← België

BELGISCHE STAAT contra Ben-Air Flight Academy

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221223.1N.1 Rolnummer: F.22.0041.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra Ben-Air Flight Academy Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-03-13 Raadplegingen: 980 - laatst gezien 2026-06-18 20:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221223.1N.1 Fiche 1 De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels; hij heeft de verplichting, mits eerbiediging van het recht van verdediging, ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun vorderingen of hun verweer; hiermee worden gelijkgesteld de feiten die de rechter zelf naar voor brengt uit de elementen die hem regelmatig werden voorgelegd

(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Gerechtelijk recht - Rechtspleging - Opdracht van de rechter - Ambtshalve aanvullen van redenen Fiche 2 Afstand van rechtsvordering is slechts mogelijk met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken
(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN RECHTSVORDERING Vrije woorden: Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 823 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 3 - 5 Een betwisting inzake de belastingwet raakt de openbare orde, waaruit volgt dat de Belgische Staat in betwistingen inzake de belastingwet geen afstand van rechtsvordering kan doen
(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN RECHTSVORDERING Vrije woorden: Belastingwet - Openbare orde - Belgische Staat - Gevolg Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Vrije woorden: Belastingwet - Berusting - Belgische Staat Thesaurus CAS: BERUSTING Vrije woorden: Belastingwet - Openbare orde - Belgische Staat - Gevolg Tekst van de conclusie F.22.0041.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse:
  1. Situering.
  2. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de verweerster door de fiscale administratie werd uitgenodigd om een veroordelingsrecht van € 26.002,71 (registratierechten) te betalen naar aanleiding van een veroordeling van de verweerster op 24 oktober 2018 tot de betaling van een bedrag van € 866.756,
  3. De raadsman van verweerster voerde aan dat er vrijstelling was van het veroordelingsrecht op grond artikel 162, 4° W.Reg. De administratie antwoorde per e-mail dat deze vrijstelling niet toepasslijk was. Tegen die beslissing stelde de verweerster een procedure in voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, waarin ze zich onder meer beriep de op vrijstelling van artikel 162, 4° W.Reg. Bij vonnis van 24 oktober 2018 oordeelde de voormelde rechtbank dat de vrijstelling van het veroordelingsrecht toepasselijk was en stelde de administratie in het ongelijk. Voor de appelrechters verzocht de verweerster om akte te nemen van de door de administratie gedane afstand van rechtsvordering bij e-mail van 15 juli
  4. De administratie betwiste de afstand van rechtsvordering. De appelrechters stelden vast dat de partijen niet betwisten dat afstand van rechtsvordering in casu mogelijk is in de zin van artikel 823 Ger.W. Ze oordeelden dat ze niet ambtshalve kunnen vaststellen dat de betwisting omtrent de vrijstelling in toepassing van artikel 162,4° W.Reg. een recht betreft dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken. Vervolgens oordeelden de appelrechters op basis van een analyse van de feiten dat de Belgische Staat op rechtsgeldige wijze afstand heeft gedaan van haar rechtsvordering. De administratie voert in haar verzoekschrift één middel tot cassatie aan.
  5. Bespreking van het enig middel.
  6. In zijn enig middel voert de eiser de volgende vier onderdelen aan: - in het eerste onderdeel: de schending van artikel 832 Ger.W. doordat de appelrechters hebben beslist dat de eiser rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn vordering, terwijl deze vordering een recht tot voorwerp heeft dat, gelet op het openbare orde karakter ervan, niet mocht worden prijsgegeven; - in het tweede onderdeel: de schending van (onder meer) artikel 1044 Ger.W. doordat de appelrechters hebben beslist dat de eiser rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn vordering, terwijl de eiser niet kan berusten in een beslissing die de vordering van de belastingplichtige tegen de administratie inwilligt, nu dit de wezenlijke belangen van de Staat raakt; - in het derde onderdeel: de schending van het beschikkingsbeginsel, doordat de appelrechters niet ambtshalve hebben nagegaan of de betwisting omtrent de vrijstelling in toepassing van artikel 162, 4° W.Reg. een recht betreft dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken; - In het vierde onderdeel: een schending van het recht van verdediging (en artikel 774 Ger.W.) doordat de appelrechters hebben beslist dat de eiser rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn vordering, zonder ambtshalve het debat te heropenen teneinde aan de partijen de vraag voor te leggen of de afstand geoorloofd was in het licht van de context van de openbare orde.
