← België

H. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.23 Rolnummer: P.22.1096.N Zaak: H. contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-13 Raadplegingen: 581 - laatst gezien 2026-06-18 21:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.23 Fiches 1 - 2 De vragen die de voorzitter van het hof van assisen overeenkomstig de artikelen 322 tot 329quater en 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dient te stellen aan de jury en die het college van de jury en de beroepsrechters gemotiveerd dient te beantwoorden, moeten de telastleggingen die het voorwerp uitmaken van het verwijzingsarrest uitputten en aldus moeten alle vragen worden beantwoord met betrekking tot alle hoofdfeiten en verzwarende omstandigheden die volgen uit de kwalificatie waaronder de kamer van inbeschuldigingstelling de feiten naar het hof van assisen heeft verwezen; indien blijkt dat het verwijzingsarrest telastleggingen bevat die in werkelijkheid slechts meerdere mogelijke kwalificaties zijn van hetzelfde naar het hof van assisen verwezen feit, dan heeft het bevestigend antwoord op de vragen met betrekking tot de hoofdkwalificatie tot gevolg dat de vragen met betrekking tot de ondergeschikte kwalificatie niet meer te beantwoorden zijn en de kamer van inbeschuldigingstelling moet niet uitdrukkelijk vermelden dat zij een feit eveneens onder een subsidiaire kwalificatie naar het hof van assisen verwijst aangezien die verwijzing kan worden afgeleid uit alle omstandigheden van de zaak, die redelijkerwijze voor geen andere uitlegging vatbaar zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 322 tot 329quater en 334, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 322 tot 329quater en 334, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Eender welke al dan niet voorgenomen, gewilde of te voorziene omstandigheid die met de aanhouding, gevangenhouding of ontvoering van de gijzelaar te maken heeft, kan als oorzaak gelden voor de gevolgen die artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek als een verzwarende omstandigheid van de misdaad gijzeling bepaalt en daarin kan begrepen zijn het doden van de gijzelaar naar aanleiding van diens vluchtpoging of van diens verweer tegen zijn aanhouding, gevangenhouding of ontvoering; niet vereist is dat de verzwarende omstandigheid heeft gediend als middel om enig aspect van de gijzeling te kunnen realiseren zodat het niet uitmaakt of de dood van de gijzelaar volgt uit een opwelling van de gijzelnemer of resulteert in het niet kunnen verkrijgen van het beoogde losgeld en de rechter beoordeelt onaantastbaar de feiten waaruit hij afleidt of er al dan niet een causaal verband bestaat tussen een gijzeling en de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 347bis, § 4, 1°
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GIJZELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 347bis, § 4, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 347bis, § 4, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.22.1096.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: De cassatieberoepen zijn gericht tegen acht verschillende arresten van het hof van assisen van de provincie Limburg uitgesproken op 31 maart 2022 (2 arresten), 3 mei 2022 (1 arrest), 9 mei 2022 (1 arrest), 1 juni 2022 (2 arresten), 2 juni 2022 (1 arrest) en 3 juni 2022 (1 arrest). I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN. 1. Na een gerechtelijk onderzoek dat werd geopend door de inleidende vordering van de procureur des Konings bij het parket te Limburg op 27 augustus 2015 werden de drie eisers, samen met nog 2 andere personen bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen van 1 december 2020 verwezen naar het hof van assisen van de provincie Limburg, uit hoofde van: Als dader of mededader, hetzij door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt, hetzij door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd, hetzij door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, de misdaad of het wanbedrijf rechtstreeks hebben uitgelokt, A. Te Maasmechelen en elders in het gerechtelijk arrondissement Limburg, afdeling Tongeren, en bij samenhang elders in het Rijk, op 6 augustus 2015, gepoogd te hebben zich schuldig te maken aan gijzeling, dit is de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van personen, met name A., om deze borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of een voorwaarde, onder meer een misdaad of een wanbedrijf voor te bereiden of te vergemakkelijken, de vlucht, de ontvluchting van de daders van een misdaad of wanbedrijf of hun medeplichtigen in de hand te werken, hun vrijlating te verkrijgen of ze hun straf te doen ontgaan, waarbij het voornemen om een misdaad te plegen zich heeft geopenbaard