id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 december 2022
Art. 278- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.
100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek
Art. 278
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek
Art. 278
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 10 Afgezien van de mogelijkheid dat de voorzitter tijdens het debat voor het hof van assisen beslist een niet op de lijst opgenomen getuige bij toepassing van het artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering te doen oproepen als getuige, kunnen de partijen tijdens het debat voor het hof van assisen een conclusie indienen waarbij zij verzoeken dat niet op de lijst van de preliminaire rechtszitting opgenomen getuigen alsnog door het hof van assisen zullen worden gehoord en het hof van assisen, samengesteld zoals bedoeld in artikel 216octies Wetboek van Strafvordering, dient hierop bij tussenarrest uitspraak te doen, zonder hierbij gebonden te zijn door het arrest van de preliminaire rechtszitting; hieruit volgt dat de voorzitter in het arrest van de preliminaire rechtszitting zijn weigering om een door een partij voorgedragen persoon op de lijst van de getuigen op te nemen voldoende motiveert door te verwijzen naar een weigeringsgrond bepaald in artikel 278, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, zonder dat hij bij die motivering concrete omstandigheden van de zaak of criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vooropstelt voor het niet-horen van getuigen à charge of à décharge in het licht van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, moet betrekken en daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat een partij motiveert waarom zij wil dat het hof van assisen een bepaalde getuige hoort aangezien die motivering door de voorzitter of het hof van assisen kan worden beantwoord indien het al dan niet horen van die getuige tijdens het debat voor het hof van assisen terug aan bod zou komen ingevolge de toepassing van artikel 281, § 2, of artikel 306 Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 216octies, 278, § 2, 281, § 2, en 306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 11 - 12 Op grond van artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek worden alle vonnissen en verrichtingen geschorst te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving aan de rechter van een verzoek tot wraking dat uitgaat van een partij of van het openbaar ministerie maar dat gevolg is niet verbonden aan een verzoek dat slechts de schijn heeft van een werkelijke wraking en waarvan de enige bedoeling kennelijk erin bestaat de rechtsgang te belemmeren, zodat gelet op het uitzonderlijke en dringende karakter van die situatie een rechtscollege, zetelend met de rechter die in het wrakingsverzoek is geviseerd, zelf kan oordelen of er op grond van de concrete gegevens die het vaststelt sprake is van een dergelijk rechtsmisbruik hetgeen het geval kan zijn wanneer het rechtscollege vaststelt dat tegen een van zijn leden een tweede wrakingsverzoek wordt neergelegd met nagenoeg dezelfde grieven als deze vermeld in een eerste wrakingsverzoek, ongeacht of de wrakingsrechter reeds uitspraak heeft gedaan over dat eerste wrakingsverzoek; het rechtscollege kan ook rekening houden met de uitspraak van de wrakingsrechter over het eerste wrakingsverzoek, indien het daarvan kennis heeft op het moment van zijn beslissing in verband met het tweede wrakingsverzoek en het Hof gaat na of de beslissing op grond van de erin vermelde vaststellingen kan worden verantwoord zodat door die controle en het risico op vernietiging door het Hof van de desbetreffende beslissing en alle erop volgende beslissingen in de zaak, het recht van verdediging van de wrakende partij gewaarborgd is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 837 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 837 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 13 Het enkele feit dat er op een proces-verbaal van de rechtszitting geen melding is gemaakt van een wrakingsverzoek tegen een van de leden van een rechtscollege, impliceert niet dat de leden van dat rechtscollege geen kennis kunnen hebben van de inhoud van dat wrakingsverzoek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 837 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 14 De beslissing van het hof van assisen over de burgerlijke rechtsvordering is geen maatregel van tenuitvoerlegging van de arresten van dat hof met betrekking tot de schuldigverklaring en de veroordeling tot straf van de beschuldigde; het hof van assisen kan oordelen over de burgerlijke rechtsvordering tijdens de behandeling van de cassatieberoepen tegen die arresten maar de vernietiging van het arrest over de schuldigverklaring kan leiden tot de vernietiging van de daaruit voortvloeiende beslissing over de burgerlijke rechtsvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 359
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.22.0815.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN. 1. De eiseres en de eiser werden bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen van 28 november 2019 verwezen naar het hof van assisen van de provincie Limburg, zetelend te Tongeren, uit hoofde van te Genk, op 5 juni 2017, als dader of mededader, opzettelijk, met het oogmerk om te doden en met voorbedachten rade, R., geboren te Genk op 2 juli 1992, gedood te hebben. De procedure voor het hof van assisen gaf aanleiding tot verschillende arresten, met name: - het arrest nr. 9/2022 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van 14 maart 2022 (arrest I). - het arrest nr. 22/2022 van het hof van assisen van 4 mei 2022 dat beslist over de verderzetting van het debat na wraking (arrest II). - het arrest nr. 23/2022 van het hof van assisen van 5 mei 2022 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (arrest III). - het arrest nr. 24/2022 van het hof van assisen van 5 mei 2022 houdende de straftoemeting aan de eisers (arrest IV). - het arrest nr. 31/2022 van het hof van assisen van 5 mei 2022 dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen (arrest V). Ingevolge het arrest nr. 23/2022 (arrest III) werden de eisers schuldig verklaard aan doodslag
(1)en bij arrest nr. 24/2022 werden zij respectievelijk veroordeeld tot 20 jaar opsluiting (N.) en tot 30 jaar opsluiting (T.). 2. De eiseres (N.) tekende cassatieberoep aan tegen het arrest over de motivering van de schuldigverklaring (nr. 23/2022 - arrest III) en tegen het arrest over de straftoemeting (nr. 24/2022 – arrest IV). Dit zijn de cassatieberoepen I en II. De eiser (T.) tekende cassatieberoep aan tegen alle arresten en zelfs tot tweemaal toe tegen de arresten III en IV. Dit zijn de cassatieberoepen III t.e.m. IX. Aangezien tegen de arresten III en IV niet voor een tweede maal cassatieberoep kan worden ingesteld na de tussenkomst van het arrest dat uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen zijn de cassatieberoepen VII en VIII
(2)niet ontvankelijk. De eiseres voert één middel aan terwijl de eiser in twee memories respectievelijk drie en vier middelen aanvoert.
