← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.5 Rolnummer: P.22.1606.N-P.22.1783.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-01-13 Raadplegingen: 1082 - laatst gezien 2026-06-18 21:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Bij een wrakingsverzoek moeten in de regel de in artikel 836 Gerechtelijk Wetboek bedoelde formaliteiten worden gevolgd, worden de verrichtingen bij toepassing van artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek in de regel geschorst en wordt over het wrakingsverzoek in de regel beslist door andere magistraten dan de magistraten van wie de wraking wordt gevorderd; die formaliteiten moeten evenwel niet worden gevolgd, het wrakingsverzoek heeft geen schorsende werking en de magistraten van wie de wraking wordt gevorderd kunnen zelf over het verzoek uitspraak doen indien het verzoek slechts in de schijn een wrakingsverzoek is, maar naar inhoud of naar vorm niet als een werkelijk wrakingsverzoek kan worden beschouwd., hetgeen het geval is indien het wrakingsverzoek er in wezen niet toe strekt om in de concrete zaak de geschiktheid te beoordelen van de magistraten die in die zaak moeten zetelen maar het manifest een ander doel nastreeft, het wrakingsverzoek zo van zijn doel wordt afgewend en het rechtsmisbruik inhoudt, dan wel indien manifest niet is voldaan aan een essentiële formaliteit voor de geldigheid van het wrakingsverzoek, zoals de door artikel 835 Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid voorgeschreven verplichting dat het wrakingsverzoek moet zijn ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven

(1).
(1)Cass. 20 december 2022, AR P.22.0815.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24, AC 2022, nr. 838; Zie cass. 16 februari 2021, AR P.20.1191.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.15, AC 2021, nr.
  1. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 835, 836 en 837 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 De verplichting van artikel 835 Gerechtelijk Wetboek geldt ook voor een partij die zelf advocaat is of het is geweest en dit voorschrift heeft tot doel te vermijden dat wrakingsverzoeken, die de normale werking van het gerecht verstoren, al te lichtzinnig worden ingesteld; alleen van een advocaat met een zekere ervaring, die geen persoonlijke belangen heeft in de zaak die zijn perceptie over de feiten en het recht kan vertekenen, kan worden verwacht dat hij met voldoende afstand en terughoudendheid de wettigheid en de wenselijkheid van een wrakingsverzoek kan beoordelen, zodat deze verplichting een wettig doel dient, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling en ze niet disproportioneel is met het beoogde doel en getuigt dan ook niet van een overdreven formalisme. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 835 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 835 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1606.N-P.22.1783.N A A J G K, verzoekster tot wraking, in de zaak van PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE NEDERLANDSTALIGE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG BRUSSEL tegen A K, inverdenkinggestelde, reeds vermeld. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, beoogt de wraking van J en P, respectievelijk procureur-generaal en advocaat-generaal bij het hof van beroep te Brussel (hierna de procureur-generaal en de advocaat-generaal). De magistraten van wie de wraking wordt gevraagd, hebben op 5 december 2022 de door artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring afgelegd. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN
  2. De verzoekster heeft op 20 oktober 2022 een akte van wraking ingediend ter griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel waarbij zij verzocht om de wraking van de voorzitter van de raadkamer J (hierna de voorzitter van de raadkamer) en substituut-procureur des Konings M (hierna de substituut-procureur des Konings) wegens de in artikel 828, 1°, 6° en 12°, Gerechtelijk Wetboek bedoelde wrakingsgronden (hierna het eerste wrakingsverzoek).
  3. De voorzitter van de raadkamer heeft met een op 21 oktober 2022 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg ontvangen akte gemeld dat de verzoekster niet is ingeschreven op de tableau van de Orde, maar dat hij zich van de behandeling van de zaak zou onthouden om het debat in alle sereniteit te laten verlopen en niet omdat de door de verzoekster aangevoerde redenen enige waarachtigheid zouden bevatten.
  4. De substituut-procureur des Konings heeft in een akte van 24 oktober 2022 geantwoord dat het wrakingsverzoek onontvankelijk was omdat het door de verzoekster is getekend, die werd geschrapt als advocaat, de akte verward en onverstaanbaar is en onsamenhangende aantijgingen bevat en dat het openbaar ministerie niet kan worden gewraakt als het optreedt als hoofdpartij, wat hier het geval is.
  5. De stukken die verband houden met de wraking van de twee voormelde magistraten werd per brief van 7 november 2022 toegestuurd aan de hoofdgriffier van het hof van beroep te Brussel.
  6. De advocaat-generaal heeft in het kader van het eerste wrakingsverzoek op 7 november 2022 een conclusie ingediend ter griffie van het hof van beroep te Brussel.
