing van de commissie voor waaruit blijkt dat iemand anders was aangewezen om de vragen van de pers te beantwoorden. Er liggen overigens ook geen andere artikelen voor waarin iemand anders dan D.V.D.M. namens de commissie de pers te woord heeft gestaan omtrent de werkzaamheden van de commissie. De verklaringen die D.V.D.M. zodoende heeft gedaan als voorzitter van de onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie, zijn gedekt door de parlementaire onverantwoordelijkheid. Persmededelingen, persinterviews en -conferenties gedaan als voorzitter van de onderzoekscommissie dan wel uit naam van de commissie zijn eveneens gedekt. Dit is niet meer dan logisch. Uit de persartikelen die beide partijen voorleggen blijkt de enorme publieke (binnen- én buitenlandse) belangstelling omtrent het voorwerp, onderzocht door de parlementaire onderzoekscommissie waarvan D.V.D.M. voorzitter was. Dat D.V.D.M. als voorzitter van dergelijke commissie uitgenodigd, aangesproken en bevraagd wordt door de pers is evident. De burgers hebben het recht om op de hoogte te worden gehouden van de werkzaamheden van de commissie. Alle vergaderingen van de commissie zijn ten andere ook openbaar, behoudens wanneer beslist wordt om met gesloten deuren te vergaderen (beslissing die met redenen omkleed moet worden én genomen moet worden met een meerderheid van twee derden van de stemmen – zie art. 1.1 van het reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies van de Kamer). D.V.D.M. mocht als voorzitter verslag uitbrengen over de voortgang van de werkzaamheden van de onderzoekscommissie, zelfs in de pers. Enkel omtrent de zaken die werden besproken achter gesloten deuren mocht niet gecommuniceerd worden. Deze interpretatie is verenigbaar met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(14). Wanneer D.V.D.M. een mening uitbrengt als woordvoerder van de parlementaire onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie houdt deze meningsuiting onmiddellijk verband met de parlementaire activiteiten. Wanneer D.V.D.M. zijn mening niet uitbrengt in zijn hoedanigheid van voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie zal hij zich niet kunnen beroepen op art. 58 Gw. Het loutere feit dat hij de hoedanigheid van parlementslid heeft volstaat niet. Zoals hoger gesteld moet cumulatief voldaan zijn aan de drie voorwaarden. 6.5. Verder onder randnummer 7 zal het hof de diverse aan D.V.D.M. ten laste gelegde ‘fouten’ overlopen en telkens nagaan of D.V.D.M.in dat specifieke geval een mening of een stem heeft uitgebracht, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht, rekening houdend met wat hoger omtrent de begripsinvulling werd beslist. Thans kan reeds (algemeen) gewezen worden op het volgende. Wanneer een voorzitter van een parlementaire onderzoekscommissie buiten zijn rol als woordvoerder treedt, zou hij wel verantwoordelijk kunnen gehouden worden
(15). P.C. verwijst – voor wat betreft diverse publicaties (zie verder) - naar de inhoud dan wel de stijl/toon van de antwoorden van D.V.D.M. (al dan niet op bepaalde vragen van journalisten). Hieruit leidt hij af dat D.V.D.M. (op die manier, met die woordkeuze) niet is opgetreden als woordvoerder van de parlementaire onderzoekscommissie, dus dat hij (door op die manier te antwoorden, met die woordkeuze) zijn rol van woordvoerder te buiten is gegaan
(16). Het komt het hof echter, gelet op de scheiding der machten, niet toe om de invulling door D.V.D.M. van zijn rol als woordvoerder van de parlementaire onderzoekscommissie te beoordelen. Enkel de Kamervoorzitter behoudt zijn tuchtrechtelijke bevoegdheid. Met andere woorden, wanneer het hof vaststelt dat D.V.D.M. als voorzitter van de onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie is opgetreden, kunnen zijn gezegdes door dit hof niet onder de loep worden genomen om na te gaan of D.V.D.M.al dan niet over de schreef is gegaan (als voorzitter van de onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie). Wat een woordvoerder van een parlementaire onderzoekscommissie wel of niet kan en mag verklaren (m.a.w. de draagwijdte van het mandaat van de woordvoerder) en de stijl waaraan deze woordvoerder zich in zijn bewoordingen in relatie tot de pers dient te houden, kunnen door dit hof niet bepaald worden. Het hof heeft zich immers niet te mengen in de werking van een parlementaire onderzoekscommissie. Gelet op de scheiding der machten komt deze beoordeling dit hof niet toe. P.C. argumenteert dat D.V.D.M. niet bewijst dat hij in de betreffende persartikelen sprak uit naam of in opdracht van de parlementaire onderzoekscommissie, doch het hof beoordeelt dit hieronder per artikel. Zoals gezegd is het niet meer dan normaal dat er gecommuniceerd wordt met de pers omtrent de werkzaamheden van een parlementaire onderzoekscommissie én kan de commissie de pers enkel te woord staan via haar voorzitter, dus hier via D.V.D.M. P.C. hekelt
(17)dat interviews en contacten met de pers niet ‘geregulariseerd’ worden door het Intern Reglement van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Dit doet geen afbreuk aan de parlementaire onverantwoordelijkheid ex art. 58 Gw, die absoluut en van openbare orde is. Dat het reglement de perscontacten niet regelt impliceert verder niet dat perscontacten nooit gedekt zouden zijn door art. 58 Gw. Wat telt is de vraag of de perscontacten kaderen binnen de parlementaire functie van de voorzitter/woordvoerder van de commissie. Ten overvloede stelt het hof vast dat het Reglement van de Kamer van Volksvertegenwoordigers wél een hoofdstuk ‘Deontologie’ bevat
(18). P.C. wijst nog op de afwijzende opmerkingen van bepaalde collega’s van D.V.D.M.in de commissie nopens de persinterventies van D.V.D.M.
(19), doch het feit dat bepaalde andere leden van de parlementaire onderzoekscommissie commentaar leveren op de werkzaamheden van D.V.D.M. als voorzitter (en woordvoerder) van de commissie heeft allerminst tot gevolg dat op die manier zou zijn aangetoond dat D.V.D.M. niet handelde binnen zijn parlementair mandaat. Tenslotte wijst het hof nogmaals op de opdracht die aan de parlementaire onderzoekscommissie was toevertrouwd:
(1)onderzoek naar de omstandigheden die hebben geleid tot de aanneming en de toepassing van de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen, voor wat de minnelijke schikking in strafzaken betreft,
(2)onderzoek naar de wijze waarop het openbaar ministerie toepassing heeft gegeven aan artikel 216bis Sv., meer bepaald zoals gewijzigd bij de wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen, vanaf de inwerkingtreding van deze wet tot 20 augustus 2011 en
(3)onderzoek naar de wijze waarop P.C. en A.I. de Belgische nationaliteit hebben verkregen. Gelet op de inhoud van deze opdracht - waarin P.C. nominatim vernoemd werd - en het gegeven dat de vergaderingen van een parlementaire onderzoekscommissie in de regel openbaar zijn, was het sowieso onvermijdelijk dat het privéleven van P.C. in de openbaarheid zou komen. 7. Art. 58 Gw, toegepast op de aan D.V.D.M. verweten fouten 7.1. Het komt aan P.C. toe de fouten die hij D.V.D.M. ten laste legt concreet aan te duiden én te bewijzen. Hoger
(20)werden de fouten die P.C. in zijn synthesebesluiten aan D.V.D.M. ten laste legt reeds samengevat. D.V.D.M. heeft een punt waar hij stelt dat uit de conclusies van P.C.