- Het is van belang hierbij te onderlijnen dat één van de cassatieberoepen van de eiser (T.) gericht is tegen het arrest 9/202 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Limburg van 14 maart 2022, gewezen overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering (arrest I) en waarbij de getuigenlijst werd vastgelegd, waarbij bepaalde getuigen die door eiser waren gevraagd, niet werden weerhouden. In de uiteenzetting van zijn memories (eerste middel, eerste onderdeel - zie infra), wordt de problematiek van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aangesneden alsmede de afwezigheid van enig rechtsmiddel tegen de beslissing ex artikel 278, §4, Wetboek van Strafvordering. De eiser vroeg dan ook in ondergeschikte orde twee prejudiciële vragen met betrekking tot artikel 278, §4, Wetboek van Strafvordering te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- Naar aanleiding van de behandeling van een andere zaak waarin deze problematiek eveneens ter sprake kwam, heeft het Hof bij arrest van 21 september 2021
(3)de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 278, §4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken wel een, eventueel uitgesteld, cassatieberoep kunnen instellen tegen elke in laatste aanleg gewezen tussenbeslissing waarbij de rechter een dergelijk verzoek afwijst”? En indien het antwoord op die vraag negatief is, “Schendt artikel 278, §4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl diezelfde partijen op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering wel een uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de voorzitter van het hof van assisen dat uitspraak doet over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die de partijen overeenkomstig artikel 235bis, §5, Wetboek van Strafvordering voor de feitenrechter kunnen opwerpen”? 5. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 119/2021 van 29 september 2022 de eerste prejudiciële vraag beantwoord en geoordeeld dat er geen aanleiding was tot een onderzoek van de tweede prejudiciële vraag. Het Grondwettelijk Hof stelt aldus
(4)dat artikel 278, §4, Wetboek van Strafvordering niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1 en lid 3, d), van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en zegt aldus voor recht dat artikel 278, §4, Wetboek van Strafvordering deze artikelen schendt. II. ONDERZOEK VAN DE CASSATIEBEROEPEN. 6. Het middel van de eiseres voert de schending aan van artikel 66 Strafwetboek en is gericht tegen het arrest III (arrest nr. 23/2022) over de motivering van de schuldigverklaring. Eiseres houdt met name staande dat de motivering om haar schuldig te verklaren aan doodslag op L.R. als mededader
(5)de specificiteit van de wilsovereenstemming tussen haar en de eiser om hetzelfde voorgenomen misdrijf te plegen niet vaststelt en dat het toebrengen van slagen en verwondingen die de weerbaarheid aantasten van het slachtoffer van deze slagen en verwondingen niet betekent dat zij wetens en willens haar medewerking zou hebben verleend tot het bereiken van hetzelfde gemeenschappelijk strafbaar doel en van eenzelfde voorgenomen misdrijf, met name het doden van L.R. 7. De strafbare deelneming zoals bepaald in artikel 66 Strafwetboek houdt drie voorwaarden in, met name (a) het deelnemen aan een door de wet als misdaad of wanbedrijf omschreven feit, (b) het deelnemen op één van de door de wet bepaalde wijzen en (c) wetens en willens zijn medewerking verlenen aan een bepaalde misdaad of wanbedrijf
(6). Derhalve moet een mededader niet het opzet hebben gehad dat vereist is voor het misdrijf waaraan hij zijn medewerking verleent maar is enkel vereist dat hij een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, hij weet dat hij daaraan zijn medewerking verleent en het opzet heeft daaraan zijn medewerking te verlenen. Niet vereist is dat alle bestanddelen van de misdaad of het wanbedrijf begrepen zijn in de deelnemingshandelingen, maar het is wel nodig dat de mededader kennis heeft van alle omstandigheden die aan de handeling van de hoofddader, het kenmerk van een misdaad of wanbedrijf verlenen. Hiertoe is het noodzakelijk maar ook voldoende dat hij kennis heeft van alle omstandigheden die aan een handeling van de hoofddader het kenmerk van een misdaad of wanbedrijf verlenen, maar niet dat hij kennis heeft van alle bijzondere uitvoeringsmodaliteiten van het misdrijf
(7).
- Hieruit blijkt dan ook dat er geen enkele andere wilsovereenstemming vereist is tussen de dader en de mededader van het misdrijf. Aldus houdt de vraag of een doodslag al dan niet met voorbedachtheid werd gepleegd in de zin van de artikelen 393 en 394 Strafwetboek geen verband met het al dan niet bestaan van de bedoelde wilsovereenstemming tussen de dader en de mededader van de doodslag. De rechter oordeelt onaantastbaar of de voor mededaderschap vereiste bestanddelen zijn verenigd en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen faalt het naar recht.