  7. De zaak werd vastgesteld voor het hof van beroep te Brussel, zeventiende kamer, voor de rechtszitting van 29 november
  8. Op de openbare rechtszitting van 29 november 2022 heeft de verzoekster de wrakingsakte neergelegd gericht tegen de procureur-generaal en de advocaat-generaal, opnieuw met verwijzing naar de in artikel 828, 1°, 6° en 12°, Gerechtelijk Wetboek bedoelde wrakingsgronden (hierna het tweede wrakingsverzoek).
  9. In een akte van 5 december 2022 zet de advocaat-generaal uiteen dat de procedure voor de raadkamer betrekking heeft op een regeling van rechtspleging waarbij de verzoekster wordt vervolgd omdat zij zich na de schrapping als advocaat nog steeds als advocaat is blijven uitgeven, dat zijn schriftelijke conclusie in de eerste wrakingsprocedure dateert van 7 november 2022 en aan het dossier werd toegevoegd, dat hij op de openbare rechtszitting van het hof van beroep te Brussel van 29 november 2022 mondeling heeft geadviseerd waarbij hij kort zijn schriftelijk advies heeft hernomen, dat de verzoekster pas na dit schriftelijk en mondeling advies haar wrakingsverzoek tegen hem heeft neergelegd en dat dit tweede wrakingsverzoek dan ook laattijdig is, dat dit tweede wrakingsverzoek niet is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven en op die grond niet ontvankelijk is en dat voor de aangevoerde wrakingsgronden geen enkel begin van bewijs wordt geleverd.
  10. In een akte van 5 december 2022 sluit de procureur-generaal zich aan bij de verklaring van de advocaat-generaal en onderstreept hij dat het tweede wrakingsverzoek niet ontvankelijk is omdat het niet is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven.
  11. De stukken betreffende de wraking van de procureur-generaal en de advocaat-generaal werden per brief van 6 december 2022 toegestuurd aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.
  12. Het tweede wrakingsverzoek werd vastgesteld voor behandeling door de tweede kamer van het Hof van Cassatie op de rechtszitting van 3 januari
  13. Op 30 december 2022 heeft de verzoekster ter griffie van het Hof een akte van wraking ingediend gericht tegen de raadsheren F, P, A, S en S en tegen advocaat-generaal A met verwijzing naar de in artikel 828, 1°, 6° en 12°, Gerechtelijk Wetboek bedoelde wrakingsgronden (hierna het derde wrakingsverzoek). De zaak werd ingeschreven op de algemene rol van het Hof onder het nummer P.22.1783.N. Dit derde wrakingsverzoek wordt eveneens aan dit arrest gehecht.
  14. De betrokken raadsheren en de betrokken advocaat-generaal hebben niet de in artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring afgelegd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging
  15. In het belang van een goede rechtsbedeling worden de zaken P.22.1606.N en P.22.1783.N gevoegd om met een en hetzelfde arrest te worden beslecht. Het derde wrakingsverzoek gericht tegen vijf raadsheren van het Hof en een advocaat-generaal
  16. In zoverre het derde wrakingsverzoek zou kunnen worden beschouwd als een werkelijk wrakingsverzoek, is dit verzoek in elk geval zonder bestaansreden in de mate dat het betrekking heeft op raadsheer P, die immers geen deel uitmaakt van de zetel die op 3 januari 2023 de zaak heeft behandeld en het voorliggende arrest mee heeft gewezen.
  17. Bij een wrakingsverzoek moeten in de regel de in artikel 836 Gerechtelijk Wetboek bedoelde formaliteiten worden gevolgd, worden de verrichtingen bij toepassing van artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek in de regel geschorst en wordt over het wrakingsverzoek in de regel beslist door andere magistraten dan de magistraten van wie de wraking wordt gevorderd.
  18. Die formaliteiten moeten evenwel niet worden gevolgd, het wrakingsverzoek heeft geen schorsende werking en de magistraten van wie de wraking wordt gevorderd kunnen zelf over het verzoek uitspraak doen indien het verzoek slechts in de schijn een wrakingsverzoek is, maar naar inhoud of naar vorm niet als een werkelijk wrakingsverzoek kan worden beschouwd. Dat is het geval indien het wrakingsverzoek er in wezen niet toe strekt om in de concrete zaak de geschiktheid te beoordelen van de magistraten die in die zaak moeten zetelen maar het manifest een ander doel nastreeft, het wrakingsverzoek zo van zijn doel wordt afgewend en het rechtsmisbruik inhoudt, dan wel indien manifest niet is voldaan aan een essentiële formaliteit voor de geldigheid van het wrakingsverzoek, zoals de door artikel 835 Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid voorgeschreven verplichting dat het wrakingsverzoek moet zijn ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven.