(21)niet altijd duidelijk blijkt welke gezegdes/gedragingen hij om welke reden/op welke grond aan D.V.D.M. verwijt. P.C. heeft weliswaar 4 subtitels voorzien, doch de fouten die hij onder bepaalde subtitels weerhoudt zijn niet altijd duidelijk en veelal een herhaling van wat eerder aan bod gekomen is. Verder beperkt P.C. zich – vooral wat de door hem gehekelde contacten met de pers betreft – tot het ‘bij wijze van voorbeeld’
(22)bespreken van bepaalde artikelen/stukken ‘zonder exhaustief te zijn’
(23). Het hof bespreekt hieronder de door P.C. aan D.V.D.M.
(24)ten laste gelegde feiten en toetst deze eerst aan art. 58 Gw. Voor de duidelijkheid worden de contacten met de pers allemaal onder randnummer 7.2 besproken, ook deze die door P.C. onder zijn andere subtitels
(25)worden vermeld. Volledigheidshalve bespreekt het hof ook de ‘meningen’/perscontacten waarvan P.C. wel stukken voorlegt, doch die door hem niet uitdrukkelijk besproken worden. Voor wat betreft de perscontacten hanteert het hof een doorlopende nummering. De ‘meningen’ die niet onder het toepassingsgebied van art. 58 Gw vallen zullen ten gronde beoordeeld worden
(26). 7.
  1. Eerste fout: “Het herhaaldelijk publiekelijk afleggen van belastende en voor appellant tergende aantijgingen waardoor appellant gediscrediteerd wordt.” 7.2.
  2. P.C. verwijt D.V.D.M. op geregelde tijdstippen ‘zowel tergende als foutieve belastende verklaringen te hebben afgelegd’ waarbij hij door D.V.D.M. publiekelijk zou zijn gestigmatiseerd. P.C. verwijst
(27)‘bij wijze van voorbeeld’ naar de volgende feiten en verklaringen: (…)
(4)Het interview in ‘Humo’ d.d. 11 april 2017
(28). Dit interview werd door D.V.D.M. gegeven in zijn hoedanigheid van voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie en ook in antwoord op verschillende vragen gerefereerd naar de onderzoekscommissie. Daartoe kan worden verwezen: - naar de aanhef van het artikel: (…) - naar bepaalde antwoorden van D.V.D.M. op verschillende vragen, zoals o.m.: (…) In dit interview heeft D.V.D.M. dus onmiskenbaar zijn mening uitgebracht als woordvoerder van de parlementaire onderzoekscommissie, dus in de uitoefening van zijn functie. Zijn verklaringen in dit interview vallen onder de parlementaire onverantwoordelijkheid ex art. 58 Gw. Dat D.V.D.M. in dit interview sprak (en dus zijn mening uitte) als voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie blijkt ook uit de vaststelling dat de diverse antwoorden van D.V.D.M.(in het bijzonder deze die door P.C. worden gehekeld) een weergave zijn van wat D.V.D.M. eerder in het kader van de werkzaamheden van de commissie te weten was gekomen (en waaromtrent hij dus als voorzitter verslag wenste uit te brengen). Voor een uitvoerige analyse van deze antwoorden verwijst het hof naar de synthesebesluiten van D.V.D.M., blz. 32 tot en met
  1. P.C. verwijst op verschillende plaatsen in zijn synthesebesluiten naar dit stuk. Onder meer op blz. 56 stelt hij dat niet alleen de in het interview verstrekte antwoorden maar ook de ‘inschikkelijkheid’ van D.V.D.M. om het betreffende interview toe te staan, voor hem ‘ronduit schokkend en schadeverwekkend’ zijn, doch - zoals hoger weerhouden - is het kader waarbinnen (en de aanleiding waarvan) deze mening wordt verkondigd (al dan niet als voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie) determinerend om uit te maken of art. 58 Gw van toepassing is. Hier heeft D.V.D.M. zijn mening duidelijk verkondigd binnen zijn mandaat van voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie. Of D.V.D.M. met (bepaalde van) zijn antwoorden zijn boekje als woordvoerder van de parlementaire onderzoekscommissie te buiten is gegaan, kan en mag dit hof niet beoordelen, gelet op de scheiding der machten (zie hoger). 7.2.
  2. Op 18 april 2017 liet P.C. overgaan tot dagvaarding van de Belgische Staat. Ook na deze dagvaarding bleef D.V.D.M. zich – aldus P.C. – op een manifest foutieve wijze gedragen. P.C. stelt in zijn syntheseconclusie (blz. 50): “Navolgende voorbeelden (die geenszins exhaustiviteit nastreven) illustreren dit ten volle”. Vervolgens verwijst P.C. naar:
(5)Zijn stuk 14, zijnde een artikel in het ‘Nieuwsblad’ d.d. 18 april 2017 getiteld “Miljardair C. dient klacht in tegen de Belgische Staat: “Hij is duidelijk zeer ongerust”.” Ook dit interview heeft D.V.D.M. onmiskenbaar gegeven als voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie, zoals blijkt uit o.m. volgende passages: * “Voorzitter D.V.D.M.(sp.a) van de parlementaire onderzoekscommissie Kazachtgate is niet onder de indruk van de klacht die miljardair P.C. heeft aangekondigd tegen de Belgische Staat en de Kamer.” * “Het is niet de eerste keer dat figuren of organisaties die het voorwerp uitmaken van een onderzoekscommissie, zich ongerust maken. Maar tot nu toe wachtten ze tot het rapport met aanbevelingen klaar was alvorens klacht in te dienen.” * “Voor de commissievoorzitter is de klacht een bewijs dat C. “zeer ongerust” is en dat zijn commissie goed werk aflevert. Hij noemt de klacht “een poging om te destabiliseren en intimideren”, maar “wij gaan rustig het werk voortzetten en proberen te achterhalen (…)”. D.V.D.M. heeft in dit artikel als voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie gereageerd op de klacht die P.C. had aangekondigd tegen de Belgische Staat en de Kamer, dus onrechtstreeks tegen de commissie die hij voorzat. Hij heeft ook hier duidelijk zijn mening uitgebracht in de uitoefening van zijn functie. Hetzelfde geldt voor het stuk 22 waarnaar P.C. verwijst, zijnde een interview over hetzelfde onderwerp op ‘RTBF.be’ d.d. 18 april 2017. Ook in dit interview sprak D.V.D.M. duidelijk als voorzitter/woordvoerder van de parlementaire onderzoekscommissie. (…)
(7)Zijn stuk 12, zijnde een reactie in ‘Humo’ d.d. 25 april 2017 op de dagvaarding, door P.C. uitgebracht lastens de Belgische Staat. Ook de mening die D.V.D.M. hier verkondigde kaderde binnen zijn mandaat als voorzitter/woordvoerder van de parlementaire onderzoekscommissie, zoals o.m. blijkt uit de volgende passages: * “Het is een poging tot intimidatie van zowel de media als de onderzoekscommissie, die diep in het dossier graven.” * “U zou zich als voorzitter van de commissie niet terughoudend genoeg opstellen, vindt advocaat Pascal Vanderveeren. ‘De commissie heeft een discretieplicht, net als een onderzoeksrechter’, zei hij in De Standaard. V.D.M “Er lopen op dit moment twee onderzoeken (…) Wij moeten voor de Kamer in alle transparantie onderzoeken waarom in 2011 de wet op de uitbreiding van de minnelijke schikking in sneltreinvaart is gestemd (…)” * “U gaat in deze fase van het onderzoek ook op zoek naar de betrokkenheid van politici.” * “Ik reken erop dat mijn collega-commissieleden als parlementairen zullen reageren en niet als lid van hun partij. De eer van het parlement staat op het spel.”