- Daarenboven oordeelt het arrest niet alleen zoals aangehaald in het middel maar stelt het ook
(8)dat het vaststaat dat de dodelijke verwonding werd toegebracht door de eiser en dat de eiseres “tijdens de debatten voor dit hof [verklaarde] dat zij op 5 juni 2017 gevraagd werd door [de eiser] om snel naar beneden te komen en een mes mee te brengen. Zij bevestigde dat zij het mes waarmee de verwondingen aan [L.R.] werden toegebracht meenam. [De eiseres] verklaarde dat zij tijdens de schermutseling met het mes heeft uitgehaald naar [L.R.]. Dit gebeurde bovenhands met het mes in haar hand. Zij verklaarde [L.R.] minstens één keer te hebben geraakt waarbij het mes in het lichaam van [L.R.] ging, mogelijk twee keer. [De eiseres] gaf aan dat zij uithaalde richting hals en borstkas maar stelde zich niet te herinneren op welke plaats zij [L.R.] juist raakte”. Op die manier oordeelt het arrest derhalve dat de eiseres de gelijklopende wil had met de eiser om L.R. te doden en dat zij door haar handelingen, waarmee zij uitvoering gaf aan haar wil, een onmisbare hulp heeft verleend en heeft willen verlenen aan de eiser die de doodslag op L.R. fysiek heeft voltrokken. Het arrest kan in die omstandigheden dan ook wettig oordelen dat in hoofde van de eiseres de constitutieve bestanddelen van het mededaderschap wel degelijk zijn verenigd. Het middel kan niet worden aangenomen.
- Het eerste middel, eerste onderdeel, van de beide memories van de eiser voert de schending aan van de artikelen 6.1, 6.3.d en 13 EVRM en artikel 278 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk processen is gericht tegen het arrest I (nr. 9/2022) van de voorzitter van het hof van assisen tijdens de preliminaire zitting. Dit arrest weigert, volgens de eiser ten onrechte, bepaalde door hem voorgedragen getuigen op te nemen op de lijst van getuigen bedoeld in artikel 278, §2 en §3, Wetboek van Strafvordering en hekelt tevens de afwezigheid van de mogelijkheid van een cassatieberoep tegen die beslissing overeenkomstig artikel 278, §4, Wetboek van Strafvordering ingesteld. Het onderdeel vraagt in ondergeschikte orde daarover twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- Zoals reeds uiteengezet heeft Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest nr. 119/2021 van 29 september 2022 geoordeeld dat artikel 278, §4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1 en lid 3, d), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. Hieruit volgt dat het cassatieberoep VI ontvankelijk is. De grieven van de eiser tegen de niet-ontvankelijkheid van dat cassatieberoep behoeven voor het overige geen antwoord meer.
- Het tweede onderdeel van dit eerste middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet omdat het arrest I weigert M.L. op te nemen op de lijst van getuigen bedoeld in artikel 278, §2 en §3, Wetboek van Strafvordering die door de eiser was voorgedragen met als motivering dat die getuige de gebeurtenissen op straat vanaf haar appartement had kunnen waarnemen en daarvan melding maakte bij de politiediensten. De afwijzende beslissing van de voorzitter van het hof van assisen was volgens de eiser enkel gemotiveerd met de reden dat deze getuige kennelijk niet kon bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de eiser ten laste gelegde feit, zijn schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer, terwijl uit het arrest III blijkt dat het hof van assisen de schuldigverklaring van de eiser aan de hem ten laste gelegde doodslag steunt op verklaringen van ooggetuigen. Derhalve is de eiser de mening toegedaan dat de verklaring van M.L wel degelijk kon bijdragen tot de waarheidsvinding en dat het arrest I de criteria voor het eventueel niet-horen van getuigen à charge of à décharge niet toepast en niet vermeldt op welke concrete gegevens de beslissing steunt. 13.. De preliminaire zitting van het hof van assisen werd ingevoerd door de wet van 21 december 2009
(9)waarbij een procedure tot stand kwam waarin de voorzitter van het hof van assisen, zetelend zonder jury en zonder assessoren, na een debat op tegenspraak en in openbare terechtzitting, een arrest velt houdende de vaststelling van de getuigenlijst. Deze procedure is verankerd in het artikel 278 Wetboek van Strafvordering. Vervolgens werd bij wet van 5 mei 2019
(10)een artikel 278bis Wetboek van Strafvordering ingevoerd waarbij de partijen bij conclusie alle onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die zij overeenkomstig artikel 235bis, §5, voor de feitenrechter kunnen opwerpen dienen te omschrijven naar aanleiding van de preliminaire zitting. Ook hierover dient de voorzitter uitspraak te doen in een afzonderlijk arrest. Deze procedure is verankerd in het artikel 278bis Wetboek van Strafvordering. De preliminaire zitting geeft dus aanleiding tot twee afzonderlijke arresten, één op basis van artikel 278 Wetboek van Strafvordering (§3) en één op basis van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering.
