← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.25 Rolnummer: P.22.1136.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2023-02-14 Raadplegingen: 687 - laatst gezien 2026-06-18 13:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.25 Fiches 1 - 2 Krachtens de artikelen 442bis, eerste lid en 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering kan de veroordeelde wanneer bij een definitief arrest van het EHRM is vastgesteld dat het EVRM of de aanvullende protocollen zijn geschonden, de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot de veroordeling van de verzoeker in de zaak voor het EHRM, enkel wat de strafvordering betreft

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Krachtens artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, beveelt het Hof van Cassatie, wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt dat de vastgestelde schending het gevolg is van een procedurefout of -tekortkoming die dermate ernstig is dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, de heropening van de rechtspleging, voor zover de veroordeelde partij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts door een heropening kunnen worden hersteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442quinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442quinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 De situatie van een verzoeker tot heropening van de rechtspleging, ten aanzien van wie na het definitief worden van de strafprocedure ingevolge een procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending van het EVRM wordt vastgesteld, valt niet te vergelijken met de situatie van een partij in een lopende strafprocedure ten aanzien van wie een schending van het EVRM wordt vastgesteld, hetzij bij de beoordeling ten gronde, hetzij bij de beoordeling van een cassatieberoep. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF PREJUDICIEEL GESCHIL HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Fiches 8 - 10 Uit de loutere omstandigheid dat een opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd bevolen kan niet worden afgeleid dat een verzoeker tot heropening van de rechtspleging zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden zoals bedoeld in artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering; het komt de verzoeker toe aan te tonen dat hij door de bewezenverklaring van de telastlegging die aan de basis ligt van de opschorting of door de aan de opschorting gekoppelde proefperiode, zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts kunnen worden hersteld door een heropening van de rechtspleging die tot de opschorting heeft geleid en de loutere aanvoering dat de bewezenverklaring van een misdrijf steeds ernstige nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene, volstaat daartoe niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Tekst van de conclusie P.22.1136.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: I. VERZOEKSCHRIFT TOT HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING. 1. Bij verzoekschrift dat ter griffie van het Hof is neergelegd op 19 augustus 2022, vraagt de verzoekster op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 13 maart 2012 in de zaak P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1
(1). II. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  1. In het kader van de financiële crisis van 2008 werd door de aandeelhouders van de Fortisbank een procedure opgestart voor de voorzitter van de toenmalige rechtbank van koophandel te Brussel. De verzoekster maakte als magistraat deel uit van de zetel van de achttiende kamer van het hof van beroep te Brussel die hierover in hoger beroep diende te oordelen en in dit verband op 12 december 2008 een arrest wees. De verzoekster werd ervan verdacht tijdens het beraad dat heeft geleid tot het voormelde arrest, haar beroepsgeheim te hebben geschonden. Tijdens het naar aanleiding hiervan gevoerde strafonderzoek werd zij meermaals verhoord zonder de bijstand van een raadsman, onder meer door de raadsheer-onderzoeksrechter op 23 maart
  2. Na afloop van het onderzoek werd de verzoekster, bij toepassing van de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering betreffende het voorrecht van rechtsmacht, vervolgd voor het hof van beroep te Gent op verdenking van schending van haar beroepsgeheim tijdens het voormelde beraad, namelijk door het overmaken van een e-mailbericht, haar toegestuurd door de Kamervoorzitter van de achttiende kamer, aan de genaamde N.D. op 7 december 2008 (de telastlegging 1), door het overmaken van een ontwerp-arrest aan diezelfde N.D. op 9 december 2008 (de telastlegging 2) en door diverse werkstukken van het beraad te hebben overgemaakt aan haar echtgenoot in de periode van 24 november 2008 tot 12 december 2008 (de telastlegging 3). Bij arrest van 14 september 2011 oordeelde het hof van beroep te Gent dat de verzoekster diende te worden ontslagen van rechtsvervolging met betrekking tot de telastleggingen 1 en
  3. Het hof van beroep verklaarde de telastlegging 2 wél bewezen en gelastte hiervoor ten aanzien van de verzoekster de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van twee jaar.
