← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.22 Rolnummer: P.21.0828.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-02-09 Raadplegingen: 634 - laatst gezien 2026-06-18 19:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.22 Fiches 1 - 3 Uit het arrest van de preliminaire rechtszitting moet blijken dat de voorzitter van het hof van assisen die weigert een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen, heeft onderzocht of de in deze bepalingen vermelde voorwaarden zijn vervuld, maar daaruit volgt voor de voorzitter geen verdergaande motiveringsverplichting en ook artikel el 149 Grondwet verplicht de voorzitter van het hof van assisen niet om aan de hand van concrete gegevens te motiveren waarom hij weigert op de hier bedoelde lijst een getuige op te nemen die door een partij is voorgedragen overeenkomstig artikel 278, § 1, Wetboek van Strafvordering; de motiveringsplicht van de voorzitter van het hof van assisen in zijn arrest op grond van artikel 278 Wetboek van Strafvordering is niet los te zien van de omstandigheid dat de lijst van de getuigen op de preliminaire rechtszitting niet wordt vastgesteld door het hof van assisen maar door de voorzitter, die de lijst van de getuigen vaststelt en de volgorde waarin ze zullen worden gehoord na een summier debat, nadat hij de partijen en de procureur-generaal in hun opmerkingen heeft gehoord, zodat dit arrest slechts een beslissing alvorens recht te doen is die geen definitief oordeel inhoudt over de getuigen die tijdens het debat voor het hof van assisen zullen worden gehoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 8 Afgezien van de mogelijkheid dat de voorzitter tijdens het debat voor het hof van assisen beslist een niet op de lijst opgenomen getuige bij toepassing van het artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering te doen oproepen als getuige, kunnen de partijen tijdens het debat voor het hof van assisen een conclusie indienen waarbij zij verzoeken dat niet op de lijst van de preliminaire rechtszitting opgenomen getuigen alsnog door het hof van assisen zullen worden gehoord en het hof van assisen, samengesteld zoals bedoeld in artikel 216octies Wetboek van Strafvordering, dient hierop bij tussenarrest uitspraak te doen, zonder hierbij gebonden te zijn door het arrest van de preliminaire rechtszitting; hieruit volgt dat de voorzitter in het arrest van de preliminaire rechtszitting zijn weigering om een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen voldoende motiveert door te verwijzen naar een weigeringsgrond bepaald in artikel 278, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, zonder dat hij bij die motivering concrete omstandigheden van de zaak of criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vooropstelt voor het niet-horen van getuigen à charge of à décharge in het licht van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, moet betrekken en daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat een partij motiveert waarom zij wil dat het hof van assisen een bepaalde getuige hoort aangezien die motivering door de voorzitter of het hof van assisen kan worden beantwoord indien het al dan niet horen van die getuige tijdens het debat voor het hof van assisen terug aan bod zou komen ingevolge de toepassing van artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 12 Noch artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch artikel 13 EVRM verplicht het hof van assisen om elke persoon die tijdens het strafonderzoek een verklaring heeft afgelegd in verband met bepaalde feiten of beschuldigden of die wordt vermeld in de motivering van de beslissing over de schuld als getuige te horen, wanneer die verklaring of vermelding geen impact heeft op de beslissing over de schuld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.3.d en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.3.d en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.3.d en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 13 - 15 Het hof van assisen bepaalt voor elke beschuldigde afzonderlijk welke impact de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft op de aan de betrokkene op te leggen straf en het moet die impact niet vergelijken tussen verschillende beschuldigden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 16 - 17 Het hof van assisen dat een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd bij niet-overschrijding en het is niet vereist dat het hof van assisen de strafvermindering motiveert aan de hand van de criteria voor het bepalen van de overschrijding van de redelijke termijn, namelijk de complexiteit van de zaak, de houding van de beschuldigde, de houding van de vervolgende overheid en het belang van de beschuldigde bij de procedure, wanneer die criteria niet het voorwerp van een betwisting uitmaken; binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader, alsmede met eventuele bijzonderheden van de zaak zoals de overschrijding van de redelijke termijn maar het Hof gaat wel na of uit de vaststellingen en redenen van de beslissing niet blijkt dat er aan de vervolgde persoon een onredelijk zware straf is opgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 18 Artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalt in zijn eerste lid dat de onderzoeksrechter de verdachte kan vrijlaten tegen de betaling van een borgsom en in zijn vierde lid dat, niettegenstaande de in de artikelen 35, § 1, en 36 van die wet bepaalde termijnen, de borgsom wordt teruggegeven indien de verdachte bij alle proceshandelingen, alsook ter tenuitvoerlegging van het vonnis, is verschenen zodat de geldingsduur van de borgsom niet beperkt is tot de geldingsduur van de voorwaarden die eventueel ook aan de verdachte worden opgelegd; noch het feit dat er een ruime periode ligt tussen de vrijlating van de verdachte tegen de betaling van een borgsom en de proceshandelingen waarop hij onder garantie van die borgsom heeft toegezegd te zullen verschijnen, noch het feit dat in de loop