- Het artikel 278 Wetboek van Strafvordering, dat ik hier voor de duidelijkheid volledig citeer luidt als volgt: “§
- Uiterlijk tien dagen voor de preliminaire zitting legt de procureur-generaal ter griffie de lijst neer van de getuigen die hij wenst te horen. Uiterlijk vijf dagen voor de preliminaire zitting leggen de overige partijen de lijst neer van de bijkomende getuigen die zij wensen te horen. De lijsten bevatten de gegevens van die getuigen. Zo de gegevens van bepaalde getuigen ontbreken of onvolledig zijn, verricht de procureur-generaal het nodige opzoekingswerk. Bij die lijsten wordt een motivering van de keuze van de getuigen gevoegd. In de lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen de personen die zullen getuigen over de feiten en de schuld, enerzijds, en de moraliteitsgetuigen anderzijds. §
- Nadat de voorzitter de opmerkingen van de procureur-generaal en de partijen heeft gehoord, stelt hij de lijst van getuigen vast en bepaalt hij de volgorde waarin ze zullen worden gehoord. De moraliteitsgetuigen van de beschuldigde zullen steeds het laatst worden gehoord. Indien een moraliteitsgetuige evenwel ook moet worden gehoord over de feiten of de schuld, kan de voorzitter beslissen dat diens moraliteitsgetuigenis tegelijk zal worden ontvangen met diens getuigenis over de feiten of de schuld. De voorzitter streeft ernaar om de duur van de terechtzitting zo kort mogelijk te houden. De voorzitter kan de verzoeken van de partijen afwijzen wanneer vaststaat dat de voorgedragen getuigen kennelijk niet kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit, diens schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer. Wat de personen betreft die over de feiten zullen getuigen, worden in elk geval een of meer politieambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de chronologische synthese van de feiten, de eerste vaststellingen en het verloop van het onderzoek opgenomen op de lijst van getuigen. Wat de moraliteitsgetuigen betreft, worden in elk geval een of meer politieambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van het moraliteitsonderzoek opgenomen op de lijst van getuigen. §
- De lijst van getuigen die tijdens de terechtzitting zullen worden gehoord, wordt opgenomen in het arrest van de preliminaire zitting. Die lijst bevat de namen, het beroep en de verblijfplaats van de getuigen, evenals het aantal getuigen van wie bepaalde identiteitsgegevens overeenkomstig artikel 296ter terechtzitting niet zullen worden vermeld, onverminderd de door artikel 281 aan de voorzitter verleende bevoegdheid. In voorkomend geval kunnen ook reeds de nadere regels inzake het verhoor van bepaalde getuigen overeenkomstig de artikelen 294, 298 en 299 worden bepaald. §
- Tegen dit arrest kan geen rechtsmiddel worden ingesteld”.
- Er dient hierbij te worden onderstreept dat de voorzitter van het hof van assisen hier alleen zetelt, zonder assessoren en zonder jury die trouwens op dat moment nog niet is samengesteld. Hij stelt de getuigenlijst op na de partijen in hun opmerkingen te hebben gehoord, hetgeen er mijns inziens ook op wijst dat het in deze fase over een summier debat gaat. Wanneer de voorzitter van oordeel is dat een door een partij voorgedragen getuige niet op die lijst dient te worden opgenomen, dan moet uit zijn arrest ter zake blijken of de in de bepalingen van artikel 278 Wetboek van Strafvordering zijn vervuld, hetgeen dus slaat op de gronden die zijn bepaald in §2, vierde lid van dit artikel. Een verdere motiveringsplicht kan uit die bepalingen niet worden afgeleid en ook artikel 149 Grondwet verplicht de voorzitter van het hof van assisen niet om uitgebreid, op basis van concrete en verifieerbare gegevens aan te geven waarom hij een bij toepassing van artikel 278, §1, Wetboek van Strafvordering voorgedragen getuige weigert.
- Uit artikel 6.
- EVRM en de aldaar opgenomen verplichting die kadert in het recht op een eerlijk proces, volgt dat, zelfs bij afwezigheid van enige conclusie, de rechter de voornaamste redenen van zijn beslissing op de strafvordering dient te vermelden. Dat lijkt mij evenwel niet in te houden dat de voorzitter van het hof van assisen die weigert een getuige door een partij voorgedragen op te nemen op de getuigenlijst die weigering met specifieke en desgevallend per getuige geïndividualiseerde gegevens zou moeten motiveren. Dat in het artikel 6.3.d EVRM een specifieke regeling is uitgewerkt betreffende het recht voor vervolgde personen om op de rechtszitting getuigen te ondervragen of te doen ondervragen doet mijns inziens daar geen afbreuk aan.