(8)Zijn stuk 13, zijnde een artikel in ‘La Libre Belgique’ d.d. 28 april 2017, met gelijklopende inhoud als deze in het artikel in ‘Humo’ d.d. 25 april 2017. Ook dit valt, net als het artikel in ‘Humo’ d.d. 25 april 2017, onder het toepassingsgebied van art. 58 Gw. Naast de naam van D.V.D.M.– die in het artikel geciteerd wordt – is uitdrukkelijk zijn mandaat vermeld (vrij vertaald:) “de voorzitter van de commissie met betrekking tot de verruimde minnelijke schikking in strafzaken, D.v.d.M”. Uit zijn gezegdes zelf blijkt eveneens dat hij sprak als woordvoerder: “Dat is het bewijs dat hij zeer ongerust is en dat we op de goede weg zijn.” Ook uit de tekst van het artikel blijkt dat het betrekking heeft op de werkzaamheden binnen de onderzoekscommissie (“In deze tijden is het niet goed voor een parlementair om zijn neus in gevoelige dossiers te steken.”).
(9)Zijn stuk 34, zijnde de weergave van een rubriek op ‘RTBF’ d.d. 11 mei 2017 (om 19u), waarin D.V.D.M. eveneens reageerde als voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie (vrij vertaald: “Voor de voorzitter van de onderzoekscommissie (D.V.d.M.) mag deze procedure de werkzaamheden van de gedeputeerden in de toekomst niet schaden.” Ook de voorzitter van de Kamer (S.B.) zelf werd trouwens in voormeld artikel geciteerd. De mening van D.V.D.M. in dit artikel valt zodoende ook onder het toepassingsgebied van art. 58 Gw. Waar P.C. deze mening inhoudelijk bekritiseert (o.m. door te verwijzen naar zijn stukken 23, 24 en 39) kan het hof hier dus niet op ingaan. P.C. verwijst in dit verband nog naar het verslag van de zitting d.d. 17 mei 2017 (CRIV K033, pag. 27), doch de zaken die aan bod gekomen zijn ter gelegenheid van deze zitting vallen eveneens onder het toepassingsgebied van art. 58 Gw. 7.2.3. Volgens P.C. heeft dit alles hem ertoe gebracht ook D.V.D.M. te laten dagvaarden (voor de eerste rechter), evenwel zonder het door hem gewenste resultaat, nu het ‘gedrag’ van D.V.D.M.na deze dagvaarding niet ‘wijzigde’. P.C. verwijst vervolgens naar: (…)
(15)Het stuk 16 betreft een artikel op ‘deredactie.be’ d.d. 11 januari 2017 getiteld: “N-VA: “Uithalen V.d.M. helpen commissie Kazachgate niet”. In dit artikel stelde S.D. dat D.V.D.M. als voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie zijn boekje te buiten ging (omdat hij verklaard had dat de MR in elke etappe van het dossier aanwezig is). De meningen die D.V.D.M. hier heeft gegeven vallen onder art. 58 Gw.
(16)Het stuk 17 betreft een artikel in ‘Le Monde’ d.d. 3 mei 2017, getiteld (vertaald:) “Wat is “Kazachgate” en waarom werd C.G. gehoord in België?” Het citeert D.V.D.M. (in gesprek met de RTBF) op het einde, doch uit het citaat blijkt duidelijk dat D.V.D.M. deze verklaring aan de RTBF had afgelegd als voorzitter van de commissie.
(17)Het stuk 18 betreft een artikel d.d. 3 mei 2017, in ‘Le Soir’, getiteld (vrij vertaald): “Kazachgate: de voorzitter van de commissie geeft aan dat er sprake is van ‘ongeoorloofde inmenging.”. Ook de mening die D.V.D.M. hier verkondigde valt onder het toepassingsgebied van art. 58 Gw. (…)
(21)Het stuk 25 betreft een artikel in ‘Paris Match’ d.d. 11 mei 2017 waarin D.V.D.M. enkel geciteerd werd in verband met de dagvaarding die P.C. had laten betekenen aan de Belgische Staat. D.V.D.M. gaf zijn mening hier duidelijk in zijn hoedanigheid van voorzitter van de commissie en woordvoerder (zie o.m.: “In mijn hoedanigheid van voorzitter van de Kamer kan ik niet anders dan de grondwettelijke autonomie van het Parlement verdedigen.”). (…)
(27)Het stuk 37 betreft een interview dat D.V.D.M. heeft gegeven op Radio 1 op 22 december 2016. Dit interview heeft hij gegeven als (kersverse) voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie en de meningen die hij aldaar verkondigde vallen onder het toepassingsgebied van art. 58 Gw.
(28)Het stuk 38 betreft een interview op ‘RTBF.be’ d.d. 15 januari 2017, eveneens door D.V.D.M. gegeven als voorzitter/woordvoerder van de commissie (zie o.m.: “Gehoord door de RTBF in de uitzending A votre avis, heeft de gedeputeerde D.V.d.M. voorzitter van de commissie Kazachgate, voorgesteld dat de teksten van de amendementen van het wetsontwerp van de regering, gestemd in commissie, voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State.”). Art. 58 Gw is alhier zodoende van toepassing. (…)
(38)Het stuk 55 betreft een artikel op ‘vrtnws’ d.d.26 april 2018, getiteld “V.d.M. krijgt de wind van voren”. In dit artikel werd verslag gedaan van de commissievergadering van de (woens)dag voordien. D.V.D.M. nam in dit artikel nooit het woord ten aanzien van de vrt (en verkondigde hier dus geen mening). Waar D.V.D.M.in het artikel geciteerd werd betreft het zijn gezegdes in de commissie, die onder het toepassingsgebied van art. 58 Gw vallen. (…) 7.6. Eerste tussentijds besluit: Enkel de meningen geuit door D.V.D.M. hiervoor weerhouden onder
(1), zijnde in het stuk 11 van P.C., onder
(2), zijnde in het stuk 9 van P.C., onder
(3), zijnde in het stuk 30 (en het stuk 47) van P.C., onder
(11), zijnde in de stukken 56a en 56b van P.C., onder
(14), zijnde in het stuk 15 van P.C. en onder
(39), zijnde in het stuk 59 van P.C., kunnen ten gronde beoordeeld worden. Het alternatief eindrapport van D.V.D.M.(stuk 57 P.C.) valt evenmin onder het toepassingsgebied van art. 58 Gw en kan zodoende eveneens ten gronde beoordeeld worden. In zoverre gesteund op de gedragingen/meningen van D.V.D.M. die hij heeft geuit in de andere stukken, is de vordering van P.C. niet ontvankelijk omdat deze vallen onder de parlementaire onverantwoordelijkheid van art. 58 Gw.” III. Cassatiemiddel A. Uiteenzetting van het middel 8. In het enig middel tot cassatie, dat is opgedeeld in vier onderdelen, voert eiser een schending aan van: - de artikelen 10 en 17 EVRM, 19, 58 en 149 van de Grondwet, de artikelen 1382 en 1382 (sic, bedoeld wordt wellicht 1383) van het oud Burgerlijk Wetboek, - de artikelen 1 tot en met 13 van de Wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, - de artikelen 5, 21 en 145-148 van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de artikelen 10.2 en 10.3 van het Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies, door de kamer van volksvertegenwoordigers op 23 oktober 1997 aangenomen, - alsook van het algemeen rechtsbeginsel houdende dat bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal recht primeren op bepalingen van het nationaal recht. 9. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat de woorden “in de uitoefening van zijn functie uitgebracht” in artikel 58 van de Grondwet “feitelijke beschuldigingen” door een parlementslid uitsluiten, ook al werden ze gehouden in het raam van een debat van algemeen belang. Hij verdedigt de opvatting dat niet gedekt worden door de parlementaire onverantwoordelijkheid: “Enerzijds, feitelijke beweringen nopens een persoon en, anderzijds, feitelijke beweringen in het raam van privé aangelegenheden die geen verband vertonen met problemen van algemene draagwijdte of deel uitmaken van het politiek debat. Bijgevolg, wordt in deze mate, de draagwijdte van artikel 58 van de Belgische Grondwet weldegelijk beperkt ook al werden deze feitelijke beweringen gehouden in het raam van een debat van algemeen belang.” Door te oordelen dat de verklaringen die verweerder heeft gedaan als voorzitter van de onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie, zijn gedekt door de parlementaire onverantwoordelijkheid waaronder tevens wordt verstaan persmededelingen, persinterviews en -conferenties gedaan als voorzitter van de onderzoekscommissie dan wel uit naam van de commissie, en dat verweerder zich enkel niet kan beroepen op artikel 58 van de Grondwet wanneer hij zijn mening niet uit in zijn hoedanigheid van voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie, zouden de appelrechters artikel 58 van de Grondwet en artikel 10 EVRM en 19 van de Grondwet hebben geschonden. 10. In het tweede onderdeel, dat is opgedeeld in twee subonderdelen, voert eiser aan dat als lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers en als voorzitter van de onderzoekscommissie verweerder gehouden was het Reglement van orde van 23 oktober 1997 na te leven. De niet-naleving van dit reglement zou, volgens eiser, een inbreuk uitmaken op de artikelen 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek en aldus de aansprakelijkheid meebrengen van verweerder en bijgevolg de onmogelijkheid om zich op artikel 58 van de Grondwet te beroepen. (