van die periode de redelijke termijn voor de berechting is overschreden, ontheft de verdachte van zijn verplichting om op de vermelde proceshandelingen te verschijnen, op gevaar dat zijn borgsom wordt toegewezen aan de Staat overeenkomstig artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 35, § 1, eerste en vierde lid, § 4, vijfde lid, en 36 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 19 - 20 De rechter die over de bestemming van de borgsom beslist, kan oordelen dat de voorlopig in vrijheid gestelde verdachte die niet te bereiken is op het aldus opgegeven of gewijzigde adres om hem zijn oproepingen ter kennis te brengen, niet verschoonbaar is voor zijn niet-verschijning op alle proceshandelingen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 29 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 29 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de conclusie P.21.0828.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  1. Eiser 1 en eiseres 2 werden op 15 december 2011 door het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen, zetelend te Brugge, bij verstek veroordeeld, als dader of mededader aan moord op de persoon van M., (…), tot levenslange opsluiting. Beide eisers werden in november 2019 gearresteerd in Ivoorkust en op 19 februari 2020 uitgeleverd aan België en tekenden alsdan verzet aan tegen hun veroordeling. De nieuwe procedure voor het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen, zetelend te Brugge, gaf aanleiding tot verschillende arresten, met name: - het arrest nr. 13/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering (arrest I). - het arrest nr. 14/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering (arrest II). - het arrest nr. 12/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 5 maart 2021 over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van de verweerders op het verzet van de eisers (arrest III). - het arrest nr. 13/2021 van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 9 maart 2021, waarbij een deskundige werd aangesteld (arrest IV). - het arrest nr. 14/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 16 maart 2021 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (arrest V). - het arrest nr. 15/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 17 maart 2021 dat de eisers tot straf veroordeelt (arrest VI). Ingevolge de twee laatste arresten 14/2021 en 15/2021 van 16 maart 2021 en 17 maart 2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen, zetelend te Brugge, werden de eisers opnieuw schuldig bevonden aan de hogervermelde feiten en werden zij respectievelijk veroordeeld tot 30 jaar opsluiting (L.) en tot 24 jaar opsluiting (V.).
  2. Tegen deze verschillende arresten tekenden de beide betrokkenen telkens cassatieberoep aan, met name de cassatieberoepen I tot en met VI voor eiser 1 en de cassatieberoepen VII tot en met XII voor eiseres II. De cassatieberoepen I en VII zijn gericht tegen het arrest nr. 13/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering (hierna arrest I). De cassatieberoepen II en VIII zijn gericht tegen het arrest nr. 14/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering (hierna arrest II). De cassatieberoepen III en IX zijn gericht tegen het arrest nr. 12/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 5 maart 2021 over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van de verweerders op het verzet van de eisers (hierna arrest III). De cassatieberoepen IV en X zijn gericht tegen het arrest nr. 13/2021 van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 9 maart 2021, waarbij een deskundige werd aangesteld (hierna arrest IV). De cassatieberoepen V en XI zijn gericht tegen het arrest nr. 14/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 16 maart 2021 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (hierna arrest V). De cassatieberoepen VI en XII zijn gericht tegen het arrest nr. 15/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 17 maart 2021 dat de eisers tot straf veroordeelt (hierna arrest VI).
  3. Het is van belang hierbij te onderlijnen dat de cassatieberoepen II en VIII zijn gericht tegen het arrest 14/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering (arrest II) en waarbij de getuigenlijst werd vastgelegd, waarbij negen getuigen die door eiser 1 waren gevraagd en die door eiser 2 ook als relevant voor haar werden beschouwd, niet werden weerhouden. In de uiteenzetting van hun respectievelijke memories en meer bepaald in het eerste middel van eiser 1 en het tweede middel van eiseres 2, wordt de problematiek van de ontvankelijkheid van deze cassatieberoepen aangesneden en besluiten de beide eisers in hoofdorde tot de ontvankelijkheid van hun cassatieberoep 'conform de interpretatie van artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering volgens de geest en de strekking van de parlementaire werkzaamheden en in aansluiting met de hogere norm', in ondergeschikte orde tot 'de buitenwerkinglating van artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering' en in meest ondergeschikte orde tot het stellen aan het Grondwettelijk Hof van een prejudiciële vraag.
  4. Bij arrest van 21 september 2021 heeft het Hof, bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen II en VII, de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken wel een, eventueel uitgesteld, cassatieberoep kunnen instellen tegen elke in laatste aanleg gewezen tussenbeslissing waarbij de rechter een dergelijk verzoek afwijst”? En indien het antwoord op die vraag negatief is, “Schendt artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl diezelfde partijen op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering wel een uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de voorzitter van het hof van assisen dat uitspraak doet over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die de partijen overeenkomstig artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering voor de feitenrechter kunnen opwerpen”?