  7. Bij de logische analyse van deze onderdelen, komt het mij voor dat zich in eerste instantie de bespreking van het derde onderdeel opdringt. De appelrechters hebben de middelen over de openbare orde en de mogelijkheid tot berusting door de administratie over een betwiste belastingvrijstelling niet ontmoet. Ze zijn daartoe niet kunnen komen omdat hun redenering stopt bij de beslissing dat ze niet ambtshalve kunnen vaststellen dat de betwisting omtrent de vrijstelling in toepassing van artikel 162, 4° W.Reg. een recht betreft dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken. De appelrechters beperken zich tot de vaststelling dat de partijen niet betwisten dat een afstand van rechtsvordering op grond van artikel 823 Ger.W. mogelijk is om vervolgens te oordelen dat zij niet ambtshalve de toepassing van artikel 823 Ger.W. kunnen onderzoeken.
  8. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat het enkele feit dat de partijen de toepassing van een bepaalde wetsbepaling niet hebben opgeworpen, niet betekent dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten
(1). De vaststelling dat de eiser de toepassing van artikel 823 Ger.W. niet heeft aangevoerd, sluit niet uit dat de rechter verplicht kan zijn om ambtshalve de toepassing van die bepaling te onderzoeken. Het Hof oordeelde dat krachtens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de erop van toepassing zijnde rechtsregel, de rechter de plicht heeft om, met naleving van het recht van verdediging, ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing is vereist door de feiten die de partijen tot staving van hun aanspraken in het bijzonder aanvoeren
(2). Hoewel de rechter er niet toe gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, doch niet aangevoerde rechtsgronden op hun toepasselijkheid te onderzoeken, dient hij wel, mits eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid te onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsgronden die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen
(3). Hiermee moeten ook worden gelijkgesteld de feiten die de rechter zelf naar voor heeft gebracht uit de elementen die hem regelmatig door de partijen werden voorgelegd. Daaruit volgt m.i. dat wanneer een slechts zijdelings aangevoerd feit waaruit door de partijen geen rechtsgevolgen werd getrokken, door de rechter zelf naar voren is gebracht, de rechter ertoe gehouden is de geëigende regels toe te passen.
  1. De appelrechters stellen vast dat de afstand waarvan de geldigheid door de eiser wordt betwist, een afstand van rechtsvordering betreft in de zin van artikel 821 Ger.W. en de afstand betrekking heeft op het recht van de eiser op betaling van het veroordelingsrecht en de toepassing van een belastingvrijstelling. De partijen hebben de toepassing van artikel 823 Ger.W. niet aangevoerd. De appelrechters hebben zelf deze bepaling naar voren gebracht door te oordelen dat de partijen niet betwisten dat afstand van rechtsvordering in casu mogelijk is in de zin van artikel 823 Ger.W., om vervolgens daaruit te besluiten dat zij niet ambtshalve kunnen vaststellen dat de betwisting omtrent de vrijstelling een recht betreft dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken. De appelrechters die, gelet op het voorwerp van de afstand zoals het blijkt uit de door de partijen en de appelrechters zelf aangevoerde feiten, ambtshalve een niet-aangevoerde rechtsgrond opwerpen, op grond waarvan de afstand ongeldig zou kunnen worden verklaard, maar vervolgens weigeren om ambtshalve de toepassing daarvan te onderzoeken, miskennen m.i. het beschikkingsbeginsel. Het derde onderdeel komt mij dan ook gegrond voor.