  1. a)Eerste subonderdeel Eiser voert aan dat uit de artikelen 10.2 en 10.3 van het Reglement van orde van 23 oktober 1997 voortvloeit dat de voorzitter van de commissie enkel in naam van de commissie spreekt en dat de communicatie met de pers na de vergadering met gesloten deuren beperkt is, na gezamenlijk overleg, tot een mededeling, en het recht om namens de commissie het woord te voeren geen vrijgeleide is voor de voorzitter om eender welke verklaring af te leggen, doch dat hij zich dient te beperken tot het verstrekken van objectieve informatie aangaande de werking en agenda van de commissie en het hem niet toekomt om in deze functie waardeoordelen of opinies te uiten over de tijdens de commissievergaderingen aan bod gekomen feiten of getuigenissen. (
  2. b)Tweede subonderdeel In het tweede subonderdeel laat eiser gelden dat artikel 10.3 van het Reglement van orde van 23 oktober 1997 vereist dat de verklaringen door de voorzitter/woordvoerder van een onderzoekscommissie plaatsvinden “meteen na de vergadering” en dat de niet-naleving van dit voorschrift een fout uitmaakt waardoor meteen ook elke toepassing van artikel 58 van de Grondwet is uitgesloten. 11. In het derde onderdeel voert eiser aan dat uit artikel 10 EVRM voortvloeit dat een beperking van het principe van de vrije meningsuiting restrictief dient te worden geïnterpreteerd en niet vermag te leiden tot een parlementaire onverantwoordelijkheid die het uiten van feitelijke beweringen betreffende een persoon alsook beweringen die geen verband vertonen met problemen van algemene draagwijdte of deel uitmaken van het politiek debat gedoogt. Door anders te oordelen, zouden de appelrechters de artikelen 10 en 17 EVRM schenden. 12. In het vierde onderdeel voert eiser aan dat het arrest door een tegenstrijdigheid zou zijn aangetast omdat het enerzijds zou aanvaarden dat de voorzitter van een parlementaire onderzoekscommissie die buiten zijn rol als woordvoerder treedt verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden, doch anderzijds zou beslissen dat de voorzitter zich op zijn parlementaire onverantwoordelijkheid kan beroepen niettegenstaande hij buiten zijn rol van woordvoerder is getreden. B. Bespreking van het middel 1) Eerste onderdeel 13. Krachtens artikel 58 Grondwet kan geen lid van één van beide Kamers worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht. 14. In de toelichting bij het eerste onderdeel voert de eiser aan dat volgens het EHRM de absolute onverantwoordelijkheid enkel geldt voor meningen die verband houden met parlementaire functies in de strikte zin. Uitspraken die uiting geven aan een persoonlijke vete kunnen niet beschouwd worden als verklaringen die stricto sensu onder de parlementaire functie vallen, zelfs indien deze ruzie tussen individuen verband zou houden met een politieke activiteit. Voorts verwijst de eiser in de toelichting bij het eerste onderdeel naar de conclusie van advocaat-generaal G. Maduro in de zaak Marra (C. 200/07 en C-201/07). Volgens deze advocaat-generaal moet artikel 9 van het Protocol dat leden van het Europees Parlement verzekert van een absoluut voorrecht in verband met meningen die zij in de uitoefening van hun ambt afleggen, ruim worden uitgelegd. Anderzijds kan die bepaling volgens advocaat-generaal Maduro niet worden ingeroepen bij feitelijke beweringen over een persoon of in het kader van privé-zaken die geen verband houden met kwesties van openbare orde of onderwerpen die tot het politieke debat behoren. Dergelijke meningen worden aldus de Advocaat-generaal geacht niet te zijn uitgebracht in de uitoefening van de functie. Veel zal echter afhangen van de concrete omstandigheden van de zaak. 15. De conclusie van advocaat-generaal Maduro is zonder twijfel zeer interessant, maar is zij ook relevant voor onderhavige zaak? Ten eerste moet worden vastgesteld dat artikel 58 van de Grondwet strikt genomen geen verband houdt met voormeld Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie. De uitleg van artikel 9 van het Protocol door het Hof van Justitie is derhalve niet bepalend voor de uitleg van artikel 58 van de Grondwet. Ten tweede, ontleent eiser zijn uitleg van artikel 58 van de Grondwet niet aan het arrest van het Hof van Justitie, maar wel aan de conclusie van de advocaat-generaal. Bij lezing van het arrest blijkt echter dat het Hof van Justitie, hoewel het de redenering van de advocaat-generaal niet heeft verworpen, diens redenering evenmin heeft overgenomen, omdat zulks niet nodig was voor de oplossing van de rechtsvraag die aan het Hof werd voorgelegd. Aan het Hof werd niet de vraag voorgelegd "of een handeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een in de uitoefening van de parlementaire functie uitgebracht advies in de zin van artikel 9 van het Protocol vormt", maar het Hof had enkel tot taak "de wijze van toepassing van dit artikel door de nationale rechterlijke instanties en door het Parlement te verduidelijken". 16. Uit de enkele omstandigheid dat het gaat om feitelijke beweringen betreffende een persoon, alsook om beweringen die geen verband houden met problemen van algemene draagwijdte of deel uitmaken van het politieke debat, kan niet ipso facto worden afgeleid dat die beweringen door het parlementslid niet zijn uitgebracht in de uitoefening van zijn functie
(29). De feitenrechter dient telkens opnieuw op onaantastbare wijze na te gaan of de betwiste beweringen door het parlementslid zijn gedaan in de uitoefening van zijn functie. Is dat het geval dan zijn die beweringen gedekt door de parlementaire onverantwoordelijkheid. De rechter is dan niet bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de eventuele misbruiken van de uitingsvrijheid van het parlementslid. Alleen de voorzitter kan desgevallend sanctionerend optreden op basis van het reglement van de betrokken kamer
(30). 17. De parlementaire onverantwoordelijkheid mag dan wel absoluut zijn in die zin dat zij niet moet wijken voor tegengestelde belangen, zij is niet onbegrensd. Artikel 58 van de Grondwet voorziet in de onverantwoordelijkheid van het parlementslid voor “een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht”. Deze bepaling garandeert aldus de vrijheid van meningsuiting voor parlementsleden doch enkel wat betreft de mening en de stem die zij “in de uitoefening van hun functie” uitbrengen. De ratio legis van die bepaling is immers de vrije, onafhankelijke werking van het Parlement te verzekeren, hetgeen een open parlementair debat veronderstelt, alsook de vrije uitoefening van de parlementaire functie. Zodra een mening door een parlementslid wordt uitgebracht in de uitoefening van zijn functie, is deze gedekt door de parlementaire onverantwoordelijkheid. De inhoud van de mening is daarbij van geen belang. Ook een beledigende, lasterlijke of racistische mening valt onder de parlementaire onverantwoordelijkheid indien het parlementslid deze mening heeft uitgebracht in de uitoefening van zijn functie
(31). Er is aldus steeds een functionele band met het mandaat vereist. In de rechtsleer is men het erover eens dat die functionele band niet veronderstelt dat het toepassingsgebied van de parlementaire onverantwoordelijkheid beperkt is tot de meningen die binnen het parlementair halfrond of binnen de gebouwen van Kamer en Senaat worden geuit. Ook de standpunten ingenomen tijdens de beraadslaging van parlementaire afdelingen en commissies en zelfs van fractievergaderingen zijn gedekt. Dat is niet het geval voor louter politieke activiteiten die toevallig binnen de muren van het parlement plaatsvinden. Al de overige activiteiten van een parlementslid die verband houden met zijn activiteit ‘als politicus’, maar niet ‘als parlementslid’, zijn evenmin beschermd (extraparlementaire toespraken, kranteninterviews, partijpublicaties, deelname aan een debat van algemeen belang, enz.)