  5. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 119/2021 van 29 september 2022 de eerste prejudiciële vraag beantwoord en geoordeeld dat er geen aanleiding was tot een onderzoek van de tweede prejudiciële vraag. Het Grondwettelijk Hof stelt aldus
(1)dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1 en lid 3, d), van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en zegt aldus voor recht dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering deze artikelen schendt. II. ONDERZOEK VAN DE CASSATIEBEROEPEN.
  1. De eiser en de eiseres voeren respectievelijk in een memorie drie en vijf middelen aan en zij doen beiden afstand zonder berusting van hun respectieve cassatieberoepen in zoverre ze gericht zijn tegen de niet-definitieve beslissingen op burgerlijk gebied. Sommige van de middelen zijn gelijklopend voor de beide eisers en worden dan ook samen behandeld. Het komt mij voor dat de afstand kan worden verleend. Ingevolge het arrest 119/2021 van het Grondwettelijk Hof van 29 september 2022 zijn de cassatieberoepen II en VIII ontvankelijk zodat de grieven van de eisers tegen de niet-ontvankelijkheid van die cassatieberoepen, uiteengezet in de pagina’s 5-24 van de memorie van eiser I en de pagina’s 8-30 van eiseres II geen antwoord meer vereisen.
  2. Het eerste middel van de eiser en het tweede middel van de eiseres voeren de schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.d) en 13 EVRM, artikel 2 van het Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 278, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, alsmede de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. De kritiek betreft hier het arrest II (arrest 14/2020 van 24 september 2020) waarbij geweigerd werd negen personen die de eiser wenste te horen
(2)op te nemen op de getuigenlijst zoals bedoeld in artikel 278, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering en volgens de eisers zou deze beslissing door de voorzitter van het hof van assisen niet gemotiveerd zijn, behoudens dan met een standaardmotivering die een herneming is van de wettekst. Volgens de eiser vermeldt het arrest dan ook niet op een concrete en verifieerbare wijze waarom dit verzoek tot het horen van die getuigen werd afgewezen.
  1. Artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt:
  2. Iedereen die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, heeft het recht zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld.
  3. Op dit recht zijn uitzonderingen mogelijk met betrekking tot lichte overtredingen, zoals bepaald in de wet, of in gevallen waarin de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of werd veroordeeld na een beroep tegen vrijspraak. Dit artikel heeft aldus betrekking op het recht op hoger beroep in strafzaken en is derhalve vreemd aan de aangevoerde grief.
  4. Het komt me voor dat de eiseres zich voor uw Hof niet kan beklagen over de weigering van de voorzitter van het hof van assisen om op die getuigenlijst getuigen op te roepen die in casu enkel door de eiser werden gevraagd aangezien het oproepen van getuigen strekt tot de eerbiediging van het recht van verdediging en dit een persoonlijk recht is. Ik ben de mening toegedaan dat hieraan in generlei mate afbreuk wordt gedaan door in te roepen dat de eisers gelijklopende belangen zouden hebben. Het middel van de eiseres is dan ook in zoverre niet ontvankelijk.
  5. De preliminaire zitting van het hof van assisen werd ingevoerd door de wet van 21 december 2009
(3)waarbij een procedure tot stand kwam waarin de voorzitter van het hof van assisen, zetelend zonder jury en zonder assessoren, na een debat op tegenspraak en in openbare terechtzitting, een arrest velt houdende de vaststelling van de getuigenlijst. Deze procedure is verankerd in het artikel 278 Wetboek van Strafvordering. Vervolgens werd bij wet van 5 mei 2019
(4)een artikel 278bis Wetboek van Strafvordering ingevoerd waarbij de partijen bij conclusie alle onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die zij overeenkomstig artikel 235bis, § 5, voor de feitenrechter kunnen opwerpen dienen te omschrijven naar aanleiding van de preliminaire zitting. Ook hierover dient de voorzitter uitspraak te doen in een afzonderlijk arrest. Deze procedure is verankerd in het artikel 278bis Wetboek van Strafvordering. De preliminaire zitting geeft dus aanleiding tot twee afzonderlijke arresten, één op basis van artikel 278 Wetboek van Strafvordering (§ 3) en één op basis van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering.