  4. De verzoekster stelde tegen dit arrest van 14 september 2011 cassatieberoep in en voerde daarbij in een tweede middel
(2)schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Volgens de verzoekster had het hof beroep de beslissing over de schuld aan de telastlegging 2 gesteund op verklaringen die zij had afgelegd zonder dat zij bij de aanvang van die verhoren op haar zwijgrecht werd gewezen en zonder dat zij bij die verhoren de bijstand had van een raadsman. Bij arrest P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1 van 13 maart 2012 verwierp het Hof het cassatieberoep van de verzoekster. In antwoord op het voormelde middel oordeelde het Hof dat uit het bestreden arrest bleek dat er gedurende de verhoren op de verzoekster geen enkele druk werd uitgeoefend, dat zij niet van haar vrijheid was beroofd en dus een feitelijk recht op consultatie van een advocaat had. 5. Op 16 juni 2009
(3)reeds had de verzoekster bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) een verzoekschrift (nr. 33075/09) neergelegd waarin schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM werd aangevoerd omdat de verzoekster zonder de bijstand van een raadsman werd ondervraagd. Bij arrest van 22 februari 2022 oordeelde het EHRM, derde afdeling, zetelend als comité
(4), eenparig over het voormelde verzoekschrift nr. 33075/09 waarbij de hierna vermelde overwegingen mij van belang lijken: - de verzoekster werd verhoord zonder de fysieke aanwezigheid van een advocaat, onder meer op 23 maart 2009 (§ 4, § 5 en § 8); - van de verzoekster, die nooit van haar vrijheid werd beroofd, mag worden aangenomen dat zij, magistraat zijnde, het juridisch kader kende waarin de tegen haar ingestelde procedure zich afspeelde, zodat zij zich niet in een bijzonder kwetsbare situatie bevond (§ 15); - het hof van beroep heeft zich voor de bewezenverklaring van de telastlegging 2 uitdrukkelijk beroepen op de verklaringen die de verzoekster op 23 maart 2009 zonder de bijstand van een raadsman heeft afgelegd, met name wat het moreel element van het misdrijf betreft, zodat de betwiste verklaringen van de verzoekster een doorslaggevend belang hadden in de motivering van het arrest van het hof van beroep (§ 5, § 8 en § 16); - de controle van het Hof van Cassatie had geen betrekking op de gevolgen van de afwezigheid van de bijstand van een advocaat bij de verhoren voor het recht van verdediging van de verzoekster (§ 9 en § 17); - de strafprocedure tegen de verzoekster is in zijn geheel beschouwd niet eerlijk verlopen en er is derhalve sprake van een schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM (§ 18 en § 19). 6. Het EHRM oordeelt tenslotte dat er geen oorzakelijk verband bewezen is tussen de vastgestelde schending en de materiële schade waarvan de verzoekster de vergoeding vraagt en verwerpt dan ook die vordering (§ 22). Gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak oordeelt het EHRM dat een bedrag van 3.000 euro een redelijke vergoeding is voor de door verzoekster geleden morele schade (§ 23) en herinnert het eraan dat in Belgisch recht een procedure tot heropening is voorzien (§ 24). III. HET VERZOEK TOT HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING. 7. Op 19 januari 2000 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de aanbeveling nr. R
(2000)2
(5)goedgekeurd, waarin de lidstaten van de Raad van Europa werden aanbevolen om te voorzien in de mogelijkheid om gerechtelijke procedures op nationaal niveau te heropenen, nadat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden had vastgesteld. Teneinde zich naar deze aanbeveling te conformeren werd de procedure tot heropening van de rechtspleging na een definitief arrest van het EHRM in het Belgisch recht ingevoerd bij wet van 1 april 2007
(6)en zij maakt het voorwerp uit van de artikelen 442bis tot 442octies Wetboek van Strafvordering. 8. Artikel 442bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Wanneer bij een definitief arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is vastgesteld dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of de aanvullende protocollen, hierna ‘het Europees Verdrag’, zijn geschonden, kan, enkel wat de strafvordering betreft, de heropening gevraagd worden van de rechtspleging die geleid heeft tot de veroordeling van de verzoeker in de zaak voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of tot de veroordeling van een andere persoon, wegens hetzelfde feit en op grond van dezelfde bewijsmiddelen”. Uit deze tekst blijkt dat de heropening enkel de beslissing op de strafvordering kan aanbelangen, zodat de burgerlijke partij in elk geval de haar toegekende schadevergoeding zal behouden, ongeacht wat de beslissing naar aanleiding van de heropening zou zijn. Het gaat hier om een keuze die is ingegeven door de rechtszekerheid