- Er dient hierbij toch erop gewezen te worden dat zowel de rechtspraak als de rechtsleer het eens zijn om te stellen dat een arrest uitgesproken door de voorzitter van het hof van assisen bij toepassing van artikel 278 Wetboek van Strafvordering, een arrest alvorens recht te doen is waaraan dus in de regel geen gezag van rechterlijk gewijsde is verbonden
(11). Dat betekent dus dat de motiveringsplicht van de voorzitter van het hof van assisen in zijn arrest op grond van artikel 278 Wetboek van Strafvordering dan ook vanuit dit oogpunt moet worden benaderd en met name dat deze beslissing alvorens recht te doen geen definitief oordeel inhoudt over de getuigen die tijdens het debat voor het hof van assisen zullen worden gehoord. 18. Ik denk ook dat hier toch rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat het hier een procedure voor assisen betreft, waarin dus het gehele onderzoek eigenlijk opnieuw op de zitting wordt gevoerd teneinde de jury en he hof volledig voor te lichten. De preliminaire zitting is dus, zoals het woord het trouwens aangeeft, een voorafgaande procedure die eigenlijk tot doel heeft de eigenlijke zitting voor te bereiden en organisatorisch in goede banen te kunnen leiden. Het is daarenboven een zitting waarin enkel de voorzitter van het hof van assisen zetelt en ze is dus verschillend en niet vergelijkbaar met de zitting ten gronde waar de debatten gebeuren voor het hof (voorzitter en assessoren) en de jury. Hierin ligt mijns inziens een essentieel verschil met de procedure ten gronde waarin de beslissing over een getuige te horen genomen wordt door de rechter(s) die de schuld dient te beoordelen. Het komt me dan ook voor dat de beslissing genomen door de voorzitter in de preliminaire zitting slechts een voorbereidend karakter heeft en derhalve ook niet op dezelfde manier moet worden gemotiveerd en met dezelfde vereisten als de beslissing over dezelfde problematiek, maar dan genomen in het debat ten gronde. Ik denk met name dat daar waar in het debat ten gronde de kwestie van het horen van een getuige zal dienen te worden getoetst aan de criteria vooropgesteld in het arrest Riahi
(12), dit niet het geval is in de preliminaire zitting. 19. Afgezien van de mogelijkheid dat de voorzitter tijdens het debat voor het hof van assisen beslist een niet op de lijst opgenomen getuige bij toepassing van de artikelen 281, §2, en 306 Wetboek van Strafvordering te doen oproepen als getuige, kunnen de partijen tijdens het debat voor het hof van assisen een conclusie indienen waarbij zij verzoeken dat niet op de lijst van de preliminaire zitting opgenomen getuigen alsnog door het hof van assisen zullen worden gehoord. In dat geval zal het hof van assisen samengesteld zoals bedoeld in artikel 216octies Wetboek van Strafvordering
(13), hierop bij tussenarrest uitspraak doen, waarbij het mijns inziens geenszins gebonden zou zijn zonder hierbij gebonden te zijn door het arrest van de preliminaire zitting. Ik ben me ervan bewust dat dit ingaat tegen het arrest van 27 mei 2020
(14)van uw Hof (Franstalige sectie) maar daarbij merk ik op dat, noch afgezien van de kritiek die op dit arrest is uitgebracht in de rechtsleer, het de vraag is of dit standpunt thans nog kan worden gehandhaafd na het arrest van het Grondwettelijk Hof, aangezien het Hof van Cassatie onder andere als motief voor de beslissing had gesteld dat er tegen de beslissing ex artikel 278 Wetboek van Strafvordering geen rechtsmiddel openstond, hetgeen inmiddels door het Grondwettelijk Hof als een schending werd bestempeld van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1 en lid 3, d), van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
- Uit al deze redenen volgt dan ook dat de voorzitter in zijn arrest van de preliminaire rechtszitting het niet-opnemen van een door een partij voorgedragen getuige op de lijst van getuigen voldoende motiveert door te verwijzen naar een weigeringsgrond bepaald in artikel 278, §2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, met name wanneer “vaststaat dat de voorgedragen getuigen kennelijk niet kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit, diens schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer”. In zoverre het rechtsmiddel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het dan ook naar recht.
- Tenslotte wijs ik erop dat de vraag of M.L. een ooggetuige van de feiten was zoals de eiser voorhoudt in de motivering van zijn verzoek om die getuige op te nemen op de lijst én de vraag of de getuigenis ter rechtszitting van M.L. kon bijdrage tot de waarheidsvinding of de beoordeling van eisers schuld, verplichten tot een onderzoek van de feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is niet ontvankelijk.
- Het tweede middel van de beide memories van de eiser voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en het is gericht tegen het arrest II (nr. 22/2022) dat beslist over de verderzetting van het debat na wraking. De eiser voert in een eerste onderdeel aan dat het arrest II geen concrete gegevens vermeldt tot staving van het oordeel dat eisers tweede verzoek tot wraking van de voorzitter van het hof van assisen rechtsmisbruik inhield, zodat de procedure voor het hof van assisen niet moest worden geschorst. Volgens de eiser is de vaststelling dat in het verzoek tot wraking de facto dezelfde grieven werden aangevoerd als in het vorige verzoek tot wraking, waarover bovendien op het moment van de neerlegging nog niet was geoordeeld, daartoe niet voldoende en kon alleszins volgens hem het rechtscollege waarvan de gewraakte rechter zelf deel uitmaakt niet het wrakingsverzoek beoordelen en zou ook de gewraakte rechter niet kunnen deelnemen aan die beoordeling.
- Artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Te rekenen van de dag van de mededeling aan de rechter worden alle vonnissen en verrichtingen geschorst behalve wanneer de vordering niet uitgaat van een partij of van het openbaar ministerie”. Een dergelijk gevolg is evenwel niet verbonden aan een verzoek dat slechts de schijn heeft van een werkelijke wraking en waarvan de enige bedoeling kennelijk erin bestaat de rechtsgang te belemmeren
(15). In die omstandigheden en gelet op het uitzonderlijk en dringend karakter van de situatie - hetgeen a fortiori het geval is bij een behandeling voor het hof van assisen - kan mijns inziens een rechtscollege, zetelend met de in het wrakingsverzoek geviseerde rechter, zelf oordelen of er, op grond van concrete gegevens die het vaststelt, sprake is van een dergelijk rechtsmisbruik. Een dergelijke situatie doet zich mijns inziens voor wanneer het rechtscollege vaststelt dat tegen één van de leden een tweede wrakingsverzoek is neergelegd met nagenoeg identieke grieven als deze vermeld in het eerste wrakingsverzoek en dit ongeacht of de wrakingsrechter ter zake reeds uitspraak heeft gedaan over het eerste verzoek. Het Hof zal nagaan of de beslissing van dat rechtscollege verantwoord is in het licht van de in de beslissing vermelde vaststellingen en een dergelijke controle en het eraan verbonden risico op een vernietiging door het Hof van alle navolgende beslissingen in de zaak waarborgen dan ook het recht van verdediging van de wrakende partij. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen faalt het naar recht. 22. Het arrest II stelt vast dat de eiser, na op 28 april 2022 een eerste verzoek tot wraking van de voorzitter van het hof van assisen te hebben neergelegd dat is verworpen bij arrest van uw Hof van 3 mei 2022, tijdens de ochtend van 3 mei 2022 en dus nog vóór de uitspraak van het vermelde arrest van het Hof, opnieuw een verzoek tot wraking van de voorzitter heeft neergelegd wegens de gewettigde verdenking die ditmaal zou voortvloeien uit bepaalde bewoordingen in de verklaring die de voorzitter heeft afgelegd in het kader van het eerste wrakingsverzoek. 23. Het arrest II vermeldt verder de concrete gegevens waarop het zich baseert om te oordelen dat er in casu wel degelijk sprake is van rechtsmisbruik alsmede de redenen waarom het van oordeel is dat er geen aanleiding toe is in die omstandigheden de procedure voor het hof van assisen andermaal op te schorten. Ik verwijs hier naar de redengeving op pagina 5 van het arrest onder de hoofding ‘Beoordeling’ en waaruit het volgende naar voren komt:
- a)de wrakingsakte neergelegd op 3 mei 2022 bevat een nagenoeg integrale herneming van de argumentatie uit het eerdere door het Hof verworpen verzoekschrift van 28 april 2022, met als nieuwe gebeurtenis een bepaalde interpretatie van de verklaring van de voorzitter in het kader van het eerste wrakingsverzoek;
- b)de interpretatie van de verklaring van de voorzitter in het kader van artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de hierin vertolkte standpunten hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van het debat voor het Hof van Cassatie in de procedure die leidde tot het arrest van 3 mei 2022 zodat zij dan ook integraal mee in overweging genomen werden bij de beoordeling van dat wrakingsverzoek;
- c)het huidige verzoek tot wraking is derhalve de facto gesteund op grieven die reeds werden verworpen door het Hof in zijn arrest van 3 mei 2022 en voert dan ook enkel grieven aan die reeds door het Hof zijn beoordeeld;
- d)het nieuwe verzoekschrift heeft, in geval van schorsing, een niet te verantwoorden verlamming van de rechtsgang tot gevolg, waarbij de rechten van alle partijen in het gedrang zijn. Dergelijk verzoek conflicteert bovendien met het redelijke termijnvereiste zoals vervat in artikel 6 EVRM. Een dergelijk verzoekschrift, dat een misbruik van de rechtspleging inhoudt, noopt niet tot het verrichten van de door de artikelen 836 tot 838 Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven vormvereisten en kan dan ook geen schorsende werking hebben op de huidige procedure. 24. Het komt me dan ook voor dat op basis van deze concrete elementen en gegevens het hof van assisen wettig kon oordelen dat er sprake is van rechtsmisbruik in hoofde van de eiser en dat in deze omstandigheden er geen aanleiding bestond tot schorsing van de rechtspleging ingevolge het tweede wrakingsverzoek. Uit de bepalingen van de artikelen 835 en 842 Gerechtelijk Wetboek volgt trouwens dat een nieuw wrakingsverzoek onontvankelijk is wanneer het is gegrond op dezelfde feiten als die waarop een eerder wrakingsverzoek is gegrond
(16). Het eerste onderdeel kan derhalve niet worden aangenomen.
- Het tweede onderdeel van dit tweede middel voert de schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek omdat het arrest II oordeelt dat het nieuwe wrakingsverzoek van de eiser steunt op grieven die reeds werden verworpen door het Hof in zijn arrest van 3 mei
- De eiser stelt evenwel dat, aangezien de wraking een afzonderlijke procedure is waarin de wrakingsakte moet worden neergelegd ter griffie en er door geen enkele partij een afschrift van de wrakingsakte werd neergelegd op de zitting van het hof van assisen, dit hof of een aantal leden ervan geen kennis hebben gehad van de grieven vermeld in eisers nieuwe wrakingsverzoek zodat de beslissing van het hof van assisen niet rechtsgeldig genomen is en het Hof zijn wettigheidstoezicht niet zou kunnen uitoefenen. Hij haalt ook aan dat uit het proces-verbaal van de zitting ook niet blijkt dat er een wrakingsakte zou zijn neergelegd.
- Het enkele feit dat er op een proces-verbaal van de rechtszitting geen melding is gemaakt van een wrakingsverzoek tegen een van de leden van een rechtscollege, impliceert uiteraard niet dat de leden van dat rechtscollege geen kennis kunnen hebben van de inhoud van dat wrakingsverzoek. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- Het derde middel van de beide memories van de eiser voert de schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 392 en 393 Strafwetboek en artikel 334 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting en het is gericht tegen het arrest III (arrest nr. 23/2022) over de motivering van de schuldigverklaring. In een eerste onderdeel voert de eiser aan dat het arrest tegenstrijdig zou gemotiveerd zijn door enerzijds te verwijzen naar de ooggetuigen die enkel hebben verklaard dat de eiser een beweging naar de hals van L.R. heeft gemaakt en, anderzijds, te oordelen dat uit deze verklaringen blijkt dat de eiser L.R. een messteek in de borst heeft toegebracht die volgens de wetsdokter het overlijden van L.R. heeft veroorzaak. Daarenboven haalt hij aan dat het arrest ook vaststelt dat de eiseres met een mes heeft uitgehaald in de richting van de hals en de borststreek van L.R.