  1. Het artikel 278 Wetboek van Strafvordering, dat ik hier voor de duidelijkheid volledig citeer, luidt als volgt: “§
  2. Uiterlijk tien dagen voor de preliminaire zitting legt de procureur-generaal ter griffie de lijst neer van de getuigen die hij wenst te horen. Uiterlijk vijf dagen voor de preliminaire zitting leggen de overige partijen de lijst neer van de bijkomende getuigen die zij wensen te horen. De lijsten bevatten de gegevens van die getuigen. Zo de gegevens van bepaalde getuigen ontbreken of onvolledig zijn, verricht de procureur-generaal het nodige opzoekingswerk. Bij die lijsten wordt een motivering van de keuze van de getuigen gevoegd. In de lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen de personen die zullen getuigen over de feiten en de schuld, enerzijds, en de moraliteitsgetuigen anderzijds. §
  3. Nadat de voorzitter de opmerkingen van de procureur-generaal en de partijen heeft gehoord, stelt hij de lijst van getuigen vast en bepaalt hij de volgorde waarin ze zullen worden gehoord. De moraliteitsgetuigen van de beschuldigde zullen steeds het laatst worden gehoord. Indien een moraliteitsgetuige evenwel ook moet worden gehoord over de feiten of de schuld, kan de voorzitter beslissen dat diens moraliteitsgetuigenis tegelijk zal worden ontvangen met diens getuigenis over de feiten of de schuld. De voorzitter streeft ernaar om de duur van de terechtzitting zo kort mogelijk te houden. De voorzitter kan de verzoeken van de partijen afwijzen wanneer vaststaat dat de voorgedragen getuigen kennelijk niet kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit, diens schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer. Wat de personen betreft die over de feiten zullen getuigen, worden in elk geval een of meer politieambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de chronologische synthese van de feiten, de eerste vaststellingen en het verloop van het onderzoek opgenomen op de lijst van getuigen. Wat de moraliteitsgetuigen betreft, worden in elk geval een of meer politieambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van het moraliteitsonderzoek opgenomen op de lijst van getuigen. §
  4. De lijst van getuigen die tijdens de terechtzitting zullen worden gehoord, wordt opgenomen in het arrest van de preliminaire zitting. Die lijst bevat de namen, het beroep en de verblijfplaats van de getuigen, evenals het aantal getuigen van wie bepaalde identiteitsgegevens overeenkomstig artikel 296ter terechtzitting niet zullen worden vermeld, onverminderd de door artikel 281 aan de voorzitter verleende bevoegdheid. In voorkomend geval kunnen ook reeds de nadere regels inzake het verhoor van bepaalde getuigen overeenkomstig de artikelen 294, 298 en 299 worden bepaald. §
  5. Tegen dit arrest kan geen rechtsmiddel worden ingesteld”.
  6. Er dient hierbij te worden onderstreept dat de voorzitter van het hof van assisen hier alleen zetelt, zonder assessoren en zonder jury die trouwens op dat moment nog niet is samengesteld. Hij stelt de getuigenlijst op na de partijen in hun opmerkingen te hebben gehoord, hetgeen er mijns inziens ook op wijst dat het in deze fase over een summier debat gaat. Wanneer de voorzitter van oordeel is dat een door een partij voorgedragen getuige niet op die lijst dient te moeten worden opgenomen, dan moet uit zijn arrest ter zake blijken of de in de bepalingen van artikel 278 Wetboek van Strafvordering zijn vervuld, hetgeen dus slaat op de gronden die zijn bepaald in § 2, vierde lid van dit artikel. Een verdere motiveringsplicht kan uit die bepalingen niet worden afgeleid en ook artikel 149 Grondwet verplicht de voorzitter van het hof van assisen niet om uitgebreid, op basis van concrete en verifieerbare gegevens aan te geven waarom hij een bij toepassing van artikel 278, § 1, Wetboek van Strafvordering voorgedragen getuige weigert.
  7. Uit artikel 6.
  8. EVRM en de aldaar opgenomen verplichting die kadert in het recht op een eerlijk proces, volgt dat, zelfs bij afwezigheid van enige conclusie, de rechter de voornaamste redenen van zijn beslissing op de strafvordering dient te vermelden. Dat lijkt mij evenwel niet in te houden dat de voorzitter van het hof van assisen die weigert een door een partij voorgedragen getuige op te nemen op de getuigenlijst die weigering met specifieke en desgevallend per getuige geïndividualiseerde gegevens zou moeten motiveren. Dat in het artikel 6.3.d EVRM een specifieke regeling is uitgewerkt betreffende het recht voor vervolgde personen om op de rechtszitting getuigen te ondervragen of te doen ondervragen doet mijns inziens daar geen afbreuk aan.