(7)en die als corollarium heeft dat de burgerlijke partij niet tussenkomt in de procedure van heropening
(8). 9. Uit de tekst van artikel 442bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, volgt dat de mogelijkheid om een heropening te vragen aldus beperkt wordt tot een veroordelende beslissing op de strafvordering. Dit begrip wordt evenwel noch in de wetsbepalingen aangaande de heropening noch in de parlementaire voorbereiding nader gespecifieerd en J. VAN MEERBEECK heeft in zijn reeds geciteerde bijdrage
(9)aangegeven dat dit begrip in het Belgische strafrechtssysteem eerder beperkt is. Het lijkt evenwel de bedoeling van de wetgever te zijn geweest de mogelijkheid tot een heropening van de rechtspleging niet te beperken tot de veroordelingen stricto sensu zodat een brede invulling van het begrip veroordelende beslissing hier aangewezen is
(10), zodat het niet enkel gaat om eigenlijke straffen, maar ook om maatregelen zoals internering, rijverbod, publicaties, beroepsverboden, verbeurdverklaringen, eenvoudige schuldigverklaring, opschorting van de uitspraak van de veroordeling en beslissingen over herstelvorderingen. In casu gaat het om een opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een proefperiode van 2 jaar
(11), zodat deze beslissing in aanmerking komt voor een eventuele heropening van de rechtspleging.
  1. Overeenkomstig artikel 442ter Wetboek van Strafvordering behoort het recht om de heropening te vragen onder meer aan de veroordeelde, voorwaarde waaraan hier is voldaan. In toepassing van artikel 442quater, § 2, Wetboek van Strafvordering dient het verzoekschrift te worden ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven en dient het binnen de zes maanden na het definitief worden van de beslissing van het arrest van het EHRM te zijn ingediend. Ook aan deze voorwaarden is in onderhavig geval voldaan. Tenslotte blijkt uit het arrest van 22 februari 2022 van het EHRM dat ingevolge de door de verzoekster afgelegde verklaringen zonder de bijstand van een advocaat, de tegen haar gevoerde strafprocedure, in zijn geheel beschouwd, niet eerlijk is verlopen en de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM heeft geschonden.
  2. De inwilliging van een verzoek tot heropening van de rechtspleging is afhankelijk van twee grondvoorwaarden die, omwille van het uitzonderlijk karakter van een heropening, cumulatief
(12)dienen te zijn verwezenlijkt en in het artikel 442quinquies, Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen en die de quasi letterlijke overname zijn van de reeds geciteerde aanbeveling R
(2000)2 van 19 januari 2000. Artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, bepaalt: “Wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt hetzij dat de bestreden beslissing ten gronde strijdig is met het Europees Verdrag, hetzij dat de vastgestelde schending het gevolg is van procedurefouten of -tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, beveelt het Hof van Cassatie de heropening van de rechtspleging, voor zover de veroordeelde partij of de rechthebbenden voorzien in artikel442ter, 2°, zeer ernstige nadelige gevolgen blijven ondervinden, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld”. De twee grondvoorwaarden waaraan derhalve dient te zijn voldaan zin: a) Eerste grondvoorwaarde
(13): de bestreden beslissing is ten gronde strijdig met het Europees Verdrag of de vastgestelde schending is het gevolg van procedurefouten of -tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging; b) Tweede grondvoorwaarde: de veroordeelde partij of de rechthebbenden voorzien in artikel 442ter, 2°, blijven zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. 12. Ik veroorloof mij mijn analyse hier toe te spitsen op de tweede voorwaarde, waarvan de verzoekster meent dat zij is verwezenlijkt zich daarbij steunend op een aantal omstandigheden vermeld in het verzoekschrift
(14)en die ik als volgt kan samenvatten:
  1. a)een strafrechtelijke schuldigverklaring houdt altijd een ernstig nadelig gevolg in voor de betrokkene, op professioneel, persoonlijk en sociaal vlak, zeker wanneer de betrokkene zoals hier magistraat is en neergezet wordt als corrupt. Het feit dat alhier een opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd uitgesproken verandert daar niets aan (pp. 18-19, nrs. 55-58);
  2. b)de schuldigverklaring is ‘desastreus’ voor de verzoekster die in de periode 200-2011 werd afgeschilderd als een onbetrouwbare magistrate, geschorst werd en disciplinair vervolgd, geweerd werd uit de redactie van juridische tijdschriften en, ingevolge de nationale berichtgeving, haar juridische reputatie teloor zag gaan (pp. 19-20, nrs. 59-60);
  3. c)de verzoekster ondervindt nog steeds ernstige nadelen ten gevolge van de gevoerde rechtspleging die enkel kunnen worden verholpen door een heropening van de rechtspleging (pp. 20-23, nrs. 61-65). Ik wil er hier nogmaals op wijzen dat deze tweede grondvoorwaarde volledig is ingegeven door de reeds aangehaalde Aanbeveling R
(2000)2, zodat de internrechtelijke regeling op dat vlak volledig daarbij aansluit. In de toelichting gegeven bij deze aanbeveling blijkt
(15)dat er werd gedacht aan personen die veroordeeld werden tot lange vrijheidsstraffen en nog steeds opgesloten zijn, personen die hun burgerlijke of politieke rechten hebben verloren, het verlies of de niet-erkenning van juridische bekwaamheid of persoonlijkheid, de uitzetting waardoor een familiaal contact onmogelijk wordt of het verlies van contact met een kind
(16). 13. Ik verwijs hier tevens naar de beoordeling door het Hof van Cassatie van de voorwaarde van het ‘blijvend ondervinden van zeer nadelige gevolgen’
(17)en ik vermeld hier een aantal gevallen waarin het Hof achtte dat aan die voorwaarde was voldaan: - lastens de veroordeelde werd een arrest van strafverzwaring met onmiddellijke aanhouding uitgesproken gevolgd door een op die veroordeling gegronde administratieve maatregel van verwijdering van het grondgebied
(18); - een verwijderingsmaatregel, voor zover nog actueel, is te beschouwen als een zeer ernstig gevolg
(19); - de verzoeker weliswaar sinds geruime tijd door de strafuitvoeringsrechtbank in vrijheid is gesteld, maar zijn hechtenistoestand anders zou geweest zijn indien hij slechts voor gewone diefstal zou zijn veroordeeld en niet voor roofmoord
(20); - de verzoeker werd veroordeeld tot levenslange opsluiting, wat voor hem zeer zware negatieve gevolgen heeft waarvan hij ingevolge die opsluiting schade blijft ondervinden
(21); - de verzoeker bij verstek werd veroordeeld tot een zwaardere straf dan in eerste aanleg, hij nog steeds ter uitvoering van die straf is opgesloten en de beslissing om zijn verzet onontvankelijk te verklaren hem heeft belet voor de appelrechters daadwerkelijk tegenspraak te voeren over de tegen hem geformuleerde telastleggingen zodat hij zeer ernstige gevolgen blijft ondervinden die slechts door een heropening kunnen worden hersteld
(22); - een veroordeelde weliswaar voorwaardelijk in vrijheid is gesteld maar hij nog steeds ernstige nadelige gevolgen ondervindt van zijn veroordeling, bijvoorbeeld omdat zijn penitentiaire toestand er door wordt beïnvloed
(23); - een veroordeelde zijn straf uitzit onder de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, hij de geldboeten en gerechtskosten betaalt en zijn pensioen is ingetrokken, waaruit blijkt dat hij zeer ernstige en ogenblikkelijke gevolgen ondervindt die de heropening rechtvaardigen
(24); - de omstandigheid dat een veroordeelde geen werk kan vinden omdat de gevangenisstraf, geldboete en ontzetting ingevolge het veroordelend arrest op zijn strafregister zijn ingeschreven; - een veroordeelde zijn straf nog steeds uitzit onder de modaliteit van een voorwaardelijke invrijheidstelling en dat hij onder streng toezicht staat van het Justitiehuis en psychologisch wordt gevolgd
(25); - de verzoeker nog steeds is gedetineerd ter uitvoering van zijn veroordeling tot levenslange opsluiting door het hof van assisen
(26); - de verzoeker nog steeds ter uitvoering van de veroordeling is opgesloten
(27); - de verzoeker zijn straf van 20 jaar opsluiting ondergaat onder een elektronische enkelband
(28); - lastens de verzoeker het herstel van de plaats in de vorige staat onder verbeurte van een dwangsom werd bevolen
(29); Zoals het samenvattend wordt gesteld door S. VANDROMME