(32). Met andere woorden: een parlementslid geniet slechts van de parlementaire immuniteit indien de mening daadwerkelijk en rechtstreeks gelinkt is aan de uitoefening van zijn of haar functie, en de functie ook vereist dat het parlementslid optreedt. Dit principe dient uitermate strikt te worden geïnterpreteerd indien het gaat om meningen geuit buiten het parlementsgebouw
(33).
  1. Deze (strikte) benadering in de rechtsleer van de parlementaire immuniteit spoort met een belangrijk arrest van het Hof van 1 juni
  2. In dat arrest bevestigt het Hof de ratio legis van artikel 58 van de Grondwet: “De parlementaire immuniteit dient een legitiem doel: het beschermen van de vrije meningsuiting in het parlement en de handhaving van de scheiding van machten tussen wetgever en rechter”. Die parlementaire meningsvrijheid omvat, aldus het Hof, niet enkel de mondelinge verklaringen van individuele parlementsleden, maar ook hun geschriften. Zij omvat voorts alle parlementaire werkzaamheden, zo ook deze van een parlementaire onderzoekscommissie. Het Hof besluit dat “indien de burgers het recht zouden hebben om een schadeclaim tegen de Staat in te leiden op grond van een beweerde onzorgvuldige meningsuitdrukking geuit in het raam van de parlementaire werkzaamheden, die vrijheid in strijd met de Grondwet beperkt zou worden”
(34). Uit dat arrest kunnen volgende principes worden afgeleid: - Teneinde een open parlementair debat te waarborgen en de wetgevende macht aldus in staat te stellen haar prerogatieven ten volle uit te oefenen, is de vrijheid van meningsuiting in het kader van het parlementaire debat absoluut. - Overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten en ter bescherming van de parlementaire activiteit kan de rechterlijke macht in beginsel geen toezicht uitoefenen op de debatten die worden gevoerd in de wetgevende kamers. - De rechter kan, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, toezicht uitoefenen op de wijze waarop parlementsleden in het kader van hun werkzaamheden hun mening uitdrukken. - De parlementaire immuniteit moet strikt worden geïnterpreteerd en mag geen betrekking hebben op meningen geuit door parlementsleden buiten het kader van hun parlementaire werkzaamheden. De parlementaire immuniteit die in artikel 58 van de Grondwet is neergelegd, betreft weliswaar een absolute immuniteit, maar die immuniteit is aldus niet onbegrensd: de parlementaire immuniteit is slechts absoluut wat betreft de meningen door parlementsleden geuit in het kader van hun parlementaire werkzaamheden. 19. Uit deze interpretatie van artikel 58 van de Grondwet volgt dat indien een parlementslid immuniteit geniet wat betreft de meningen die hij heeft geuit binnen het kader van zijn parlementaire werkzaamheden, die immuniteit niet geldt voor de meningen die hij daarbuiten heeft geuit. Een derde die meent het slachtoffer te zijn geworden van uitlatingen van een parlementslid die een schadevergoeding rechtvaardigen, heeft dus het recht zich tot de rechter te wenden, die dan op onaantastbare wijze moet nagaan: (i) of het betrokken parlementslid de betwiste mening heeft uitgebracht in de uitoefening van zijn functie, in welk geval de parlementaire immuniteit speelt, en (ii) indien de meningsuiting daar niet onder valt, of het verzoek om schadevergoeding al dan niet gegrond is
(35). 20. Een minderheid van de auteurs verdedigt een ruimere uitleg van artikel 58 van de Grondwet in die zin dat alle verklaringen door parlementsleden afgelegd in het kader van een debat van algemeen belang (en dus niet zozeer binnen het kader van hun parlementaire werkzaamheden) onder het toepassingsgebied van artikel 58 zouden moeten vallen, ongeacht de plaats waar het parlementslid die verklaringen aflegt
(36). Daarbij kunnen volgende kanttekeningen worden gemaakt. (
  1. i)Deze visie gaat voorbij aan de ratio legis van de parlementaire immuniteit. Deze immuniteit werd vanuit historisch oogpunt ingevoerd om het Parlement en zijn leden te beschermen tegen (kritiek van) de Koning (als uitvoerende macht) en diens controle over de rechterlijke macht. De parlementaire immuniteit dient aldus het algemeen belang, eerder dan de individuele belangen van de parlementsleden. Hoewel in een politiek systeem zoals dat van België, dat gekenmerkt wordt door brede coalities en gedomineerd wordt door diverse politieke families, die (historische) dreiging (van inmenging) niet meer aanwezig is (of althans zeer sterk verminderd is), is de parlementaire immuniteit blijven bestaan. Volgens sommige auteurs heeft deze parlementaire immuniteit vandaag geen bestaansreden meer, vermits het gemeen recht inzake de vrijheid van meningsuiting op voldoende wijze “the freedom of speech” van de parlementsleden waarborgt. In ieder geval lijkt een dergelijke ruime uitleg van de parlementaire immuniteit, waarbij parlementsleden “als politicus” beschermd worden tegen kritiek van burgers, mij vanuit historisch oogpunt een verkeerde uitleg te zijn van artikel 58 van de Grondwet. (
  2. ii)Bovendien geeft een dergelijke ruime uitleg van de parlementaire immuniteit blijk van wantrouwen in de rechterlijke macht: het lijkt alsof hoven en rechtbanken niet bekwaam zouden zijn om de vrijheid van meningsuiting van de parlementsleden “als politicus” te beschermen. Een andere verklaring voor die ruime interpretatie van artikel 58 van de Grondwet, kan zijn dat men van mening is dat het feit dat een parlementslid voor de rechter wordt gedaagd reeds een bedreiging van de democratie vormt. De auteurs EL BERHOUMI en ROMAINVILLE lijken deze mening te zijn toegedaan. Die gedachte is niet nieuw, maar werd reeds naar voren geschoven door K. MUYLLE, zij het weliswaar met enige terughoudendheid, en met verwijzing naar dissenting opinions van twee rechters bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een zaak waarop verder nog wordt teruggekomen
(37). Volgens deze rechters zou het toestaan van strafrechtelijke en civielrechtelijke procedures tegen parlementsleden een rem zetten op het politieke debat. De parlementaire immuniteit speelt, aldus deze rechters, daarom een belangrijke rol in het vrijwaren van het politieke debat. Deze rechters lijken er aldus van uit te gaan dat de parlementaire onverantwoordelijkheid tot gevolg heeft dat een parlementslid niet kan worden gedagvaard, wat uiteraard absurd is. De parlementaire onverantwoordelijkheid vormt in het beste geval slechts een exceptie die door het parlementslid, dat voor de rechter wordt gedaagd, kan worden ingeroepen en die de rechter kan toelaten om de vordering tegen het parlementslid af te wijzen, zonder de gegrondheid ervan te moeten onderzoeken. Met andere woorden: de parlementaire onverantwoordelijkheid betreft geen immuniteit van rechtsvervolging die het parlementslid ervan zou vrijstellen om voor de rechter te verschijnen