  9. Er dient hierbij toch erop gewezen te worden dat zowel de rechtspraak als de rechtsleer het eens zijn om te stellen dat een arrest uitgesproken door de voorzitter van het hof van assisen bij toepassing van artikel 278 Wetboek van Strafvordering, een arrest alvorens recht te doen is waaraan dus in de regel geen gezag van rechterlijk gewijsde is verbonden
(5). Dat betekent dus dat de motiveringsplicht van de voorzitter van het hof van assisen in zijn arrest op grond van artikel 278 Wetboek van Strafvordering dan ook vanuit dit oogpunt moet worden benaderd en met name dat deze beslissing alvorens recht te doen geen definitief oor- deel inhoudt over de getuigen die tijdens het debat voor het hof van assisen zullen worden gehoord. Afgezien van de mogelijkheid dat de voorzitter tijdens het debat voor het hof van assisen beslist een niet op de lijst opgenomen getuige bij toepassing van de artikelen 281, § 2, en 306 Wetboek van Strafvordering te doen oproepen als getuige, kunnen de partijen tijdens het debat voor het hof van assisen een conclusie indienen waarbij zij verzoeken dat niet op de lijst van de preliminaire zitting opgenomen getuigen alsnog door het hof van assisen zullen worden gehoord. In dat geval zal het hof van assisen samengesteld zoals bedoeld in artikel 216octies Wetboek van Strafvordering
(6), hierop bij tussenarrest uitspraak doen, waarbij het mijns inziens geenszins gebonden zou zijn zonder hierbij gebonden te zijn door het arrest van de preliminaire zitting
(7)
(8). Uit al deze redenen volgt dan ook dat de voorzitter in zijn arrest van de preliminaire rechtszitting het niet-opnemen van een door een partij voorgedragen getuige op de lijst van getuigen voldoende motiveert door te verwijzen naar een weigeringsgrond bepaald in artikel 278, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, met name wanneer “vaststaat dat de voorgedragen getuigen kennelijk niet kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit, diens schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer”. In zoverre het rechtsmiddel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het dan ook naar recht.
  1. Het tweede middel van de eiser en het derde middel van de eiseres voeren de schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 278, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en komt op tegen het arrest V (arrest nr. 14/2021) van schuldigverklaring van de eisers. Zij verwijten aan dit arrest dat de schuldigverklaring werd uitgesproken zonder dat zij doorslaggevende getuigen à charge konden of konden laten oproepen en ondervragen, hoewel de eiser daarom had verzocht. In casu ging het om P.J en J.M., die de voorzitter heeft geweigerd op te nemen in de lijst van getuigen en die bijgevolg afwezig waren op het proces terwijl daarvoor geen goede redenen bestonden of compensatoire maatregelen waren genomen.
  2. Zoals reeds gesteld met betrekking tot het voorgaande middel (zie randnummer 9) en om dezelfde redenen komt het me ook hier voor dat de eiseres zich voor uw Hof niet kan beklagen over de weigering van het hof van assisen om getuigen te horen die enkel door de eiser werden gevraagd en niet door haarzelf hoewel zij met kennis van zaken aan het proces heeft deelgenomen. Het middel van de eiseres is dan ook in zoverre niet ontvankelijk.
  3. Noch artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch artikel 13 EVRM verplicht het hof van assisen om elke persoon die tijdens het strafonderzoek een verklaring heeft afgelegd in verband met bepaalde feiten of beschuldigden of die wordt vermeld in de motivering van de beslissing tot schuldigverklaring als getuige te horen, wanneer die verklaring of vermelding geen impact heeft op de beslissing over de schuld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Daarenboven blijkt voor het overige noch uit het arrest V noch uit enig stuk waarop uw Hof vermag acht te slaan dat het voor de schuldigverklaring van de eiser van belang was dat P.J. of J.M. als getuigen werden gehoord. In zoverre mist het middel dan ook feitelijke grondslag.
  5. Het derde middel van de eiser voert de schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 21ter, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 344, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede de miskenning van het evenredigheidsbeginsel en het heeft betrekking op het arrest VI (arrest nr. 15/2021) zijnde het arrest over de straftoemeting. De eiser stelt hierbij dat dit arrest aanneemt dat de redelijke termijn voor zijn berechting is overschreden en hem vervolgens veroordeelt tot opsluiting van dertig jaar in plaats van levenslange opsluiting, dit is de enige straf die de wet op de misdaad moord stelt indien, zoals hier, geen verzachtende omstandigheden worden aangenomen. De eiser verwijt aan dit arrest VI dat deze bestraffing gemotiveerd wordt met redenen eigen aan zijn persoon, noch aan de hand van duidelijke, concrete of verifieerbare elementen die relevant zijn in het licht van de criteria ter beoordeling van de gevolgen van een schending van de redelijke termijn. Hij roept tevens in dat de eiseres, die zich in dezelfde omstandigheden als hij bevond, veroordeeld wordt tot een lagere straf en hekelt dat dergelijk verschilt niet gemotiveerd wordt. Eiser stelt dat in deze omstandigheden uw Hof zijn wettigheidscontrole niet zou kunnen uit- oefenen, temeer dat hij bij conclusie verweer gevoerd over de miskenning van de redelijke termijn voor wat zijn persoon betreft. De eiser is ook de mening toegedaan dat ingevolge het tijdsverloop sinds het aanvangen van de redelijke termijn hem een onredelijk zware straf is opgelegd.