  2. Bovendien bepaalt artikel 172 van de Grondwet dat geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet. De belastingwet met betrekking tot een (betwiste) belastingvrijstelling bedreigt m.i. de wezenlijke belangen van de Staat en raakt de openbare orde. Hoger werd verwezen naar de rechtspraak van het Hof volgens welke de rechter ook de toepasselijkheid dient te onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsgronden die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen Dat geldt ook wanneer de niet-aangevoerde rechtsgronden steunen op wetsbepalingen van dwingend recht of van openbare orde
(4). Ook indien er sprake zou zijn van een berusting vanwege de eiser in het beroepen vonnis, eerder dan van een afstand van rechtsvordering, zou een dergelijke berusting m.i. niet geldig zijn. Volgens de verweerster doet men door de berusting in een vonnis niets meer dan het gezag van gewijsde respecteren van de beslissing van de eerste rechter, zodat het steeds mogelijk moet zijn te berusten in een vonnis, ongeacht of de aan dit vonnis ten grondslag liggende zaak de openbare orde raakt. Die stelling vindt geen steun in de rechtspraak van het Hof. Het is daarentegen vaste rechtspraak van Uw Hof dat niet kan worden berust in zaken die de openbare orde aanbelangen
(5). 3. Besluit: Cassatie. _______________________________________
(1)Cass. 7 december 2020, AR C.19.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201207.3N.15, AC 2020, nr. 754; Cass. 18 juni 2020, AR C.20.0003.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 7 juni 2019, AR C.18.0523.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190607.5, AC 2019, nr. 357; Cass. 28 juni 2018, AR C.17.0696.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9, AC 2018, nr. 423; Cass. 23 juni 2016, AR C.15.0293.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 9 november 2015, AR S.14.0004.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151109.1, AC 2015, nr. 661; Cass. 5 oktober 2012, AR C.12.0073.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121005.5, AC 2012, nr. 517; Cass. 29 september 2011, AR C.10.0349.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.1, AC 2011, nr. 514; Cass. 6 december 2007, AR C.06.0092.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071206.2, AC 2007, nr. 619.
(2)O.a. Cass. 27 januari 2022, AR C.21.0189.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.8, AC 2022, nr. 75; Cass. 17 maart 2016, AR C.15.0235.N, AC 2016, nr. 189; Cass. 4 maart 2013, AR C.12.0056.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130304.5, AC 2013, nr. 143.
(3)Cass. 3 februari 2022, AR C.21.0058.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.1, AC 2022, nr. 93; Cass. 18 juni 2021, AR C.20.0321.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.5, AC 2021, nr. 454; Cass. 25 januari 2021, AR C.18.0055.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210125.3N.6, AC 2021, nr. 65; Cass. 5 december 2019, AR C.18.0004.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191205.1N.2, AC 2019, nr. 647; Cass. 17 maart 2016, AR C.15.0235.N, AC 2019, nr. 189; Cass. 14 december 2012, AR C.12.0018.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4, AC 2012, nr. 143.
(4)Cass. 17 maart 2016, AR C.15.0235.N, AC 2016, nr. 189, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11; B. WYLLEMAN, “De verplichting van de burgerlijke rechter om ambtshalve rechtsgronden op te werpen”, Jaarverslag Hof van Cassatie 2017, 192.
(5)Cass. 18 juni 2020, AR C.19.0258.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.15, AC 2020, nr. 417; Cass. 24 juni 2010, AR C.09.0458.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 12 april 2007, AR C.05.0489.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070412.1, AC 2007, nr. 180; Cass. 23 juni 2016, AR C.13.0573.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1, AC 2016, nr. 417; Cass. 14 januari 2011, AR F.09.0122.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.3, AC 2011, nr. 39. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221223.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221223.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070412.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071206.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121005.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130304.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151109.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190607.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191205.1N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.15 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201207.3N.15 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210125.3N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240627.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.