door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad uitmaakten en alleen ten gevolge van omstandigheden, van de wil van de daders onafhankelijk, zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist; B. Te Opglabbeek op 27 augustus 2015, schuldig te hebben gemaakt aan gijzeling, dit is de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van personen, met name L. om deze borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of voorwaarde, onder meer een misdaad of wanbedrijf voor te bereiden of te vergemakkelijken, de vlucht, de ontvluchting van de daders van een misdaad of wanbedrijf of hun medeplichtigen in de hand te werken, hun vrijlating te verkrijgen of ze hun straf te doen ontgaan; C. Te Opglabbeek op 27 augustus 2015, Zich schuldig te hebben gemaakt aan gijzeling, dit is de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van personen, met name A. om deze borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of voorwaarde, onder meer een misdaad of wanbedrijf voor te bereiden of te vergemakkelijken, de vlucht, de ontvluchting van de daders van een misdaad of wanbedrijf of hun medeplichtigen in de hand te werken, hun vrijlating te verkrijgen of ze hun straf te doen ontgaan met de omstandigheid dat de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van de gijzelaar de dood van A., geboren te Leut op 31 maart 1974, ten gevolge heeft gehad; D. Te Opglabbeek op 27 augustus 2015, Opzettelijk met het oogmerk om te doden en met voorbedachten rade A., (…) gedood te hebben. 2. De behandeling van de zaak door het hof van assisen van de provincie Limburg gaf aanleiding tot acht verschillende arresten, met name:
  1. a)het arrest nr. 14/2022 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Limburg van 31 maart 2022 (hierna het arrest I);
  2. b)het arrest nr. 20/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 31 maart 2022 over de vrijstellingen (hierna het arrest II);
  3. c)het arrest nr. 21/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 3 mei 2022 tot het aanstellen van aanstellen plaatsvervangende juryleden (hierna het arrest III);
  4. d)het arrest nr. 25/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 9 mei 2022 tot vervanging van een jurylid (hierna arrest IV);
  5. e)tegen het arrest nr. 26/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 1 juni 2022 tot het stellen van bijkomende vragen aan de jury (hierna arrest V).
  6. f)het arrest nr. 27/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 1 juni 2022 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (hierna het arrest VI).
  7. g)het arrest nr. 28/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 2 juni 2022 dat oordeelt over de aangevoerde miskenning van het recht van verdediging (hierna het arrest VII);
  8. h)het arrest nr. 29/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 3 juni 2022, dat de eisers tot straf veroordeelt (hierna het arrest VIII). 3. Eiser I (H.) en eiser III (P.) werden bij het arrest nr. 27/2022 (arrest VI) van 1 juni 2022 schuldig bevonden aan de telastleggingen A, B en C, terwijl eiser II (T.) door datzelfde arrest werd vrijgesproken voor de telastlegging B en schuldig werd verklaard aan de telastleggingen A en C. Bij arrest nr. 29/2022 van 3 juni 2022 (arrest VIII) werden de eisers respectievelijk veroordeeld tot levenslange opsluiting (eiser I H.), tot 28 jaar opsluiting (eiser II T.) en tot 26 jaar opsluiting (eiser III P.), alsmede tot verschillende bijdragen en vergoedingen en de kosten. Tevens werden de tegen drie eisers de afzetting van graden, titels, openbare ambten, bedieningen en betrekkingen uitgesproken en werden zij levenslang ontzet uit de rechten opgesomd in artikel 31, 1° tot 6°, Strafwetboek. 4. Eiser I stelde op 14 juni 2022 cassatieberoep in tegen de arresten I t.e.m. VIII, eiser II stelde op 15 juni 2022 cassatieberoep in tegen de arresten V, VI, VII en VIII en eiser III stelde op 17 juni 2022 cassatieberoep in tegen de arresten VI en VIII. De eiser I voert vier middelen aan, eiser II voert drie middelen aan en eiser III voert geen middel aan. II. ONDERZOEK VAN DE CASSATIEBEROEPEN. A) Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen. 5. De verschillende cassatieberoepen van de eisers I en II werden ingesteld ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg door tussenkomst van een advocaat houder van het bij artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering bedoelde getuigschrift van opleiding in cassatieprocedures, zodat zij ontvankelijk zijn. De twee cassatieberoepen evenwel van eiser III werden ingesteld door de betrokkene zelf vanuit de gevangenis en zijn dan ook in toepassing van artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk
(1). B) Onderzoek van de cassatieberoepen. 1° De middelen van eiser I (H.).