  6. Artikel 149 Grondwet vereist niet dat een vonnis of arrest de voornaamste redenen voor de genomen beslissing vermeldt maar daarentegen vereist artikel 344, eerste lid, Wetboek van Strafvordering wel dat ieder veroordelend arrest melding maakt van de redenen die hebben geleid tot de bepaling van de opgelegde straf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. In tegenstelling tot hetgeen door de eiser in zijn middel wordt aangehaald oordeelt arrest VI niet dat hij en de eiseres zich voor wat betreft de straftoemeting in dezelfde toestand zou- den bevinden, maar het stelt wel vast dat er voor beiden éénzelfde overschrijding van de redelijke termijn. Vervolgens neemt het arrest VI met betrekking tot de persoonlijkheid van de eiser geen enkele gunstige omstandigheid aan, terwijl het dat wel doet in hoofde van de eiseres en voor haar verschillende gunstige omstandigheden vermeldt. Het gaat hier evenwel niet om verzachten- de omstandigheden zoals bedoeld in de artikelen 79 en 80 Strafwetboek, maar wel omstandigheden die toelaten, rekening houdende met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, de op te leggen straf te milderen. Tenslotte blijkt uit arrest VI ook niet, in tegenstelling tot hetgeen de eiser in zijn middel aanvoert, dat de hem opgelegde straf verband zou houden met enige betwisting die hij zou hebben gevoerd met betrekking tot criteria die in verband staan met de miskenning van het redelijketermijnvereiste in hoofde van zijn persoon, criteria die ter zake slaan op
(1)de complexiteit van de zaak,
(2)zijn houding,
(3)de houding van de vervolgende overheid en
(4)het belang van de procedure voor hem. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest VI en mist het feitelijke grondslag.
  1. Wanneer de rechter een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan hij die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd bij niet-overschrijding, maar zulks vereist geenszins dat de rechter de strafvermindering in het bijzonder motiveert aan de hand van de voormelde criteria. Het volstaat dat er ten gevolge van de vastgestelde overschrijding een meetbare strafvermindering werd toegepast, hetgeen hier duidelijk het geval was. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  2. Voor het overige herinner ik eraan dat binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben
(9), het de rechter in feite is – en deze regel geldt vanzelfsprekend ook voor de procedure in assisen – die onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader, alsmede met eventuele bijzonderheden van de zaak zoals de overschrijding van de redelijke termijn bepaalt en uw Hof gaat hierbij enkel na of uit de vaststellingen en redenen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er aan de vervolgde persoon een onredelijk zware straf is opgelegd.
  1. Wat dit betreft veroorloof ik mij dan ook te verwijzen naar het arrest VI nr. 15/2021 van 17 maart 2021 waarin uitvoerig op het 4de tot en met het 6de blad (eerste drie paragrafen), zowel de redenen voor het aanvaarden van de overschrijding van de redelijke termijn worden uiteengezet (4de en eerste helft 5de blad), als de omstandigheden van de moord op het slachtoffer die wijzen op een “regelrechte executie” (tweede helft 5de blad) en de asociale persoonlijkheid en de sociale gevaarlijkheid van de eiser (voorlaatste paragraaf 5de blad). p Het is dan ook zonder meer duidelijk dat op grond van al die redenengrond van deze redenen, die pertinent en geïndividualiseerd zijn, het arrest VI wettig heeft kunnen oordelen dat gelet op de ernst van het gepleegde feit en de persoonlijkheid van de eiser en rekening houdend met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn het opleggen van een straf nog steeds noodzakelijk was en er niet kon worden volstaan met een eenvoudige schuldigverklaring (5de blad midden) en derhalve de straf van dertig jaar opsluiting verantwoord was. Uw hof is op die manier wel degelijk in staat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en de beslissing is regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  2. Het eerste middel van de eiseres II voert de schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 347, 356 en 357 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen beginsel van de relatieve werking van de devolutieve kracht van het verzet in strafzaken en machtsoverschrijding: Het middel verwijt aan het arrest III (arrest nr. 12/2021) dat het de verweerders toelaat zich voor het eerst burgerlijke partij te stellen op het proces ingevolge het verzet van de eiseres, waardoor deze aankijkt tegen een bijkomende veroordeling tot schadevergoeding en aldus haar toestand op verzet wordt verzwaard. De eiseres houdt staande dat in een assisenprocedure een burgerlijke partij zich niet voor het eerst kan stellen tegen een beschuldigde die enkel verzet op strafgebied heeft ingesteld en die dat verzet, zoals hier, enkel heeft betekend aan de procureur-generaal en alleszins zou volgens haar de rechter op verzet aan de burgerlijke partij geen hogere schadevergoeding kunnen toekennen dan in de beslissing bij verstek.
  3. Het middel is gericht tegen het arrest nr. 12/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 5 maart 2021 over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van de verweerders op het verzet van de eisers. De eiseres
(10)heeft evenwel (zie supra) afstand gedaan zonder berusting van de cassatieberoepen in zoverre ze gericht zijn tegen de niet-definitieve beslissingen op burgerlijk gebied. Zoals reeds uiteengezet ben ik de mening toegedaan dat ter zake de afstand kan worden verleend. Het middel dat betrekking heeft op het cassatieberoep IX, waarvan de eiseres afstand heeft gedaan, behoeft geen antwoord.