(30)kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige nadelige gevolgen zolang een onterechte veroordeling op het strafblad blijft vermeld en die vermelding nadelige gevolgen heeft, ongeacht of de straffen reeds zijn ondergaan. Ik herinner eraan dat in casu ten aanzien van de verzoekster de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van twee jaar werd opgelegd, termijn die inmiddels is verstreken en er geen herroeping van deze opschorting heeft plaatsgegrepen. Er is uiteraard geen vermelding van deze beslissing op het strafblad. 14. In het licht van de rechtspraak van het Hof over het ‘blijvend ondervinden van zeer nadelige gevolgen’ is het uiteraard van belang het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 september 2011 te analyseren. Dit arrest verklaart de telastlegging 2 wegens schending van het beroepsgeheim bewezen ten aanzien van de verzoekster en het oordeelt verder dat: - het niet bewezen is dat de verzoekster met kwade bedoelingen heeft gehandeld; - een veroordeling, zelfs tot een lichte straf, de sociale declassering van de verzoekster zou kunnen veroorzaken, wat niet in verhouding zou staan met de ernst van de concrete feiten; - er wordt ingegaan op het in ondergeschikte orde geformuleerde verzoek om de uitspraak van de veroordeling op te schorten voor een termijn van twee jaar. Het arrest van 14 september 2011 waarbij de telastlegging wegens schending van het beroepsgeheim bewezen werd verklaard en de gewone opschorting werd gelast voor een proefperiode van twee jaar, werd definitief na de verwerping van verzoeksters cassatieberoep door het Hof bij arrest van 13 maart 2012
(31). Er blijkt niet dat tijdens die proefperiode door de verzoekster een nieuw misdrijf werd gepleegd waardoor de opschorting bij toepassing van artikel 13 Probatiewet zou zijn herroepen of nog zou kunnen worden herroepen. 15. Eerst en vooral dient erop te worden gewezen dat wat betreft het voorhanden zijn van deze tweede grondvoorwaarde de bewijslast daarvoor bij de verzoeker ligt
(32). Het wil mij voorkomen dat in casu dit bewijs of minstens een begin ervan door de verzoekster niet wordt aangereikt en daarbij is het evident dat een loutere aanvoering of bewering dienaangaande in geen enkel geval voldoende zijn. Het komt aan de verzoekster toe te bewijzen dat er een rechtsreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de vastgestelde EVRM-schending en de blijvende gevolgen ervan voor de betrokkene
(33), zodat zij alhier dient aan te tonen dat deze nadelige gevolgen tot op de dag van vandaag nog steeds voortduren en zij het bewijs dient aan te brengen voor de door haar ingeroepen reputatieschade, morele schade en de professionele schade.
  1. Uit de loutere omstandigheid dat een opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd bevolen kan niet worden afgeleid dat de verzoekster tot heropening van de rechtspleging zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden zoals bedoeld in artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Het komt de verzoekster in dat geval toe aan te tonen dat zij door de bewezenverklaring van de telastlegging die aan de basis ligt van de opschorting of door de aan de opschorting gekoppelde proefperiode, zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts kunnen worden hersteld door een heropening van de rechtspleging die tot de opschorting heeft geleid. De loutere aanvoering dat de bewezenverklaring van een misdrijf steeds ernstige nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene, volstaat daartoe niet.
  2. Concluderend ben ik dan ook de mening toegedaan dat de verzoekster in casu in gebreke blijft aan te tonen dat zij tot op heden zeer nadelige gevolgen blijft ondervinden van de bestreden rechtspleging, die enkel door een heropening zouden kunnen worden hersteld. Aangezien zoals reeds gezegd de beide grondvoorwaarden dienen te zijn verwezenlijkt en uit mijn advies blijkt dat dit voor één van hen al niet het geval is, ben ik de mening toegedaan dat ik niet verder dien in te gaan op de andere grondvoorwaarde. IV. CONCLUSIE. Het verzoek tot heropening van de rechtspleging komt mij ongegrond voor. _____________________________________________
(1)Cass. 13 maart 2012, AR P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1, AC 2012, nr. 166.
(2)Het eerste middel dat hier niet ter zake dienend is had betrekking op de miskenning van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter en werd eveneens door het Hof van Cassatie verworpen.
