← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 december 2022

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 6 Uit de loutere omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing geen melding maakt van alle feitelijke gegevens van het dossier en de alternatieven voor de voorlopige hechtenis afwijst op grond van redenen die reeds werden aangehaald in eerdere beslissingen, kan niet worden afgeleid dat hij zijn beslissing niet heeft gebaseerd op grond van een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en geen rekening heeft gehouden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis, voor zover hij daardoor geen blijk geeft van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis en de noodzakelijke individualisering

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 7 - 9 Het oordeel over de noodzaak van het laten voortbestaan van de voorlopige hechtenis vereist een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak, aangezien de vrijheidsberoving een uitzonderlijke maatregel is en rechtvaardigende redenen door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 10 - 12 De loutere omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling die op onderscheiden tijdstippen dient te oordelen over de voorlopige hechtenis van eenzelfde inverdenkinggestelde de motivering van eerdere beslissingen overneemt en, in vergelijking met de vorige beslissing tot handhaving, in de nieuwe handhavingstitel geen melding maakt van nieuwe elementen of gegevens, betekent niet noodzakelijk dat de handhaving blijk zou geven van een automatisme en dat er geen rekening werd gehouden met de vereiste individualisering en met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 13 - 15 Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen of de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde volstrekt noodzakelijk is voor de openbare orde, kan zich hiervoor baseren op redenen die dezelfde zijn als deze waarmee de voorlopige hechtenis van een andere inverdenkinggestelde werd verantwoord, althans in zoverre die redenen geen stereotiepe motivering inhouden die afbreuk doen aan de noodzakelijke individualisering en het evolutief en uitzonderlijk karakter van de voorlopige hechtenis

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 16 - 18 Het onderzoeksgerecht dat naar aanleiding van de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis nagaat of er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, kan hierbij rekening houden met de omstandigheid dat de inverdenkinggestelde duurzame banden heeft met een ander land dan België; het loutere gegeven dat het onttrekkingsgevaar reeds in een vorige fase van de voorlopige hechtenis hierop werd gebaseerd, belet het onderzoeksgerecht niet om bij een navolgende beoordeling van de voorlopige hechtenis te oordelen dat die omstandigheid nog steeds actueel is en hieruit af te leiden dat er nog steeds onttrekkingsgevaar is; uit dit oordeel kan als zodanig ook niet worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht geen rekening zou hebben gehouden met het tijdsverloop van de voorlopige hechtenis

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 19 - 20 Indien het op grond van 16, § 1, vierde lid, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet voor de handhaving van de voorlopige hechtenis is vereist dat er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, is het niet vereist dat cumulatief aan alle voorwaarden van die bepaling is voldaan

