← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.3 Rolnummer: P.22.1256.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-01-13 Raadplegingen: 687 - laatst gezien 2026-06-16 15:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche De bewezenverklaring van het door artikel 145, § 3bis, Wet Elektronische Communicatie bedoelde misdrijf vereist het gebruik van een elektronisch communicatienetwerk of -dienst of een ander elektronisch communicatiemiddel om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen, maar die bewezenverklaring vereist niet noodzakelijk dat die elektronische communicatie gebeurt met behulp van een persoonlijk communicatiemiddel van die persoon, zoals een e-mailadres dat enkel door die persoon wordt gebruikt; het volstaat dat de communicatie gebeurt via een communicatiemiddel waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die persoon er kennis van zal nemen en evenmin vereist een bewezenverklaring een voorafgaande klacht van de persoon tot wie de communicatie is gericht, noch het verhoor van die persoon

(1).
(1)D. STEVENS, P. VALCKE, E. LIEVENS en R. QUECK, “De nieuwe Wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie: laattijdige leerling in overambitieuze Europese klas?”, Auteurs & Media, 2006/2, 161-
  1. Thesaurus CAS: BELAGING Wettelijke bepalingen: Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 145, § 3bis - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1256.N J J F G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Freddy Mols, advocaat bij de balie Antwerpen. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep a Het arrest spreekt de eiser vrij voor het feit omschreven onder de telastlegging B.
  3. In zoverre ook gericht tegen deze beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Eerste middel b Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verzwaart eisers straf zonder eenparigheid van stemmen; het vermindert weliswaar de hoofdgevangenisstraf van achttien maanden naar één jaar, maar het behoudt niet het door het beroepen vonnis opgelegde probatie-uitstel; aldus verzwaart het de door het beroepen vonnis opgelegde straf; het arrest motiveert ook niet waarom de eiser zwaarder wordt gestraft. c Het appelgerecht dient enkel de straffen te motiveren die het zelf uitspreekt. Het dient niet te motiveren waarom het anders straft dan de eerste rechter. d Artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat eenstemmigheid is vereist voor het gerecht in hoger beroep om de tegen een beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren. e Om na te gaan of er een strafverzwaring is in de zin van deze bepaling, moeten in de eerste plaats de door de eerste rechter en de door het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken. f Indien het appelgerecht een lagere hoofdgevangenisstraf oplegt in vergelijking met de door de eerste rechter uitgesproken hoofdgevangenisstraf is er geen strafverzwaring in de zin van artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering, ook niet als die in hoger beroep uitgesproken hoofdgevangenisstraf effectief is en de door de eerste rechter uitgesproken hoofdgevangenisstraf volledig met probatie-uitstel werd verleend. g In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. h Het arrest veroordeelt de eiser tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar en een geldboete van 100,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen of 800,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van vijftien dagen, daar waar de eerste rechter de eiser heeft veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van achttien maanden en een geldboete van 100,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen of 800,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van vijftien dagen, met probatie-uitstel gedurende een termijn van vijf jaar voor de hoofdgevangenisstraf en gedurende een termijn van drie jaar voor de geldboete. Aldus verzwaart het arrest de aan de eiser opgelegde bestraffing niet. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel i Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser na herkwalificatie schuldig aan de feiten onder de telastleggingen A1, A2 en C3 als het in artikel 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (hierna Wet Elektronische Communicatie) bepaalde misdrijf, terwijl uit geen enkel door het arrest besproken element blijkt dat de kwestieuze e-mails werden gelezen door de betrokken jeugdrechters en dat zij hiervan overlast ondervonden; zij werden hierover niet gehoord; uit niets blijkt dat de rust van de betrokken jeugdrechters daadwerkelijk werd verstoord; de als elektronische belaging geherkwalificeerde feiten zijn niet in al hun constitutieve bestanddelen bewezen. j In zoverre het middel opkomt tegen de beoordeling van de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. k De bewezenverklaring van het door artikel 145, § 3bis, Wet Elektronische Communicatie bedoelde misdrijf vereist het gebruik van een elektronisch communicatienetwerk of –dienst of een ander elektronisch communicatiemiddel om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen. Die bewezenverklaring vereist evenwel niet noodzakelijk dat die elektronische communicatie gebeurt met behulp van een persoonlijk communicatiemiddel van die persoon, zoals een e-mailadres dat enkel door die persoon wordt gebruikt. Het volstaat dat de communicatie gebeurt via een communicatiemiddel waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die persoon er kennis van zal nemen. Evenmin vereist een bewezenverklaring een voorafgaande klacht van de persoon tot wie de communicatie is gericht, noch het verhoor van die persoon. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek l De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 153,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.