(3)Er dient aldus te worden opgemerkt dat de verzoekster haar definitieve veroordeling niet heeft afgewacht om zich tot het EHRM te wenden.
(4)Artikelen 26.1 en 28.1 EVRM. Er wordt geopteerd voor een beslissing door een comité van drie rechters wanneer “de onderliggende vraag van de zaak, betreffende de interpretatie of de toepassing van het Verdrag of de protocollen daarbij, reeds behoort tot de vaste rechtspraak van het Hof”, waarmee alhier de arresten Salduz en Beuze van het EHRM wordt bedoeld.
(5)Vrije vertaling van de Franse tekst: ‘I. Nodigt, in het licht van deze overwegingen, de contracterende partijen uit zich ervan te vergewissen dat er op het interne vlak afdoende mogelijkheden bestaan om, in de mate van het mogelijke, een restitutio in integrum te verwezenlijken; II. Moedigt de contracterende Partijen aan om hun nationale rechtssystemen te onderzoeken teneinde zich ervan te vergewissen dat er aangepaste mogelijkheden bestaan voor het heronderzoek van een zaak, daaronder begrepen de heropening van de rechtspleging, in de gevallen waarin het Hof een schending van het Verdrag heeft vastgesteld, inzonderheid wanneer i. de benadeelde partij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden van de internrechtelijke beslissing, die niet afdoende hersteld wordt door een billijke genoegdoening en die slechts door een heronderzoek of een heropening kan worden rechtgezet en ii. uit het arrest van het Hof blijkt dat a. de betwiste internrechtelijke beslissing strijdig is met het EVRM, of b. de vastgestelde schending het gevolg is van procedurefouten of tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat een ernstige twijfel rijst over het resultaat van de betrokken interne procedure’.
(6)Wet tot wijziging van het Wetboek van strafvordering met het oog op de heropening van de rechtspleging in strafzaken, BS 9 mei 2007. Zie over deze wet: J. VAN MEERBEECK, “La réouverture des procédures pénales après un arrêt de Strasbourg – Commentaire de la loi du 1er avril 2007”, JT 2007, pp. 733-737; N. COLPAERT, “De nieuwe procedure van heropening van een strafzaak na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de mens”, RW 2007-2008, pp. 53-61; A. VERHEYLESONNE en O. KLEES, “La loi belge du 1er avril 2007 relative à la réouverture de la procédure pénale à la suite d’un arrêt de condamnation de la Cour européenne des droits de l’homme”, Rev. Trim. D.H. 2008, pp. 773-800; P. LEMMENS en W. VANDENHOLE, “De heropening van een strafprocedure na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de rechten van de Mens”, T. Strafr. 2001, 49-74.
(7)Parl. St. Senaat, 2005-2006, 3-1769/1, pp. 14-15.
(8)Deze optie werd door de Raad van State in zijn verslag bekritiseerd – zie Parl. St. Senaat, 2005-2006, 3-1769/1, pp. 34-36.
(9)J. VAN MEERBEECK, o.c., p. 735, voetnoot 13.
(10)F. VAN VOLSEM, “Tien jaar toepassing van de heropening van de rechtspleging”, in J. DE CODT, B. DECONINCK, D. THIJS, A. HENKES en J.-F. VAN DROOGHENBROECK (eds.), Le Code Judiciaire a 50 ans. Et après?/50 jaar Gerechtelijk Wetboek Wat nu?, pp. 668-669, nrs. 18-20.
(11)Het arrest van het EHRM spreekt hier verkeerdelijk van ‘le bénéfice de la suspension du prononcé de la peine’.
(12)F. VAN VOLSEM, o.c., p. 677; N. COLPAERT, “De nieuwe procedure van heropening van een strafzaak na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de mens”, RW 2007-2008, pp. 59-61; J. ROZIE, “Nieuwe ontwikkelingen in Straatsburg. De uitspraken gewezen in 2006 door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens tegen België en de procedure tot heropening van de rechtspleging in strafzaken onder de loep genomen”, NC 2007, p. 409; Omzendbrief nr. COL 12/2007 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep, p. 9.