  1. Het eerste middel van eiser I voert de schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 323, 329bis, eerste lid, 329quater, tweede lid, en 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest over de schuldigverklaring (arrest VI) laat de vragen met betrekking tot de telastlegging D onbeantwoord zonder daarvoor een reden op te geven. Volgens de eiser moeste evenwel die vragen het voorwerp uitmaken van een principale hoofdvraag en moesten zij dus gemotiveerd worden beantwoord gelet op het nauw verband tussen de telastleggingen C en D, die beiden betrekking hebben op de gijzeling van S.A. met zijn dood tot gevolg. Aldus is volgens de eiser I het Hof daardoor niet in staat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen op de beoordeling van die telastleggingen en van de daaruit voortspruitende veroordeling van de eiser I tot levenslange opsluiting (arrest VIII) en ook kan de eiser I daardoor die beoordeling en die beslissing niet begrijpen.
  2. Het arrest VIII heeft de eiser I veroordeeld tot levenslange opsluiting ingevolge zijn schuldigverklaring bij arrest VI aan de telastleggingen A (poging tot gijzeling op S.A. op 6 augustus 2015), B (gijzeling S.L. op 27 augustus 2015) en C (gijzeling S.A. met de dood tot gevolg op 27 augustus 2015). Het arrest heeft de vragen over de telastlegging D (moord op S.A. op 27 augustus 2015) niet beantwoord en die telastlegging komt verder ook niet meer ter sprake. Het is voor een goed begrip van de problematiek nuttig te verduidelijken dat uit de stukken blijkt dat de telastleggingen A tot en met C het voorwerp hebben uitgemaakt van de vragen 1 t.e.m. 20, dat de telastlegging D het voorwerp uitmaakt van de vragen 21 t.e.m. 30 en dat de bijkomende vragen gesteld op verzoek van de verdediging (zie ook infra – tweede middel van eiser I) het voorwerp hebben uitgemaakt van de vragen 31 t.e.m.102 (arrest V).
  3. De regels in verband met het stellen van de schuldvragen in de procedure voor het hof van assisen zijn bepaald in de artikelen 322 tot en met 329quater en artikel 334 Wetboek van Strafvordering. Het principe – het gaat hier om een fundamentele regel
(2)- is dat de vragen de telastleggingen die het voorwerp uitmaken van het verwijzingsarrest dienen uit te putten zodat derhalve het verwijzingsarrest de bron is van de te stellen vragen. Dat betekent dus dat er een aantal absoluut verplichte vragen zijn namelijk die vragen waarop het antwoord duidelijk moet maken of de beschuldigde het misdrijf zoals het door de kamer van inbeschuldigingstelling bij de verwijzing werd gekwalificeerd, heeft gepleegd of niet
(3). Dat betekent dus dat de principale vraag dient te worden gesteld – liefst met gebruik van de bewoordingen van de wetgever bij de kwalificatie van de feiten
(4)- en met alle constitutieve elementen en de verzwarende omstandigheden
(5). Overeenkomstig artikel 324 Wetboek van Strafvordering kunnen er ook aanvullende vragen worden gesteld die uit de debatten volgen en die betrekking kunnen hebben op een zwaardere of een lichtere kwalificatie
(6). R. DECLERCQ stelt hierbij dat alhoewel artikel 324 Wetboek van Strafvordering enkel spreekt van een verzwarende omstandigheid dit volgens hem niet zo vaak zal voorvallen aangezien er gestreefd wordt aan het hof van assisen een zo volledig mogelijke kwalificatie voor te leggen en het eerder de omgekeerde hypothese zou zijn, die van een lichtere kwalificatie, die zich zou voordoen.