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 4, vierde lid, eerste zin, 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 4, vierde lid, eerste zin, 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 21 - 24 De rechter oordeelt onaantastbaar over het bedrag van de in artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bedoelde borgsom, rekening houdend met de in dat artikel bedoelde criteria, zoals het ernstig vermoeden dat gelden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst; wanneer de rechter oordeelt dat het bedrag van de door een inverdenkinggestelde aangeboden borgsom niet volstaat om het onttrekkingsgevaar te neutraliseren, is hij niet ertoe verplicht in zijn beslissing te vermelden welke borgsom hiertoe wel kan volstaan
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: BORGTOCHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de conclusie P.22.1605.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De vereiste van een individueel, precies en geactualiseerd onderzoek voor de handhaving van de voorlopige hechtenis en de motivering van de borgsom”. 1. Het is vaste rechtspraak dat het onderzoeksgerecht bij de handhaving van de voorlopige hechtenis geen blijk mag geven van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis, gelet op de vereiste van de redelijke termijn van artikel 5.3 EVRM
(1). 2. De duur van de voorlopige hechtenis heeft bijgevolg een invloed op de motiveringsplicht, aangezien gronden die aanvankelijk afdoende leken, door het tijdsverloop hun relevantie kunnen verliezen
(2). Het onderzoeksgerecht dient op grond van een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek na te gaan of er alternatieven zijn voor de voorlopige hechtenis, zoals de vrijheid onder voorwaarden. Deze beoordeling mag niet steunen op louter stereotiepe motiveringen, die zouden kunnen gelden voor om het even welke beslissing van handhaving
(3).
  1. Het enkele feit dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen melding maakt van alle nieuwe ontwikkelingen in het onderzoek of de toestand van de inverdenkinggestelde, en (deels) verwijst naar redenen van vorige beslissing tot handhaving, lijkt mij niet in te houden dat de nieuwe beslissing wijst op automatisme of steunt op stereotiepe motiveringen. Hetzelfde geldt naar mijn mening voor redenen die ook zijn opgenomen in een beslissing over de voorlopige hechtenis van een medeverdachte.
  2. Het bestreden arrest oordeelt dat het onderzoek naar en internationale organisatie die inbreuken zou plegen op de drugswetgeving op heden nog steeds een normaal verloop kent, er geen enkele stilstand was in dit onderzoek, ook niet naar de persoon van eiser, er sedert het vorige arrest van handhaving de synthese processen-verbaal zijn klaargemaakt en er een concept zou zijn van eindvordering in deze complexe zaak met een veelheid van verdachten.
  3. De appelrechters wijzen de vrijheid onder voorwaarden, de vrijheid mits borgsom of de modaliteit van elektronisch toezicht af om reden dat eiser meermaals is veroordeeld wegens onder meer financiële misdrijven, hij werd aangewezen als leidende figuur voor de feiten van drugtransporten en witwassen, zijn centrum van belangen in Spanje ligt en hij nog contacten heeft met personen uit het crimineel milieu, zoals M., op wiens adres waar eiser een elektronisch toezicht zou willen ondergaan.
  4. Mij komt voor dat het arrest voldoet aan de vereiste van een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek, op basis van concrete gegevens
(4), wat betreft 1° de alternatieven voor de voorlopige hechtenis, 2° de volstrekte noodzaak voor de openbare veiligheid (o.a. dat eiser werd aangewezen als leidend figuur van feiten van drugstrafieken) en 3° het onttrekkingsgevaar (de duurzame banden van eiser met Spanje, als centrum van zijn belangen). Het eerste middel met vijf onderdelen kan aldus niet worden aangenomen. 7. Voor zover het vierde onderdeel (over het onttrekkingsgevaar) stelt dat eiser over een netwerk van vrienden en familie in België beschikt, verplicht het tot een onderzoek van feiten, en is het niet-ontvankelijk
(5). Het feit dat de redenen al in een eerdere beslissing zijn vermeld (nl. de duurzame belangen die eiser heeft in Spanje, als centrum van zijn economische en persoonlijke belangen) staat een bevestiging daarvan niet in de weg, na een hernieuwd onderzoek
(6). 8. Tenslotte blijkt uit artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet niet dat, gelet op de ten laste gelegde feiten, de voorlopige hechtenis alleen is verantwoord als er voor het oordeel over de volstrekte noodzaak voor de openbare veiligheid sprake is van de vier vermelde gevaren, aangezien deze wetsbepaling de term ‘of’ bevat
(7). Het derde en vijfde onderdeel (over de volgens eiser stereotiepe motivering van resp. het recidivegevaar, o.a. negen voorgaande correctionele veroordelingen en het ogenschijnlijk georganiseerd en internationaal karakter van de feiten, en het collusiegevaar, o.a. het gevaar van afspraken om verklaringen te wijzigen of in te trekken) komen niet op tegen het oordeel dat er nog steeds onttrekkingsgevaar bestaat en dat de redelijke termijn niet is overschreden, art. 5.3 EVRM thans niet is geschonden. In zoverre kunnen deze onderdelen niet tot cassatie leiden en zijn zij niet-ontvankelijk. 9. De borgsom als alternatief voor de verdere vrijheidsbeneming heeft als doel de betrokkene ertoe aan te zetten na zijn invrijheidstelling te verschijnen bij de proceshandelingen of om zich aan te bieden ter tenuitvoerlegging van de beslissing. De rechter oordeelt onaantastbaar over het onttrekkingsgevaar en bedrag van de borgsom, op basis van de concrete dossiergegevens
(8). Daarbij kan hij rekening houden met ernstige vermoedens dat illegale vermogensvoordelen in het buitenland zijn geplaatst of verborgen worden gehouden (art. 35 § 4 Voorlopige Hechteniswet)
(9). De rechter die vindt dat de aangeboden borgsom niet volstaat om het onttrekkingsgevaar te neutraliseren, lijkt mij niet verplicht aan te geven welke borgsom wel gepast zou zijn. In zoverre faalt het tweede middel naar recht.
  1. De afwijzing van de door eiser voorgestelde borgsom van 30.000€ is voldoende gemotiveerd, onder meer omdat het aannemelijk voorkomt dat eiser over zeer aanzienlijke bedragen zou kunnen beschikken, met verwijzing naar een groot bedrag cash geld en een pakket aandelen aangetroffen bij huiszoeking in zijn verblijfplaats (blz. 7 vordering federaal parket, overgenomen in het bestreden arrest). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  2. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. ___________________________________