(38). Een voorbeeld hiervan vinden we terug in de zaak C.21.0487.F: de feitenrechters dienden de feiten die ten laste werden gelegd van het betrokken parlementslid grondig te onderzoeken, teneinde na te gaan of deze verband houden met de parlementaire activiteit, en aldus gedekt zijn door de parlementaire immuniteit. Zowel de eerste rechter als de beroepsrechter hebben het bestaan vastgesteld van handelingen die niet gedekt zijn door die immuniteit, en dewelke aldus een onderzoek ten gronde rechtvaardigen. (iii) Het uitbreiden van de parlementaire onverantwoordelijkheid naar alle tussenkomsten van het parlementslid bij discussies van algemeen belang veronderstelt onvermijdelijk dat de inhoud van de tussenkomst wordt beoordeeld. Wanneer de inhoud van de afgelegde verklaring het criterium zou worden om de parlementaire onverantwoordelijkheid vast te leggen, zou echter ook een parlementaire verklaring tijdens een parlementair debat het voorwerp kunnen uitmaken van een rechterlijke toetsing. Zulks is niet verzoenbaar met de parlementaire onverantwoordelijkheid die een functionele betekenis heeft en ook één van de pijlers is van de scheiding der machten. Door aan de rechterlijke macht toe te laten, volgens de inhoud van de verklaring van een parlementslid in het parlementair debat, al dan niet sanctionerend op te treden zou het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten ongetwijfeld worden miskend
(39). (iv) Ten slotte bestaat er geen eensgezindheid onder de specialisten in het publiekrecht wat betreft deze ruime interpretatie van artikel 58 van de Grondwet. Daarentegen wordt zelfs gepleit voor de afschaffing van de parlementaire immuniteit
(40), minstens voor een strikte interpretatie ervan
(41). 21. Een strikte uitleg van artikel 58 van de Grondwet ligt overigens in de lijn van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat een absolute immuniteit enkel aanvaardt voor meningen die verband houden met de “parlementaire functies in de strikte zin”. In het arrest A. tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 december 2002
(42)diende het Europees Hof zich uit te spreken over de vraag of de parlementaire immuniteit een schending inhoudt van het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6, lid 1 EVRM. Deze vraag werd aan het Europees Hof voorgelegd door een Britse vrouw die in een debat over sociale huisvesting in het House of Commons met naam, toenaam en adres door een parlementslid werd genoemd als typevoorbeeld van "helse buren". De vrouw voerde aan dat zij wegens de parlementaire onverantwoordelijkheid niet in de mogelijkheid was geweest om een procedure in te leiden tegen het parlementslid. Zij beweerde dat deze onmogelijkheid om in rechte op te treden, een schending inhield van haar recht op toegang tot een rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6, lid 1, van het Verdrag, alsook van haar recht op eerbiediging van haar privéleven, zoals gewaarborgd doorartikel 8 van het Verdrag, en een met artikel 14 van het Verdrag strijdige discriminatie inhield. Zij riep ook de schending in van artikel 13 van het Verdrag. Volgens het Europees Hof vormt de parlementaire onverantwoordelijkheid in principe geen disproportionele beperking van het recht op een eerlijk proces, en het eraan verbonden recht op toegang tot de rechter. Het Europees Hof verwijst o.a. naar het feit dat deze onverantwoordelijkheid in het Verenigd Koninkrijk slechts geldt voor meningen uitgesproken tijdens de zitting van het parlement zelf en dus geen toepassing vindt ten opzichte van verklaringen buiten het parlement. De absolute immuniteit dient om de belangen van het Parlement in zijn geheel te beschermen, maar niet om de individuele belangen van de parlementsleden te beschermen. 22. Uit de latere rechtspraak van het Europees Hof blijkt dat de toekenning van een parlementaire immuniteit zonder enige beperkende draagwijdte, wel een onevenredige beperking inhoudt van het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Verdrag
(43). Zo acht het Europees Hof het toekennen van immuniteit aan een door een parlementslid geuitte mening die geen uitstaans heeft met een parlementair debat, noch met de uitoefening van het parlementair mandaat, wel strijdig met artikel 6 van het Verdrag
(44). Wanneer de onverantwoordelijkheid ook geldt buiten het parlement, moet aldus het Europees Hof de band tussen de extra muros verklaringen en het parlementaire werk strikt worden geïnterpreteerd
(45). Het toekennen van eenzelfde beschermingsgraad aan andere uitingen van parlementsleden staat aldus op gespannen voet met het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM), ook al betreft het uitingen van “politieke aard” of “gerelateerd aan politieke activiteiten”.
  1. In het licht van het voorgaande lijkt het niet mogelijk om, zonder daarbij een conflict te creëren tussen de Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, aan de parlementaire immuniteit een ruimere draagwijdte toe te kennen dan de draagwijdte die het Hof daaraan toekent. Hieruit volgt ook dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat feitelijke beweringen betreffende een persoon, alsook beweringen die geen verband vertonen met problemen van algemene draagwijdte of deel uitmaken van het politiek debat steeds uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van artikel 58 Grondwet, en het de rechter aldus niet toekomt te beoordelen of die beweringen door het betrokken parlementslid zijn uitgebracht in de uitoefening van zijn functie, faalt naar recht. 2) Tweede onderdeel a. Eerste subonderdeel
  2. Artikel 10.2 van het Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies bepaalt dat, behoudens andersluidende beslissing van de commissie, alleen de voorzitter het woord uit haar naam voert. Artikel 10.2 bepaalt dus dat alleen de voorzitter het woord uit naam van de commissie kan voeren. Daarmee wordt niet bepaald wat de voorzitter mag zeggen, alleen dat hij (als enige) het recht heeft om te spreken in naam van de commissie.