  1. De problematiek is hier evenwel ietwat verschillend omdat het de kamer van inbeschuldigingstelling zelf is die in het verwijzingsarrest een telastlegging D heeft opgenomen. Ik overloop hier dan ook even de twee telastleggingen C en D die in deze problematiek van belang zijn. De telastlegging C betreft de feiten bestraft overeenkomstig artikel 347bis, § 1 en § 2, met name gijzeling, dit is de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van personen om deze borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of een voorwaarde, met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar. Gijzeling wordt bestraft met levenslange opsluiting indien voldaan is aan de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 347bis, § 4, Strafwetboek, onder meer (1°) indien de aanhouding, de gevangenhouding of de ontvoering van de gijzelaar diens dood tot gevolg heeft. De telastlegging D heeft betrekking op het feit bestraft door artikel 393 Strafwetboek, zijnde doodslag, bestaande in het doden met het oogmerk om te doden, gepaard gaande met de verzwarende omstandigheid bepaald in artikel 394 Strafwetboek, nl. de voorbedachtheid, hetgeen van die doodslag een moord maakt. Doodslag wordt bestraft met opsluiting van twintig tot dertig jaar en moord met levenslange opsluiting.
  2. Het feit dat de gijzeling de dood van de gijzelaar tot gevolg heeft is terzake een louter objectief gevolg van de gijzeling, hetgeen betekent dat de dader het niet moet hebben gewild, voorgenomen of voorzien. Zoals in de rechtsleer
(7)wordt gesteld kan eender welke omstandigheid die met de aanhouding, gevangenhouding of ontvoering te maken heeft als oorzaak gelden voor de strafverzwaring, voor zover de gevolgen gelden voor de gegijzelden en niet voor derden. Dat houdt dus in dat het niet vereist wordt dat de gijzelnemer de gijzelaar heeft gedood met het oogmerk om te doden, of met voorbedachten rade maar dat dit ook niet is uitgesloten en dat dus ook de ongewilde dood van de gijzelaar in aanmerking komt voor de toepassing van de verzwarende omstandigheid. Ik wil hier verwijzen naar het arrest van 17 oktober 2018 van het Hof van Cassatie
(8)waar dezelfde redenering werd gevolgd met betrekking tot de gelijktijdige berechting van een feit van doodslag gepleegd om een diefstal te vergemakkelijken (art. 475 Strafwetboek) en een feit van verkrachting met de dood tot gevolg (art. 376, eerste lid, Strafwetboek). 11. Wanneer men de constitutieve bestanddelen van de misdrijven van moord en gijzeling met de dood van de gijzelaar tot gevolg in ogenschouw neemt alsmede de volgorde van de telastleggingen C en D zoals ze in het verwijzingsarrest zijn opgenomen en ook dus de volgorde van de uit die verschillende telastleggingen voortspruitende vragen, dan is het mijns inziens duidelijk dat we hier staan voor hetgeen door R. DECLERCQ wordt aangehaald
(9), met name een subsidiaire kwalificatie weerhouden door de kamer van inbeschuldigingstelling
(10). De telastlegging D (moord) is alhier een subsidiaire kwalificatie van de verzwarende omstandigheid van de telastlegging C, in casu de dood van S.A. R. DECLERCQ zegt hierover het volgende: “In dat geval, waarvan men geen misbruik moet maken, is de jury verplicht, bij verwerping van de hoofdbeschuldiging, zich meteen uit te spreken over de subsidiaire vragen betreffende het lichtere misdrijf”
(11). Het lijkt mij inderdaad in principe niet aangewezen dat de subsidiaire kwalificatie wordt weerhouden door de kamer van inbeschuldigingstelling omdat dit van aard kan zijn de hoofdbeschuldiging te ontzenuwen en ook omdat het reeds vermelde artikel 324 Wetboek van Strafvordering een oplossing aanreikt mocht uit de debatten blijken dat de feiten een andere kwalificatie verdienen. 12. De essentie ligt hier evenwel ergens anders. Zoals moge blijken uit hetgeen werd uiteengezet is de telastlegging C, de gijzeling met de dood tot gevolg van S.A., de hoofdbeschuldiging en de eiser werd ingevolge het bevestigend antwoord op de vragen volgend uit die telastlegging daaraan schuldig verklaard. In die omstandigheden moest er derhalve geen uitspraak worden gedaan over de subsidiaire kwalificatie, hetgeen a contrario ook valt af te leiden uit het hierboven aangehaald citaat uit het handboek van R. DECLERCQ. Meer nog lijkt het mij evident dat, vanaf het ogenblik dat de eiser schuldig werd verklaard aan de hoofdbeschuldiging C er geen antwoord meer mocht worden gegeven op de vragen voortspruitende uit de subsidiaire kwalificatie, hetgeen trouwens ook op de zitting van het hof van assisen als dusdanig werd gevorderd door het openbaar ministerie. 13. De motivering van de schuld van eiser I aan de telastlegging C wordt gebaseerd op een aantal redenen die terug te vinden zijn in het arrest VI van 1 juni 2022 (arrest 27/2022) op de pagina’s 12 tot en met 16 en die betrekking hebben op:
  1. a)de vaststaande bedoeling S.A. op 17 augustus 2015 te ontvoeren met de bedoeling losgeld te eisen van zijn familie;
  2. b)het klemrijden van het voertuig van S.A., het vastgrijpen van de betrokkene met de bedoeling hem te knevelen en in een voertuig te plaatsen;
  3. c)het numerieke overwicht van eiser I en de andere betrokkenen met de kortstondige aanhouding en vrijheidsberoving van S.A. tot gevolg;
  4. d)deze aanhouding wel degelijk voltrokken was onafgezien van het feit dat S.A. zich kon losrukken en nadien opnieuw werd gegrepen;
  5. e)de uit die omstandigheden boven elke redelijke twijfel voortvloeiende bedoeling S.A. van zijn vrijheid te hebben beroofd teneinde hem borg te doen staan voor de betaling van losgeld door zijn familie;
  6. f)het feit dat de daders gewapend waren en zich voordeden als politiemensen dat erop wijst dat zij wisten dat er geweld zou dienen te worden gebruikt om de gevangenneming en gijzeling te voltrekken;
  7. g)het feit dat S.A. gedood werd met kogels afkomstig uit de wapens die de daders bij zich droegen en het feit dat eiser I tijdens de zitting heeft toegegeven dat hij meermaals vanop korte afstand heeft geschoten op S.A. toen die op de grond lag;
  8. h)de dood van S.A. is een objectief gevolg van de gijzeling al was dat op voorhand niet gepland of gewild. 14. Het komt me dan ook voor dat deze redenen en motieven duidelijk aantonen dat de dood van S.A. het gevolg is van zijn gijzeling waarbij de omstandigheid dat die dood resulteerde uit het oogmerk om te doden bij eiser I niet terzake dienend is. Op basis van die redenen is het Hof dan ook wel degelijk in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen op de schuldigverklaring en bestraffing van eiser i en is deze laatste ook in staat de redenen die tot deze beslissingen hebben geleid te begrijpen. Het arrest is dan ook regelmatig en met redenen omkleed en het middel kan niet worden aangenomen. 15. Het tweede middel van eiser I voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 149 Grondwet omdat het arrest V (arrest 26/2022) het nauwkeurige en omstandige verweer van de eiser I, aangevoerd in zijn conclusie neergelegd op 31 mei 2022 en bijgetreden door de eiser II in zijn op dezelfde dag neergelegde conclusie niet zou hebben beantwoord, verweer dat stelde dat de vragen over de telastlegging D (moord op S.A.) moesten worden beantwoord op gevaar van miskenning van eisers’ recht op een eerlijk proces dan wel hun recht van verdediging. In de conclusie waarvan sprake vroeg eiser I, daarin bijgetreden door eiser II, dat er bijkomende vragen zouden worden gesteld door het hof van assisen en ging hij ook in tegen de door het openbaar ministerie in zijn vordering over de schuld geponeerde stelling dat indien de vraag over de gijzeling positief werd beantwoord de vragen met betrekking tot de telastlegging D niet meer mochten worden beantwoord
(12). Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij arrest V (arrest 26/2022) op vraag van onder meer de eisers I en II de bijkomende vragen 31 tot 102 over de kwalificatie van de feiten van de beschuldigingen als (poging) diefstallen met verzwarende omstandigheden, maar ik zie niet in dat om dit te doen daarvoor uitspraak zou moeten gedaan worden over het al dan niet beantwoorden van de vragen 21 tot 30 in verband met de telastlegging D en eisers’ verweer daarover zou moeten worden beantwoord. Daarenboven kan terzake ook worden opgemerkt dat deze eisers niet aanvoeren dat zij na het arrest V een dergelijk verweer zouden hebben gevoerd. In zoverre kan het middel dus niet worden aangenomen.