  1. Het vierde middel van de eiseres II voert de schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 79, 80 en 394 Strafwetboek en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en heeft betrekking op het arrest VI (arrest nr. 15/2021) zijnde het arrest over de straftoemeting. Dit arrest neemt aan dat de redelijke termijn voor de berechting van de eiseres is overschreden en veroordeelt haar dienvolgens tot opsluiting van vierentwintig jaar in plaats van tot levenslange opsluiting, dit is de enige straf die de wet op de misdaad moord stelt indien, zoals hier, geen verzachtende omstandigheden worden aangenomen. De eiseres verwijt aan dit arrest dat het om de opgelegde straf te bepalen rekening houdt met een aantal persoonlijkheidskenmerken van de eiseres, namelijk haar opvoeding en opleiding, haar houding als gedetineerde, de liefdevolle band met haar dochter en haar fragiele gezondheidstoestand., die evenwel volgens haar geen beoordelingscriteria zijn die relevant zijn voor het bepalen van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn, maar dat het hier gaat om elementen die in aanmerking komen als verzachtende omstandigheden, terwijl het arrest die expliciet heeft uitgesloten. Eiseres is daardoor de mening toegedaan dat er derhalve een combinatie is van een strafvermindering ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn en één door aanwezigheid van verzachtende omstandigheden waartoe het arrest VI volgens de eiseres op grond van zijn eigen vaststellingen had moeten besluiten, zodat een lagere straf dient te worden opgelegd dan een opsluiting van vierentwintig jaar zijn opgelegd.
  2. Het arrest VI stelt op blad 5 (helft pagina) de overschrijding van de redelijke termijn vast. Op blad 5 in fine en blad 6, eerste paragraaf, geeft het een aantal omstandigheden aan die in het voordeel van de eiseres spelen en die in het middel worden vermeld. In paragraaf 3 van het 6de blad stelt het arrest dat de feiten die het heeft aangehaald “omstandigheden zijn die vervolgens toelaten de te bepalen straf te milderen zonder dat het verzachtende omstandigheden zijn in de zin van artikel 79 Strafwetboek en zonder dat zij de gevolgen voorzien in artikel 80 Strafwetboek hebben’.
  3. Op grond van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de rechter, indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. Ik verwijs hier naar hetgeen werd gezegd in de paragraaf met randnummer
  4. Op grond van de artikelen 79 en 80, eerste lid, Strafwetboek wordt, in geval verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, levenslange opsluiting vervangen door tijdelijke opsluiting of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar. Evenwel wordt in geen van deze hypotheses bij wet bepaald welke straf de rechter in de concrete zaak dient op te leggen. Dat lijkt mij dan ook niet het geval te zijn wanneer, zoals het middel aanvoert, bij de vervolgde persoon de aanwezigheid van verzachtende omstandigheden samengaat met de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn. Daaruit volgt dan ook dat de eiseres, zelfs al ware haar middel gegrond, op grond daarvan geen aanspraak heeft op een lagere straf dan deze die het arrest VI haar oplegt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  5. Het vijfde middel van de eiseres II artikel 149 Grondwet en artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet en heet betrekking op het arrest VI (arrest nr. 15/2021) maar in zoverre het art de borgsom die de eiseres heeft betaald in het kader van haar voorlopige hechtenis vervallen verklaart aan de Staat. Eiseres houdt staande dat haar afwezigheid op de rechtszittingen van het hof van assisen (in de eerste procedure op verstek) el degelijk verschoonbaar was. Zij stelt dat geen enkele oproeping of dagvaarding aan haar persoon werd betekend of op haar verblijfsadres toekwam, terwijl het openbaar ministerie reeds in 2008 wist waar zij verbleef en het haar niet kan worden verweten dat zij haar voorwaarden had geschonden, gezien die waren afgeschaft.
  6. Eiseres werd bij arrest van 12 augustus 1999 van de kamer van inbeschuldigingstelling bij het hof van beroep te Gent voorlopig in vrijheid gesteld mits naleving van voorwaarden, waaronder het zich ter beschikking houden van het gerecht teneinde haar medewerking te verlenen aan het gerechtelijk onderzoek en mits betaling van een borgsom ten bedrage van 5.000.000 Belgische frank.
  7. Op grond van artikel 35, § 1, Wet Voorlopige Hechtenis kan de onderzoeksrechter de verdachte in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden, termijn die verlengbaar is overeenkomstig artikel 36 Voorlopige Hechteniswet. Artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bepaalt in zijn eerste lid dat de onderzoeksrechter de verdachte kan vrijlaten tegen de betaling van een borgsom en in zijn vierde lid dat, niettegenstaande de in artikel 35, § 1, en 36 van die wet bepaalde termijnen, de borgsom wordt teruggegeven indien de verdachte bij alle proceshandelingen, alsook ter tenuitvoerlegging van het vonnis, is verschenen. Daaruit volgt dat de geldigheidsduur van de borgsom niet beperkt tot de geldigheidsduur van de voorwaarden die eventueel ook aan de verdachte worden opgelegd
(11). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.