  3. Heel dit subonderdeel wordt eigenlijk vastgeknoopt aan de schending van artikel 10.
  4. Artikel 10.3 van het Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies bepaalt dat na afloop van iedere vergadering met gesloten deuren de onderzoekscommissie in gezamenlijk overleg beslist welke gegevens aan de pers kunnen worden meegedeeld. Meteen na de vergadering legt de voorzitter een verklaring aan de pers af. Het subonderdeel gaat ervan uit dat alleen verklaringen die zich beperken tot het verstrekken van objectieve informatie door de voorzitter zijn afgelegd in zijn hoedanigheid van voorzitter, en dat verklaringen die zich niet beperken tot het verstrekken van objectieve informatie door de voorzitter niet zijn afgelegd in zijn hoedanigheid van voorzitter. Artikel 10.3 bevat echter geen criterium om op basis van de inhoud van de verklaring uit te maken of de voorzitter al dan niet in zijn hoedanigheid van voorzitter een verklaring heeft afgelegd. Die bepaling stelt alleen dat na afloop van iedere vergadering met gesloten deuren de onderzoekscommissie in gezamenlijk overleg beslist welke gegevens de voorzitter aan de pers kan meedelen. Artikel 10.3 sluit niet uit dat de voorzitter in zijn hoedanigheid van voorzitter verklaringen kan afleggen die zich niet beperken tot het verstrekken van objectieve informatie. In zoverre hij daardoor iets persoonlijks toevoegt aan de gegevens die met toestemming van de commissie aan de pers mogen worden meegedeeld, en hij zodoende zijn mededelingsmandaat overschrijdt, valt die handeling onder de tuchtrechtelijke bevoegdheid van de Kamervoorzitter. De appelrechters oordelen terecht dat het niet aan de rechter toekomt te oordelen wat de voorzitter in zijn hoedanigheid van voorzitter wel of niet kan en mag verklaren. De rechter kan niet oordelen dat een mening uitgebracht door de voorzitter in zijn hoedanigheid van voorzitter foutief was
(46). Het is de Kamervoorzitter die dienaangaande over een tuchtrechtelijke bevoegdheid beschikt. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. 26. Voor het overige
(47)preciseert het subonderdeel niet hoe de appelrechters deze bepalingen schenden. Het subonderdeel schijnt een schending daarvan af te leiden uit de schending van de artikelen 10.2 en 10.3 van het Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissie. Voor zover het subonderdeel afgeleid is, is het bijgevolg niet ontvankelijk. b. Tweede subonderdeel
  1. Het subonderdeel gaat ervan uit dat alleen verklaringen die onmiddellijk na de vergadering zijn afgelegd door de voorzitter, zijn afgelegd in zijn hoedanigheid van voorzitter, en dat verklaringen die niet onmiddellijk na de vergadering zijn afgelegd door de voorzitter, niet zijn afgelegd in zijn hoedanigheid van voorzitter. Artikel 10.3 van het Reglement van orde voor de parlementaire onderzoekscommissies bepaalt dat na afloop van iedere vergadering met gesloten deuren de onderzoekscommissie in gezamenlijk overleg beslist welke gegevens aan de pers kunnen worden meegedeeld. Meteen na de vergadering legt de voorzitter een verklaring aan de pers af. Artikel 10.3 bevat echter geen criterium om uit te maken of de voorzitter al dan niet in zijn hoedanigheid van voorzitter een verklaring heeft afgelegd. Die bepaling stelt alleen dat de voorzitter onmiddellijk na de vergadering (met gesloten deuren) een verklaring aan de pers aflegt. Die verklaring zal hij afleggen in zijn hoedanigheid van voorzitter. Artikel 10.3 sluit echter op geen enkele manier uit dat de voorzitter op een later tijdstip nog verklaringen kan afleggen in zijn hoedanigheid van voorzitter, dan wel uit naam van de commissie. Anders dan waarvan het subonderdeel uitgaat, volgt uit deze bepaling dus niet dat de voorzitter niet in zijn hoedanigheid van voorzitter of uit naam van de commissie kan optreden wat betreft verklaringen die niet onmiddellijk na de vergadering van de commissie zijn afgelegd. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. 3) Derde onderdeel
  2. Zoals uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt, zijn feitelijke beweringen betreffende een persoon, alsook beweringen die geen verband houden met problemen van algemene draagwijdte of deel uitmaken van het politieke debat, slechts gedekt door de parlementaire onverantwoordelijkheid, indien het parlementslid ze heeft uitgebracht in de uitoefening van zijn functie. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat voormelde beweringen uitgebracht door een parlementslid steeds gedekt zijn door de parlementaire onverantwoordelijkheid, faalt naar recht. 4) Vierde onderdeel
  3. Volgens het onderdeel is het tegenstrijdig enerzijds te oordelen dat de verweerder zich enkel niet kan beroepen op artikel 58 Grondwet wanneer hij “zijn mening niet uitbrengt in zijn hoedanigheid van voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie” en anderzijds te oordelen dat “wanneer (verweerder) zijn mening niet uitbrengt in zijn hoedanigheid van voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie dan wel uit naam van die commissie (…) hij zich niet (zal) kunnen beroepen op art. 58 Gw”. Volgens het onderdeel is die motivering tegenstrijdig waar het enerzijds aanvaardt dat de voorzitter die buiten zijn rol als woordvoerder treedt verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden, doch anderzijds beslist dat de voorzitter zich op zijn parlementaire onverantwoordelijkheid kan beroepen, niettegenstaande hij buiten zijn rol van woordvoerder is getreden. Dat laatste blijkt echter niet uit de geciteerde overwegingen van het arrest, noch uit het arrest zelf.
  4. Volgens mij zijn de aangevoerde beschouwingen niet tegenstrijdig, en mist het onderdeel bijgevolg feitelijke grondslag. III. Besluit
  5. Verwerping van het cassatieberoep. ________________________________________
(1)Zie art. 10 EVRM.
(2)Zie art. 19 Gw.
(3)Zie ook verder, randnummer 8.1.
(4)Zie ‘De parlementaire onverantwoordelijkheid (freedom of speech)’, Uitgegeven door de Juridische dienst van de Kamer van Volksvertegenwoordigers – mei 2015, blz. 21.
(5)Blz. 11.
(6)Cass. 11 april 1904, Pas., 1904, I, 199.
(7)Cass. 12 oktober 1911, Pas., 1911, I, 508.
(8)Brussel, (11e k.) nr. 1131, 18 april 2006 AM 2007, afl. 4, 381.
(9)K. MUYLLE “Rechten van de mens en parlementaire immuniteiten: toont Luxemburg de weg aan Straatsburg?” in X, Parlementair recht en grondrechten, die Keure, 2010, 80-90.
(10)Zie www.dekamer.be.
(11)Zie M. EL BERHOUMI en C. ROMAINVILLE, “Pour des parlementaires plus irresponsables”, JT 2017, 449-451.
(12)Zie ook K. MUYLLE, “Rechten van de mens en parlementaire immuniteiten: toont Luxemburg de weg aan Straatsburg?”, in M. VAN DER HULST en A. REZSÖHÀZY, Parlementair recht en grondrechten, Brugge, die Keure, 2010, 93-94; zie ook K. MUYLLE, Kroniek Parlementair Recht, TBP 2019, 512.
(13)Voor een bespreking van dit vonnis, neergelegd onder stuk 6 van D.V.D.M., zie K. MUYLLE, Kroniek Parlementair Recht, TBP 2019, 512.
(14)Zie o.m. EHRM 17 december 2002, A. t. Verenigd Koninkrijk, § 83; zie ook EHRM 30 april 2003, Cordova t. Italië (n° 1 en 2), § 62.
(15)Zie ook het document getiteld “de parlementaire onverantwoordelijkheid (freedom of speech)”, meer bepaald de beknopte juridische analyse op blz. 24.
(16)Zie o.m. blz. 55 van zijn synthesebesluiten: “Het betreffende interview illustreert daarnaast evenzeer duidelijk de persoonlijke drijfveer van geïntimeerde, die haaks staat op hetgeen van een Voorzitter van een Parlementaire onderzoekscommissie verwacht kan worden.” En blz. 76 van zijn synthesebesluiten: “Omwille van het strategische (politieke) oogmerk van de afgelegde uitspraken, kunnen die uitspraken geen bescherming ex. Artikel 58 Gw genieten”.
(17)Op blz. 77 van zijn synthesebesluiten.
(18)Zie art. 163bis.
(19)En verwijst o.m. naar zijn stukken 48 en 58.
(20)Randnummer 5.
(21)Die nochtans 90 bladzijden tellen.