(13)Er weze hierbij aangestipt dat deze eerste grondvoorwaarde twee onderscheiden hypotheses omvat, zie Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0910.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6, AC 2011, nr. 556, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH in JT 2012, p. 37; zie J. VAN MEERBEECK, “La réouverture des procédures pénales après un arrêt de Strasbourg – Commentaire de la loi du 1er avril 2007”, JT 2007, p. 735; N. COLPAERT, “De nieuwe procedure van heropening van een strafzaak na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de mens”, RW 2007-2008, p. 59; A. VERHEYLESONNE en O. KLEES, “La loi belge du 1er avril 2007 relative à la réouverture de la procédure pénale à la suite d’un arrêt de condamnation de la Cour européenne des droits de l’homme”, Rev. Trim. D.H. 2008, p. 789.
(14)Punt 3.2.3., pp. 18-23, randnummers 52-65.
(15)Overweging 11 van de aanbeveling.
(16)F. VAN VOLSEM, o.c., p. 682.
(17)F. VAN VOLSEM, o.c., p. 683-684.
(18)Cass. 9 april 2008, AR P.08.0051.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080409.5, AC 2008, nr. 214, JT 2008, p. 403, noot J. VAN MEERBEECK, RDP 2008, p. 839, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, RW 2008-2009, p. 927, TBP 2009, p. 421, T. Strafr. 2008, p. 215, noot.
(19)Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0910.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6, AC 2011, nr. 556 en JT 2012, p. 37, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.
(20)Cass. 17 juni 2008, AR P.08.0070.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4, AC 2008, nr. 379, met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF, NC 2008, p. 284, RABG 2009, p. 14, noot D. VAN DER KELEN en L. GYSELAERS.
(21)Cass. 11 februari 2009, AR P.08.1472.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090211.7-P.08.1786.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090211.7, AC 2009, nr. 114, JLMB 2009, p. 886, noot, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., RDP 2009, p. 728.
(22)Cass. 23 februari 2011, AR P.10.2047.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110223.2, AC 2011, nr. 161; RDP 2011, p. 891, RW, 2012-2013, p. 215, noot B. DE SMET; T. Strafr., 2011, p. 207, noot. C. VAN DEUREN.
(23)Cass. 17 juni 2008, AR P.08.0070.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4, AC 2008, nr. 379, met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF; NC 2008, p. 284, RABG 2009, p. 14, noot D. VAN DER KELEN en L. GYSELAERS.
(24)Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0910.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6, AC 2011, nr. 556 en JT 2012, p. 37, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.
(25)Cass. 11 december 2013, AR P.13.1150.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131211.5, P.13.1151.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131211.5, P.13.1152.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131211.5 en P.13.1153.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131211.5, AC 2013, nr. 676, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; RDP, 2014, p. 318.
(26)Cass. 16 juni 2015, AR P.15.0470.N, arrest niet gepubliceerd.
(27)Cass. 3 februari 2016, AR P.15.1472.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 24 november 2015, AR P.15.1175.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151124.7, AC 2015, nr. 697; RABG 2016, p. 514, noot; Cass.14 oktober 2015, AR P.15.1021.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 24 juni 2015, AR P.15.0315.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150624.9, AC 2015, nr. 436, met concl. van advocaat-generaal R. LOOP, op datum in Pas.
(28)Cass. 15 maart 2016, AR P.15.1198.N, arrest niet gepubliceerd.
(29)Cass. 2 oktober 2018, AR P.18.0770.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.11, AC 2018, nr. 521.
(30)S. VANDROMME “Recente ontwikkelingen in het strafprocesrecht” in Recente ontwikkelingen in het strafrecht. Vormingsprogramma 2008 (Departement vorming en opleiding van de Orde van advocaten van de Balie van Kortrijk ed.), Brussel, Larcier 2008, p. 105, nr. 116.
(31)Cass. 13 maart 2012, AR P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1, AC 2012, nr. 166.
(32)F. VAN VOLSEM, o.c., p. 683; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier 2012, p. 1372; zie J. VAN MEERBEECK, “La réouverture des procédures pénales après un arrêt de Strasbourg – Commentaire de la loi du 1er avril 2007”, JT 2007, p. 736.
(33)Er weze hierbij aangestipt dat deze eerste grondvoorwaarde twee onderscheiden hypotheses omvat, zie Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0910.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6, AC 2011, nr. 556, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., JT 2012, p. 37, voetnoot 15. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.25 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.25 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080409.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090211.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110223.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131211.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150624.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151124.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.