← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.10 Rolnummer: P.22.1652.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-01-13 Raadplegingen: 707 - laatst gezien 2026-06-18 01:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Uit de aard van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied zoals is gedefinieerd in artikel 25/3 Wet Strafuitvoering volgt dat de zekerheid over de identiteit van de veroordeelde die heeft verzocht om deze strafuitvoeringsmodaliteit, alsook over zijn land van herkomst, een noodzakelijke voorwaarde is voor de toekenning ervan en de daarmee beoogde verwijdering van het grondgebied; zonder die informatie kan het al dan niet bestaan van de in artikel 47, § 2, 2°, 3° en 4°, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen immers niet worden beoordeeld en kan niet worden uitgemaakt naar welk land de veroordeelde dient te worden gerepatrieerd en de omstandigheid dat de veroordeelde voldoet aan de tijdsvoorwaarden voor het genieten van deze strafuitvoeringsmodaliteit, doet daaraan niets af

(1).
(1)Cass. 5 maart 2019, AR P.19.0137.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.3, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 25/3, 26 en 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 2 - 3 Artikel 6.1 EVRM betreffende het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter en een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, houdt geen verband met het recht dat een veroordeelde tot een vrijheidsstraf meent te kunnen laten gelden op een bepaalde strafuitvoeringsmodaliteit. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 25/3, 26 en 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 25/3, 26 en 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1652.N A G, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Louise Scholliers, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 5 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 26, § 2, Wet Strafuitvoering: de afwijzing van eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied is strijdig met de vermelde verdragsbepaling; de eiser heeft een subjectief recht op invrijheidstelling indien aan de voorwaarden van de artikelen 26, § 2, en 47, § 2, Wet Strafuitvoering is voldaan; de eiser kan niet in vrijheid worden gesteld gelet op de voorlopige onmogelijkheid tot repatriëring, maar dat ligt buiten eisers wil; hij is overgeleverd aan “de putatieve wil” van de Belgische Staat om moeite te doen tot identificatie; de eiser is gedetineerd onder een bepaalde identiteit, maar kan onder die identiteit niet worden vrijgelaten. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering: het vonnis grondt de afwijzing van eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied op het risico op het plegen van ernstige strafbare feiten wegens het nergens legaal terecht kunnen, terwijl dit een hypothese is waarvan allerminst zeker is dat zij zich zal voordoen; het is enkel door de inactiviteit van de Belgische Staat dat er geen legaal verblijf kan zijn.
  4. Artikel 25/3, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheid[s]stelling met het oog op verwijdering van het grondgebied een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf is waardoor de veroordeelde, van wie op grond van het advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, zijn straf ondergaat buiten de gevangenis in een ander land dan België, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.
  5. Artikel 26 Wet Strafuitvoering bepaalt de tijdsvoorwaarden voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied.
  6. Artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied aan de veroordeelde kan worden toegekend voor zover er voor hem geen in die bepaling vermelde tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
  7. Uit de aard van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied zoals is gedefinieerd in artikel 25/3 Wet Strafuitvoering volgt dat de zekerheid over de identiteit van de veroordeelde die heeft verzocht om deze strafuitvoeringsmodaliteit, alsook over zijn land van herkomst, een noodzakelijke voorwaarde is voor de toekenning ervan en de daarmee beoogde verwijdering van het grondgebied. Zonder die informatie kan het al dan niet bestaan van de in artikel 47, § 2, 2°, 3° en 4°, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen immers niet worden beoordeeld en kan niet worden uitgemaakt naar welk land de veroordeelde dient te worden gerepatrieerd. Dat de veroordeelde voldoet aan de tijdsvoorwaarden voor het genieten van deze strafuitvoeringsmodaliteit, doet daaraan niets af.
  8. Artikel 6.1 EVRM betreffende het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter en een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, houdt geen verband met het recht dat een veroordeelde tot een vrijheidsstraf meent te kunnen laten gelden op een bepaalde strafuitvoeringsmodaliteit. De aangevoerde schending van deze verdragsbepaling is dan ook vreemd aan de aangevoerde grief.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. In zoverre het middel aanvoert dat de niet-identificatie van de eiser of de bepaling van zijn land van herkomst een gevolg is van “de putatieve (on)wil van de Belgische Staat” of van de inactiviteit van de Belgische Staat en hijzelf vreemd is aan die omstandigheid, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  11. Het vonnis stelt vast dat er geen zekerheid bestaat over de identiteit van de eiser en zijn land van herkomst, terwijl die zekerheid is vereist. Dit oordeel verantwoordt als dusdanig de afwijzing van eisers verzoek naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  12. In zoverre het middel is gericht tegen de vaststelling van het bestaan van de door artikel 47, § 2, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, is het gericht tegen een overtollige reden en kan het dus niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.