- De elementen waaruit het hof van assisen de schuld van de eiser aan de doodslag van L.R. afleidt zijn vermeld op pagina 5, randnummer 3 en pagina 6, randnummer 4 van het desbetreffend arrest en samengevat komen ze neer op hetgeen volgt: a) de vaststellingen van de wetsdokter nopens het raken van een lichaamsader en het zeer spoedig in mekaar zakken van het slachtoffer; b) de stotende boksbewegingen opgemerkt door de ooggetuigen richting hals van L.R. en haar quasi onmiddellijk in elkaar zakken van het slachtoffer; c) die boksbewegingen passen in het kader van steekbewegingen; d) op het ogenblik van de aanval door de eiser stond de eiseres niet meer bij het slachtoffer en was zij niet meer actief betrokken bij het gevecht; e) het korte tijdsverloop volgens de wetsdokter tussen het toebrengen van de dodelijke verwonding en het neerzakken van het slachtoffer laten toe te stellen dat de eiser die messteek toebracht. Het komt mij voor dat het onderdeel dat formeel gewag maakt van een tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest eigenlijk opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van het hof van assisen over de feiten. Het onderdeel is niet ontvankelijk.
- In het tweede onderdeel voert de eiser aan dat het arrest III op grond van de feiten die het vaststelt, niet wettig zijn schuld aan de doodslag van L.R. kon afleiden. Artikel 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Zonder dat het moet antwoorden op alle neergelegde conclusies, formuleert het college de voornaamste redenen van de beslissing van de jury. De vragenlijst met de beslissing van de jury wordt bij de formulering van de redenen gevoegd. De beslissing wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier”. Daaruit volgt dat het college niet tot in het detail de constitutieve bestanddelen van het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit moet bespreken of de gegevens moet opsommen waaruit het zijn schuld afleidt
(17). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het komt me voor dat op grond van de redenen aangehaald in het antwoord op het eerste onderdeel het hof van assisen wel degelijk wettig en zonder miskenning van het vermoeden van onschuld kon beslissen dat de eiser schuldig is aan de doodslag op L.R. zodat deze beslissing regelmatig met redenen werd omkleed. Hett onderdeel kan niet worden aangenomen. 31.Het vierde middel van de tweede memorie van de eiser voert de schending aan van artikel 359 Wetboek van Strafvordering en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek en is gericht tegen de arresten IX (arrest 31/2022) dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen. Volgens de eiser kon het hof van assisen niet overgaan tot de afhandeling van de burgerlijke belangen gelet op het cassatieberoep dat hij had ingesteld tegen de arresten III en IV. Het hof van assisen steunt voor de beoordeling van de burgerlijke rechtsvorderingen op de in die beide arresten vastgestelde fout van de eiser, maar deze arresten zijn in afwachting van de uitspraak over eisers cassatieberoepen niet uitvoerbaar, zodat het hof van assisen aldus de schorsende werking van eisers cassatieberoepen miskent.
- Artikel 359 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De veroordeelde heeft vijftien dagen na de dag waarop het arrest op tegenspraak is uitgesproken, om ter griffie te verklaren dat hij een eis tot cassatie instelt. De procureur-generaal kan binnen dezelfde termijn ter griffie verklaren dat hij zich in cassatie voorziet tegen het arrest. De burgerlijke partij beschikt ook over dezelfde termijn; maar zij kan de eis tot cassatie slechts instellen ten opzichte van de beschikkingen betreffende haar burgerlijke belangen. De tenuitvoerlegging van het arrest van het hof is geschorst gedurende die vijftien dagen en, indien er een voorziening in cassatie is ingesteld, tot de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie”.
- De beslissing van het hof van assisen over de burgerlijke rechtsvordering is geen maatregel van tenuitvoerlegging van de arresten van dat hof met betrekking tot de schuldigverklaring en de veroordeling van de beschuldigde
(18). Dat betekent derhalve dat het hof van assisen wel degelijk kan oordelen over de burgerlijke rechtsvordering tijdens de behandeling van de cassatieberoepen ingesteld tegen die arresten. Indien evenwel het arrest over de schuldigverklaring wordt vernietigd kan dit leiden tot de vernietiging van de daaruit voortvloeiende beslissing over de burgerlijke rechtsvordering. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. III. CONCLUSIE. Ik heb geen ambtshalve middelen te laten gelden en ik concludeer dan ook tot de verwerping van de cassatieberoepen. _____________________________________
(1)Ingevolge het negatief antwoord van de jury op de vragen over de voorbedachtheid.
(2)Cassatieberoepen gericht tegen de arresten over de schuldmotivering en de straftoemeting maar op burgerlijk gebied’ en ingesteld na het arrest over de burgerlijke belangen.
(3)Cass. 21 september 2021, AR P.21.0828.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.22, AC 2021, nr. 575, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS.
(4)GwH 21 september 2022, arrest nr. 119/2022, B.6.1.