  1. Verder vermeldt het arrest VI (arrest 27/2022) dat de vragen 21 tot en met vraag 102 niet zijn beantwoord en motiveert het de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastlegging C met de redenen vermeld in het antwoord op zijn eerste middel, waaruit blijkt dat het hof van assisen de vordering van het openbaar ministerie bijtreedt dat de telastlegging D een subsidiaire kwalificatie is van de verzwarende omstandigheid van de telastlegging C, die gelet op het bevestigende antwoord op de vragen met betrekking tot de telastlegging C geen antwoord meer behoefde. Daaruit volgt dan ook dat het hof van assisen de aanvoeringen van de eisers I en II en hun argumenten over hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging wel degelijk heeft beantwoord en diende het hof van assisen in die omstandigheden dan ook niet verder in te gaan op die bewuste aanvoeringen. Het middel kan niet worden aangenomen.
  2. Het derde middel van de eiser I voert de schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek omdat op basis van de redenen die het vermeldt het arrest VI (arrest 27/2022) niet zou vaststellen dat de dood van S.A. is voortgevloeid uit of zelfs op enige wijze het gevolg was van zijn aanhouding, gevangenhouding of ontvoering. Eiser I stelt hierbij dat S.A. werd neergeschoten nadat hij eisers zoon had doodgeschoten met het wapen dat hij van deze laatste had kunnen bemachtigen, zodat volgens hem daaruit blijkt dat het plotse opzet om S.A. te doden bij hem op dat moment is ontstaan en dus in strijd was met het aanvankelijke plan. Volgens eiser houdt dat dan ook in dat het bewust neerschieten van S.A. onmogelijk als middel kan hebben gediend om de gevangenneming en de gijzeling te kunnen realiseren, noch om de betaling van een losgeld te kunnen verkrijgen, zodat het dan ook gaat om twee verschillende fases zonder enig oorzakelijk verband met elkaar.
  3. Ik verwijs hier opnieuw naar hetgeen werd gezegd in de beantwoording van hee eerste middel van eiser I, in paragraaf 10, met name dat om het even welke, al dan niet voorgenomen, gewilde of te voorziene omstandigheid die met de aanhouding, gevangenhouding of ontvoering van de gijzelaar te maken heeft, als oorzaak kan gelden voor de gevolgen die artikel 347bis, § 1°, Strafwetboek als een verzwarende omstandigheid van de misdaad gijzeling bepaalt
(13). Dat houdt in dat daaronder kunnen vallen het doden van de gijzelaar naar aanleiding van diens vluchtpoging of van diens verweer tegen zijn aanhouding, gevangenhouding of ontvoering, dat het ook niet vereist is dat de verzwarende omstandigheid heeft gediend als middel om enig aspect van de gijzeling te kunnen realiseren en dat het ook niet uitmaakt of de dood van de gijzelaar volgt uit een opwelling van de gijzelnemer of voortspruit uit het niet kunnen verkrijgen van het beoogde losgeld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 19. Het betreft hier een onaantastbare beoordeling door de rechter van de feiten waaruit hij afleidt of er al dan niet een causaal verband
(14)tussen de gijzeling en de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek en ik ben van mening dat op grond van de vaststellingen vermeld in het antwoord op eisers eerste middel het hof van assisen wel degelijk - en dit ongeacht de in het middel vermelde omstandigheden - wettig heeft kunnen oordelen dat de dood van S.A. in oorzakelijk verband staat met zijn aanhouding, gevangenhouding of ontvoering en dus de verzwarende omstandigheid van artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek oplevert. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  1. Het vierde middel van de eiser I voert de schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek omdat het arrest VI (arrest 27/2022) de eiser I enerzijds schuldig verklaart aan gijzeling met de dood tot gevolg, terwijl anderzijds uit de bewoordingen van onder andere het arrest VIII (arrest nr. 29/2022) blijkt dat het hof van assisen de eiser verwijt dat hij S.A. neerschoot met het oogmerk om te doden. Volgens de eiser is daardoor het arrest strijdig gemotiveerd omdat hij van oordeel is dat het opzet om te doden onverenigbaar is met de objectieve verzwarende omstandigheid dat de gijzeling de dood van de gijzelaar tot gevolg heeft, vermits dit laatste geen oogmerk om te doden veronderstelt.