(22)Blz. 42 van zijn synthesebesluiten.
(23)Zie blz. 50 van zijn synthesebesluiten.
(24)Per subtitel.
(25)Hier de randnummers 7.3, 7.4 en 7.5.
(26)Randnummer 8.2.
(27)Blz. 42 van zijn synthesebesluiten.
(28)Het stuk 10 van P.C.
(29)Zie ook K. MUYLLE, “Parlementair recht - Parlementaire onverantwoordelijkheid van de voorzitter en een lid van een parlementaire onderzoekscommissie”, TBP 2022, 239.
(30)S. SOTTIAUX, Grondwettelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2021, 139.
(31)N. AUDENAERT en W. DE BONDT, “Koffiedik kijken: ‘freedom of (hate/political) speech’ in botsing met antidiscriminatiewetgeving en het recht op een eerlijk proces?”, T.Strafr. 2019,
(100)116; C. BEHRENDT en M. VRANCKEN, Beginselen van het Belgisch staatsrecht, Brugge, die Keure, 2022, 171, nr. 218.
(32)R. HAYOIT DE TERMICOURT, “De parlementaire immuniteit”, RW 1955, 49 e.v.; J. VELU, Droit public, I, Le statut des gouvernants, Brussel, Bruylant, 1986, 496, nr. 332; A. MAST en J. DUJARDIN, Overzicht van het Belgisch Grondwettelijk Recht, Antwerpen, Story-Scienta, 1987, 155-156; H. VUYE, “Les irresponsabilités parlementaire et ministérielle: les articles 58, 101, alinéa 2, 120 et 124 de la Constitution”, CDPK 1997,
(1)12-14; F. DELPÉRÉE, Le droit constitutionnel de la Belgique, Brussel, Bruylant, 2000, p. 530, nr. 577; H. VANDENBERGHE, « Parlementaire onverantwoordelijkheid voor de “freedom of speech » en het E.V.R.M.” in Liber amicorum Jean-Pierre De Bandt, Brussel, Bruylant, 2004,
(907)911-912; K. RIMANQUE, De Grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 2005, 159; P. LAMBERT, “L'immunité parlementaire à l'épreuve d'un conflit de normes”, in En hommage à Francis Delpérée. Itinéraires d'un constitutionnaliste, Brussel, Bruylant, Parijs, L.G.D.J., 2007,
(743)745; P. CABOOR, “Rechten van de mens en parlementaire immuniteiten: Enkele overpeinzingen vanuit de praktijk van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat” in Parlementair recht en grondrechten, Brugge, die Keure, 2010,
(95)110-112; M. VERDUSSEN, “Un parlementaire peut-il tout dire?” in Liège, Strasbourg, Bruxelles: parcours des droits de l'homme. Liber amicorum Michel Melchior, Louvain-la-Neuve, Anthemis, 2010,
(1001)1004-1006; N. AUDENAERT en W. DE BONDT, “Koffiedik kijken: ‘freedom of (hate/political) speech’ in botsing met antidiscriminatiewetgeving en het recht op een eerlijk proces?”, T.Strafr. 2019,
(100)116; M. ELST en L. VAN LOOY, Het Vlaams Parlement. Verkiezing en statuut van de Vlaamse volksvertegenwoordigers, Mechelen, Kluwer, 2019, 388, nr. 726 e.v.; S. SOTTIAUX, Grondwettelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2021, 140; C. BEHRENDT en M. VRANCKEN, Beginselen van het Belgisch staatsrecht, Brugge, die Keure, 2022, 172, nr. 219; zie ook RvS 14 januari 2009, nr. 189.463, ro. 49 “Met een mening of stem in het kader van de uitoefening van het parlementair mandaat is evenwel niet te verwarren en gelijk te stellen de mening of stem uitgebracht in het kader van de uitoefening van partijactiviteiten of politieke activiteiten in het algemeen”; zie ook Verslag Vervolgingen ten laste van een lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, Parl.St. Kamer 1992-1993, nr. 781/1, 5.
(33)N. AUDENAERT en W. DE BONDT, “Koffiedik kijken: ‘freedom of (hate/political) speech’ in botsing met antidiscriminatiewetgeving en het recht op een eerlijk proces?”, T.Strafr. 2019,
(100)117.
(34)Cass. 1 juni 2006, AR C.05.0494.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.9, AC 2006, nr. 306.
(35)Voor een verdere uitwerking hiervan zie conclusie van het parket voorafgaand het arrest in de zaak AR C.21.0487.F.
(36)M. EL BERHOUMI en C. ROMAINVILLE, “Pour des parlementaires plus irresponsables”, JT, 2017, 449. Zie in diezelfde zin ook K. MUYLLE, “Rechten van de mens en parlementaire immuniteiten: Toont Luxemburg de weg aan Straatsburg?” in Parlementair recht en grondrechten, Brugge, die Keure, 2010,
(49)80; K. MUYLLE, “Kroniek parlementair recht. Naar een ruimere, maar minder absolute, parlementaire verantwoordelijkheid?”, TBP 2019,
(511)513.
(37)K. MUYLLE, “Rechten van de mens en parlementaire immuniteiten: Toont Luxemburg de weg aan Straatsburg?”, in Parlementair recht en grondrechten, Brugge, die Keure, 2010, 79 e.v.
(38)Zie ook P. CABOOR, “Rechten van de mens en parlementaire immuniteiten: Enkele overpeinzingen vanuit de praktijk van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat” in Parlementair recht en grondrechten, Brugge, die Keure, 2010,
(95)101.
(39)H. VANDENBERGHE, “De parlementaire onverantwoordelijkheid (“freedom of speech”) en de parlementaire controle op de veiligheidsdiensten” in Liber amicorum Jo Stevens, Brugge, die Keure, 2011,
(621)636.
(40)H. VUYE, “La relation entre le parlement et le pouvoir judiciaire analysée du point de vue de la protection juridique du citoyen. Esquisse d'un ius commune », in Parlement & Pouvoir judiciaire, Brussel, Bruylant, 2008, 219.
(41)Zie referenties in vn. 4.
(42)EHRM, 17 december 2002, A. t. Verenigd Koninkrijk, commentaar D. VOORHOOF, “Europees Hof erkent absolute vrijheid parlementair debat”, Juristenkrant 2003, afl. 61, 6.
(43)Met soortgelijke terminologie, maar rekening houdend met de bijzondere kenmerken van elk geval (parlementsleden die tot verschillende instellingen behoren): EHRM 30 Januari 2003, Cordova t. Italie, §63; EHRM, 3 juni 2004, de Jorio t. Italie, §54; EHRM 6 december 2005, Ielo t. Italie, §51; EHRM, 20 april 2006, Patrono, Cascini en Stefanelli t. Italie, §63; EHRM, 24 februari 2009, C.G.I.L. en Cofferati t. Italië, §74; EHRM, 6 april 2010, C.G.I.L. en Cofferati t. Italië, §48.
(44)EHRM, 30 januari 2003, Cordova t. Italie (nrs. 1 en 2), commentaar D. VOORHOOF, “Europees Hof bakent vrijheid parlementair debat af”, Juristenkrant 2003, afl. 64, 9.
(45)EHRM, 24 februari 2009, C.G.I.L. en Cofferati t. Italie, §74, commentaar K. LEMMENS, “Straatsburg beperkt parlementaire onverantwoordelijkheid”, Juristenkrant 2009, afl. 187, 7.
(46)Cass. 1 juni 2006, AR C.05.0494.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.9, AC 2006, nr. 306.
(47)Schending van de artikelen 1 tot en met 13 Wet 3 mei 1880 en van de artikelen 5, 21 en 145 tot en met 148 Kamerreglement. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221216.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221216.1N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061004.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.