(5)De motivering is de volgende: ‘Door het mes dat zij naar eigen zeggen bij zich droeg ook zelf te hanteren en er verwondingen mee toe te brengen heeft [de eiseres] rechtstreeks meegewerkt en een noodzakelijke hulp verleend bij het doden van LR. Door het toebrengen van deze letsels was de weerbaarheid van L.R. minstens zwaar aangetast. Het staat derhalve boven elke redelijke twijfel vast dat ook [de eiseres] op 5 juni 2017 handelde met de intentie tot doden (keuze van het wapen en de plaats van het lichaam dat geviseerd werd) en dat deze doodslag zonder haar specifieke tussenkomst en inbreng zich niet had voorgedaan” Het gaat hier om de overweging 5 op pagina 7 van het arrest III.
(6)A. DE NAUW en F. DEUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, die Keure 2015, pp. 87-91.
(7)Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0583.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.2, AC 2018, nr. 562; Cass. 29 november 2011, AR P.11.1250.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.6, AC 2011, nr. 656; Cass. 26 februari 2008, P.06.1518.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14, AC 2008, nr. 129; Cass. 12 september 2006, AR P.06.0416.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2, AC 2006, nr. 406; Cass, 22 juni 2004, AR P.03.1620.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19, AC 2004, nr. 344; Cass. 24 maart 1998, AR.P.96.1683.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980324.6, AC 1998, nr. 164; Cass. 9 oktober 1990, AR 3453, AC 1990, nr. 69.
(8)Overweging 4, eerste zin (voor de eiser) en overweging 5 (voor de eiseres) van het arrest II, pp. 6 en 7 bovenaan.
(9)Wet tot hervorming van het hof van assisen, BS 11 januari 2010; S. VAN OVERBEKE, “De preliminaire zitting in de assisenprocedure”, RW 2013-14, 963-982; M. DAMS en P. HARTOCH; “Hof van assisen: wraking en preliminaire zitting”, noot onder Cass. 9 april 2013, T. Strafr., 2013/6, inz. 379-382.
(10)Wet houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek, BS 24 mei 2019; R. VERSTRAETEN, “De preliminaire zitting van het hof van assisen na de wet van 5 mei 2019: één zitting, twee arresten, geen hoger beroep, hoeveel cassatieberoepen?”, NC 2021/3, 213-225.
(11)Cass. 9 april 2013, AR P.13.0585.N, arrest niet gepubliceerd, T. Strafr., 2013/6, 373 e.v. met noot M. DAMS en P. HARTOCH: “Hof van assisen: wraking en preliminaire zitting”; R. VERSTRAETEN, o.c., 219-220 en 223; S. VAN OVERBEKE, o.c., 982.
(12)EHRM 14 juni 2016, Riahi/België.
(13)Dus niet meer de voorzitter alleen.
(14)Cass. 27 mei 2020, AR P.20.0146.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.3, AC 2020, nr. 324 - voor een beschrijving van de casus die aanleiding gaf tot dit arrest alsmede de kritiek erop zie R. VERSTRAETEN, o.c., 222-223.
(15)Cass. 1 oktober 2021, AR D.21.0007.F, AC 2021, nr. 607, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211001.1F.5; Cass.4 december 2019, AR P.19.1149.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.6-P.19.1208.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.6-P.19.1209.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.6-P.19.1210.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.6-P.19.1211.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.6, AC 2019, nr. 646; Cass. 4 september 2019, AR P.19.0935.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190904.4, AC 2019, nr. 434.
(16)Cass. 10 mei 2022, AR P.22.0600.N, AC 2022, nr. 332, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.15; Cass. 9 februari 2016, AR C.16.0032.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160219.4-C.16.0034.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160219.4, AC 2016, nr. 130.
(17)Cass. 24 mei 2022, AR P. 22.0419.N, AC 2022, nr. 371; Cass. 15 september 2020, AR P.20.0240.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.2, AC 2020, nr. 538, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET; Cass. 31 januari 2018, AR P.17.1058.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180131.1, AC 2018, nr. 67; Cass. 25 oktober 2016, AR P.16.0834.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.1, AC 2016, nr. 601; Cass. 26 april 2016, AR P.16.0077.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.4, AC 2016, nr. 282; Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0910.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6, AC 2011, nr. 556, met concl. van advocaat-generaal D VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 29 september 2010, AR P.10.0705.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6, AC 2010, nr. 562, NC 2011, 253 noot L. GYSELAERS. Over art. 334 Sv. zie L. HUYBRECHTS, “Strafrechtelijke motiveringsplicht in de branding. Over de motiveringsplicht i.v.m. feit en schuld”, NC 2012, 114-115; M. DE SWAEF, “Het hof van assisen in recente cassatierechtspraak”, in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Intersentia 2014, 158; C. MAES en S. VANTHIENEN, “Het hof van assisen 2.0. Succesvolle reboot of herhaalde systemcrash?”, in Publiekrechtelijke Kronieken, 2018, 232-256; L. KENNES, “Les réformes récentes et à venir du jugement des affaires criminelles”, in Actualités de droit penal et de procedure pénale, Anthémis 2019, 165-166 en 174-175; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2019, 1356; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1629-1633.
(18)Cass. 11 augustus 1943, AC 1943, 174, met concl. van advocaat-generaal R. HAYOIT DE TERMICOURT (weliswaar over een ander middel) stelt uitdrukkelijk: “dat de beslissingen over de burgerlijke vordering geen uitvoeringsmaatregelen zijn van de op de publieke vordering uitgesproken veroordeeling; dat, bijgevolg, de voorziening tegen deze laatste beslissing het oordeel over de burgerlijke vordering niet schorst”. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980324.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.14 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160219.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180131.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190904.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211001.1F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.22 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240911.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div