  2. Het komt mij voor dat uit het antwoord op het eerste middel en op het derde middel van de eiser I en de aldaar aangehaalde referenteis duidelijk blijkt dat de verzwarende omstandigheid van artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek het oogmerk om de gijzelaar te doden niet vereist maar het evenmin uitsluit zodat de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastlegging C naar recht verantwoord en geen enkele tegenstrijdigheid inhoudt. Het middel kan niet worden aangenomen. 2° De middelen van eiser II (T.). 22 .Het eerste middel van eiser II voert de schending aan van artikel 6.
  3. EVRM en artikel 21ter Wetboek van Strafvordering en verwijt aan het arrest VIII (arrest nr. 29/2022) te hebben vastgesteld dat er geen overschrijding van de redelijke termijn was in hoofde van de eiser en hem aldus te hebben veroordeeld tot een straf van 28 jaar opsluiting, daar waar hij sedert 26 januari 2016 was aangehouden en er volgens hem grote periodes van stilstand waren geweest tijdens de procedure, die niet aan hem te wijten waren. Daarenboven is de eiser van mening dat gelet op het op hem toegepast bijzonder regime van voorlopige hechtenis de eerbiediging van de redelijke termijn extra streng diende te worden geïnterpreteerd en beoordeelt.
  4. De redelijke termijn en de eventuele overschrijding ervan behoren tot de onaantastbare beoordeling door de rechter zodat het middel verplicht tot een onderzoek van de feiten waarvoor uw Hof geen bevoegdheid heeft. Het middel is aldus niet ontvankelijk.
  5. Het tweede middel van eiser II voert de schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 323 Wetboek van Strafvordering omdat het recht van verdediging van de eiser II miskend werd door het arrest VI (arrest 27/2022) in de mate dat dit arrest de vragen in verband met de doodslag op S.A. niet meer heeft laten beantwoorden door de jury. Eiser II houdt hierbij staande dat indien er wel op die vraag zou zijn geantwoord met betrekking tot de eiser I bevestigend was geantwoord, was er sprake van een bijzonder opzet bij die eiser, waardoor de dood als verzwarende omstandigheid bij de gijzeling ook niet langer aan de eiser II kon worden toegerekend. Eiser II merkt hierbij ook op dat de eiser I op de rechtszitting expliciet schuldig heeft gepleit aan doodslag op S.A. en is derhalve van oordeel dat het hof van assisen in die omstandigheden niet wettig kon beslissen dat er niet meer diende te worden geantwoord op de vragen over de telastlegging D.
  6. Het komt mij voor dat dit middel volledig is afgeleid uit de reeds vergeeft aangevoerde onwettigheid in het eersten het derde en het vierde middel van eiser I. Het middel is derhalve niet ontvankelijk.
  7. Het derde middel van eiser II voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet met betrekking tot het arrest V (arrest 26/2022) omdat bij dit arrest wel bijkomende vragen worden gesteld aan de jury maar zonder zich uit te spreken over de volgorde van deze vragen
(15), hetgeen de eisers
(16)in een bij conclusie geformuleerde verzoek hadden gevraagd.
  1. Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser I en kan om dezelfde redenen niet worden aangenomen. III. CONCLUSIE:
  2. Ik heb geen ambtshalve middelen te laten gelden. Ik concludeer dan ook tot de verwerping van de cassatieberoepen. ____________________________________
(1)Het is inderdaad de algemene regeling van het cassatieberoep in strafzaken die van toepassing is op de voorzieningen tegen arresten van het hof van assisen – zie M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 9de ed., 2021, Brugge, la Charte, t. II, p. 1638.