(1)Cass. 13 december 2022, AR P.22.1593.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 13 september 2022, AR P.22.1170.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.24, AC 2022, nr. 535; Cass. 6 september 2022, AR P.22.1159.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.22, AC 2022, nr. 512; Cass. 9 augustus 2022, AR P.22.1050.N, AC 2022, nr. 488; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312, met concl. OM; Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 2 december 2020, AR P.20.1153.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201202.2F.6, AC 2020, nr. 742, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 30 juni 2020, AR P.20.0680.N, AC 2020, nr. 463, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0980.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.14, AC 2020, nr. 632; Cass. 9 augustus 2020, AR P.22.1050.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 16 april 2019, AR P.19.0343.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190416.1, AC 2019, nr. 234; Cass. 15 januari 2015, AR P.15.0025.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.8, AC 2015, nr. 35; Cass. 11 maart 2014, AR P.14.0377.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.7, AC 2014, nr. 195; Cass. 17 februari 2010, AR P.10.0267.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100217.1, AC 2010, nr. 106; Cass. 12 augustus 2008, AR P.08.1265.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.6, AC 2008, nr. 434; Cass. 5 januari 2005, AR P.04.1725.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050105.17, AC 2005, nr. 6; Cass. 2 maart 2004, AR P.04.0286.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040302.7, AC 2004, nr. 114; Cass. 18 februari 2003, AR P.03.0184.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030218.27, AC 2003, nr. 117; Cass. 27 november 2002, AR P.02.1507.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021127.16, AC 2002, nr. 638. Zie ook EHRM 9 februari 2021, Hasselbaink t/Nederland; § 67-73; EHRM 9 februari 2021, Zohlandt t. Nederland; § 48-54; EHRM 9 februari 2021, Maassen t/Nederland, § 53-59; EHRM 13 oktober 2020, Maksim Savov t/Bulgarije, § 39 en 53; EHRM 5 juli 2016, Buzadji t/Moldavië, § 84-91, www.echr.coe.int; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 536-538; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 537-543; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1180-1181; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina, 2022, 1é-1234.
(2)Cass. 13 september 2022, AR P.22.1170.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.24, AC 2022, nr. 535; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0760.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14, arrest niet gepubliceerd; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312, met concl. OM; Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 28 december 2021, AR P.21.1654.N, AC 2021, nr. 833, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4; Cass. 22 december 2010, AR P.10.1918.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101222.13, AC 2010, nr. 765; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1180-1181.
(3)Cass. 13 september 2022, AR P.22.1170.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.24, AC 2022, nr. 535; Cass. 6 september 2022, AR P.22.1159.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.22, AC 2022, nr. 512; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312, met concl. OM; EHRM 9 februari 2021, Maassen t/Nederland, § 58; EHRM, EHRM 28 november 2017, Merabishvilli t/Georgië, § 222; EHRM 2 mei 2017, Lisovskij t/Litouwen, § 77.
(4)Over deze voorwaarde Cass. 13 september 2022, AR P.22.1170.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.24, AC 2022, nr. 535; Cass. 6 september 2022, AR P.22.1159.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.22, AC 2022, nr. 512; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0760.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14, arrest niet gepubliceerd; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312, met concl. OM; Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13 AC 2022, nr. 3; Cass. 30 maart 2021, AR P.21.0388.N, AC 2021, nr. 236, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18; Cass. 6 juli 2010, AR P.10.1095.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100706.2, AC 2010, nr. 475; EHRM 9 februari 2021, Maassen t/Nederland, § 56; EHRM 18 februari 2021, Azizov en Novruzlu t/Azerbeidzjan, T. Strafr. 2021, 157; EHRM 28 november 2017, Merabishvilli t/Georgië, § 234, www.echr.coe.int.
(5)Cass. 9 augustus 2022, AR P.22.1050.N, AC 2022, nr. 488, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.7.
(6)Over dit aspect zie Cass. 9 augustus 2022, AR P.22.1050.N, AC 2022, nr. 488; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312, met concl. OM; Cass. 28 december 2021, AR P.21.1654.N, AC 2021, nr. 833; Cass. 19 januari 2021, AR P.21.0033.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.10, AC 2021, nr. 40; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0980.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.14, AC 2020, nr. 633; Cass. 30 juni 2020, AR P.20.0680.N, AC 2020, nr. 463, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24.
(7)Cass. 12 februari 1997, AR P.97.0161.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970212.14, AC 1997, nr. 82; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1078 (er is ingevolge art. 16 § 1, vierde lid, Wet Voorlopige Hechtenis geen vermelding van één van de specifieke gevaren (collusie, onttrekking, verduistering, recidive) nodig voor feiten waarop een straf van opsluiting staat van meer dan 15 jaar of voor feiten van terrorisme strafbaar met een gevangenisstraf van minstens vijf jaar (art. 137-141ter Sw.)).
(8)Cass. 13 april 2022, AR P.22.0459.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2N.4, AC 2022, nr. 262, RW 2022-23, 336; Cass. 11 februari 2020, AR P.20.0126.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.13, AC 2020, nr. 121; Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0882.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.6, AC 2015, nr. 456. Over de motivering van de afwijzing van de borgsom zie ook Cass. 9 augustus 2022, AR P.22.1050.N, AC 2022, nr. 488, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.7; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 567; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina, 2022, 1252-1253; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1126-1128.
(9)Cass. 9 november 2022, AR P.22.1407.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221109.2F.11, AC 2022, nr. 718, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221109.2F.11. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.32 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970212.14 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021127.16 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030218.27 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040302.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050105.17 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100217.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100706.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101222.13 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190416.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.13 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.14 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201202.2F.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220809.VAK.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.22 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.24 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221109.2F.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221109.2F.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.