  1. De omstandigheid dat er een feit dat er een lange periode ligt tussen de vrijlating van de verdachte tegen de betaling van een borgsom en de proceshandelingen waarop hij, onder garantie van die borgsom, heeft toegezegd te zullen verschijnen, of het feit dat in de loop van die lange periode de redelijke termijn voor de berechting is overschreden, hebben evenwel niet tot gevolg dat de verdachte zou zijn ontheven van zijn verplichting om op de vermelde proceshandelingen te verschijnen en dit op gevaar dat zijn borgsom wordt toegewezen aan de Staat overeenkomstig artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.
  2. Artikel 29 Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “De voorlopig in vrijheid gestelde persoon moet aangeven op welk adres hem nadien de voor het onderzoek en het strafproces vereiste oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan. Tot op het ogenblik dat de betrokkene bij ter post aangetekende brief aan het openbaar ministerie een wijzigingsbericht doet geworden of indien hij is ingeschreven op een nieuw adres in het Rijksregister, worden de oproepingen en betekeningen geldig op die plaats gedaan”. De rechter die over de bestemming van de borgsom beslist, kan dan ook oordelen dat de voorlopig in vrijheid gestelde verdachte die niet te bereiken is op het aldus opgegeven of gewijzigde adres om hem zijn oproepingen ter kennis te brengen, niet verschoonbaar is voor zijn niet-verschijning op alle proceshandelingen. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  3. Ik veroorloof mij hier te verwijzen naar het arrest VI Het arrest en meer bepaald naar de lange uiteenzetting op blad 6de begin van blad 7 waarbij de verschillende elementen worden weergegeven waarop het hof van assisen zich heeft gebaseerd om vast te stellen dat de eiseres zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden en dat de omstandigheden die zij heeft ingeroepen geen wettige reden van verschoning uitmaakten. Het komt mij dan ook voor dat op basis van die elementen en redenen het hof van assisen wettig kon oordelen dat de eiseres niet verschenen is, na haar invrijheidstelling mits betaling van de borgsom, op de verschillende proceshandelingen, waaronder de behandeling voor het hof van assisen in
  4. Aldus verantwoordt dat arrest de beslissing om de borgsom vervallen te verklaren aan de Staat wel degelijk naar recht. Het middel niet worden aangenomen. III. CONCLUSIE. Ik heb geen ambtshalve middelen te laten gelden. Er kan akte worden verleend van de afstand van de eisers. Ik concludeer tot de verwerping van de cassatieberoepen. __________________________________
(1)GwH 21 september 2022, arrest nr. 119/2022, B.6.1.
(2)En die volgens de memorie van de eiseres op p. 39 ook voor haar van belang waren maar niet op haar getuigenlijst werden geplaatst.
(3)Wet tot hervorming van het hof van assisen, BS 11 januari 2010; S. VAN OVERBEKE, “De preliminaire zitting in de assisenprocedure”, RW 2013-14, 963-982; M. DAMS en P. HARTOCH, “Hof van assisen: wraking en preliminaire zitting”, noot onder Cass. 9 april 2013, T. Strafr., 2013/6, inz. 379-382.
(4)Wet houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek, BS 24 mei 2019; R. VERSTRAETEN, “De preliminaire zitting van het hof van assisen na de wet van 5 mei 2019: één zitting, twee arresten, geen hoger beroep, hoeveel cassatieberoepen?”, NC 2021/3, 213-225.
(5)Cass. 9 april 2013, AR P.13.0585, T. Strafr., 2013/6, 373 e.v. met noot M. DAMS en P. HARTOCH, “Hof van assisen: wraking en preliminaire zitting”; R. VERSTRAETEN, o.c., 219-220 en 223; S. VAN OVERBEKE, o.c., 982.
(6)Dus niet meer de voorzitter alleen.
(7)Contra Cass. 27 mei 2020, AR P.20.0146.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.3, AC 2020, nr. 324 - voor een beschrijving van de casus die aanleiding gaf tot dit arrest alsmede de kritiek erop zie R. VERSTRAETEN, o.c., 222-223.
(8)Onafgezien van de kritiek die op dit arrest is uitgebracht in de rechtsleer (zie voetnoot 7) is het de vraag of dit standpunt thans nog kan worden gehandhaafd na het arrest van het Grondwettelijk Hof, aangezien het Hof van Cassatie onder andere als motief voor de beslissing had gesteld dat er tegen de beslissing ex artikel 278 Wetboek van Strafvordering geen rechtsmiddel openstond.
(9)Art. 3 EVRM.
(10)En trouwens ook de eiser.
(11)Cass. 25 augustus 2021, AR P.21.1132.F, arrest niet gepubliceerd; Cass.7 maart 2017, AR P.15.0809.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.1, AC 2017, nr. 157; Cass. 4 juni 2013, AR P.13.0207.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130604.4, AC 2013, nr. 339; Meer uitleg lijkt hier evenwel overbodig. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.22 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130604.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240911.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.