(2)Cass. 11 mei 1994, AR P.94.0457.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940511.16, AC 1994, nr. é, RW 1994-1995, 636-637 en noot A VANDEPLAS, “Vragen aan de jury”; S. SASSERATH, “La cour d’assises” in Les Novelles, Procédure pénale, t. II, vol. 1, nr. 1335; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, 4de ed., Brussel, Larcier, p. 930; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 9de ed., 2021, Brugge, la Charte, t. II, p. 1626; R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, 6de ed., 2014, Mechelen, Kluwer, p. 114;
(3)R. DECLERCQ, o.c., p. 114-1115, nrs. 2783-2784.
(4)Cass. 11 oktober 2006, AR P.06.937.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061011.4, AC 2006, nr. 480.
(5)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, o.c., p. 930.
(6)R. DECLERCQ, o.c., p. 115, nrs. 2785-2786.
(7)A. DE NAUW en F. DERUYCK, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, 2020, Mechelen, Wolters Kluwer, pp. 173-176; T. DENYS en C. DE ROY, “Gijzeling”, Comm. Straf., 14; F. AKEL, “Gijzeling”, Postal Memorialis, G 112/12.
(8)Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0753.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.3, AC 2018, nr. 563, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., RDPC 2019/4, pp. 514-536 en de noot van A. DELANNAY, “Le meurtre commis dans le cadre d’une autre infraction: une réhabilitation souhaitable”.
(9)R. DECLERCQ, o.c., p. 1115, nr. 2786.
(10)En dus niet als gevolg van de debatten zoals bepaald in artikel 324 Wetboek van Strafvordering.
(11)Cass. 2 mei 1910, Pas. 1910, I, 220. Hier weze aangestipt dat in casu het begrip ‘lichtere misdrijf’ relatief is vermits de telastleggingen C en D met dezelfde straf, levenslange opsluiting, worden bestraft.
(12)De juiste bewoordingen zijn de volgende: “Tijdens zijn requisitoor over de schuld stelde de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie tevens dat de gezworenen niet zouden mogen antwoorden op de schuldvraag die betrekking heeft op de doodslag, al dan niet met voorbedachte rade, van zodra zij één van de beschuldigden schuldig zouden bevinden aan het misdrijf gijzeling met de dood tot gevolg. [De eiser I] wenst te benadrukken dat deze stelling volgens hem niet correct is en elke wettelijke grondslag mist, en dan ook door Uw hof dient te worden weerlegd op het moment dat de gezworenen conform artikel 326 par. 4 van het Wetboek van strafvordering de vragenlijst overhandigd zullen krijgen en uitleg zullen krijgen over de manier waarop zij behoren tewerk te gaan. Het standpunt van de vervolgende partij, indien dit niet weerlegd wordt en dus minstens impliciet door Uw Hof bevestigd wordt, zou namelijk de mogelijkheden van de jury op het moment van het beslissen over de schuld van [de eiser I] inperken op een manier die zijn recht op een eerlijk proces zou schenden, in strijd met art. 6 EVRM”.
(13)T. DENYS en C. DE ROY, “Gijzeling”, Comm. Straf., p. 14 en de andere referenties vermeld in voetnoot 7.
(14)In feite zal de rechter hier aldus dezelfde toets dienen te doen zoals in burgerlijke zaken bij de beoordeling van het causaal verband tussen fout en schade op basis van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, Cass. 7 april 2022, AR C.21.0298.N, AC 2022, nr. 257, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.2.
(15)Zoals uit de memorie van eiser II blijkt (p. 10) had hij in zijn op 31 mei 2022 neergelegde conclusie voor het hof van assisen gevraagd ‘Vooreerst de jury te laten antwoorden op de vraag van de doodslag en de voorbedachtheid; Pas nadat hierop een antwoord (is) gekomen, de andere vragen aan de jury te willen voorleggen’.
(16)Zie memorie eiser I p. 19. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.23 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940511.16 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061011.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.