  19. Het Hof stelt vast dat het derde wrakingsverzoek, in zoverre het betrekking heeft op de raadsheren F, A, S en S en op advocaat-generaal A, noch inhoudelijk noch vormelijk als een werkelijk wrakingsverzoek kan worden beschouwd, maar het slechts in de schijn een wrakingsverzoek vormt, zodat de in artikel 836 Gerechtelijk Wetboek bedoelde formaliteiten niet moeten worden gevolgd, de verrichtingen niet worden geschorst en de magistraten van wie de wraking wordt gevorderd over het wrakingsverzoek zelf uitspraak kunnen doen.
  20. Het derde wrakingsverzoek kan om de volgende redenen inhoudelijk niet als een werkelijk wrakingsverzoek worden beschouwd: - in het derde wrakingsverzoek, maar ook in het eerste en in het tweede wrakingsverzoek, voor zover die te begrijpen vallen, wordt melding gemaakt van meerdere al dan niet strafrechtelijke procedures waarin de verzoekster is betrokken, met als gemeenschappelijk kenmerk dat elkeen, waaronder magistraten van de zetel en het openbaar ministerie, die de eigen interpretaties die de verzoekster meent te kunnen geven aan de feiten en aan het recht, niet bijtreedt door haar worden beschuldigd van het plegen van allerlei misdrijven; - uit het derde wrakingsverzoek, maar ook uit het eerste en uit het tweede wrakingsverzoek, blijkt verder dat de verzoekster zich niet wenst neer te leggen bij definitieve gerechtelijke beslissingen en dat zij op basis van eigen interpretaties van de feiten en het recht die beslissingen voor niet bestaande houdt; - het derde wrakingsverzoek werd door de verzoekster ingediend in het kader van de beoordeling van het tweede wrakingsverzoek, dat zelf werd ingediend in het kader van de beoordeling van het eerste wrakingsverzoek, waarbij de wrakingsgronden die de verzoekster in de drie wrakingsverzoeken aanvoert, ook al slaan ze op verschillende personen die in verschillende aanleggen moeten oordelen, analoog zijn; - in het derde wrakingsverzoek, maar ook in het eerste en in het tweede wrakingsverzoek, verwijst de verzoekster naar een dossier dat volgens haar zou gekend zijn onder het nummer BR.53.98.1592/17 en dat volgens haar betrekking zou hebben op door haar ingediende klachten tegen allerlei personen voor allerlei misdrijven, onder meer tegen de magistraten die zij wraakt in de drie wrakingsverzoeken. Met betrekking tot dit dossier voert de verzoekster aan dat haar klacht “eerst moet worden onderzocht, omdat op grond van art. 4 voorafgaandelijk titel van het Wetboek van Strafvordering (…) de burgerlijke vordering schorst tot dat het strafonderzoek over de voornoemde misdrijven is onderzocht op grond waarvan Eerste Voorzitter B en Voorzitter J het onderzoek moet bevelen op grond van art. 11 Ger.W. en art. 8.4 lid 5 Ger. W. aan PG H, vooraleer uitspraak te doen over de grond van het wrakingsverzoekschrift.” Het eerste en het tweede wrakingsverzoek bevatten een analoog verzoek. Daaruit volgt dat de verzoekster in wezen geen beslechting wil van het door haar ingediende derde wrakingsverzoek, maar wel een onderzoek door een autoriteit die zij aanwijst naar misdrijven die volgens haar zouden zijn gepleegd door elkeen die haar interpretaties van de feiten en het recht in de diverse procedures waarin zij is betrokken niet bijtreedt en niet handelt zoals zij wenst dat wordt gehandeld, waaronder de gewraakte magistraten. Een dergelijk verzoek komt neer op een blokkering van alle tegen de verzoekster ingestelde procedures, waaronder de procedure waarin zij het eerste wrakingsverzoek heeft ingediend. Aldus wendt de verzoekster met het derde wrakingsverzoek in zoverre het betrekking heeft op de raadsheren F, A, S en S en op advocaat-generaal A de wrakingsprocedure af van haar doel en pleegt zij rechtsmisbruik.
  21. Het derde wrakingsverzoek is enkel door de verzoekster zelf ondertekend. Aangezien niet is voldaan aan de door artikel 835 Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid voorgeschreven verplichting van ondertekening door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven, kan het ook op die formele grond niet als een werkelijk wrakingsverzoek worden beschouwd: - de verplichting van artikel 835 Gerechtelijk Wetboek geldt ook voor een partij die zelf advocaat is of het is geweest; - dit voorschrift heeft tot doel te vermijden dat wrakingsverzoeken, die de normale werking van het gerecht verstoren, al te lichtzinnig worden ingesteld. Alleen van een advocaat met een zekere ervaring, die geen persoonlijke belangen heeft in de zaak die zijn perceptie over de feiten en het recht kan vertekenen, kan worden verwacht dat hij met voldoende afstand en terughoudendheid de wettigheid en de wenselijkheid van een wrakingsverzoek kan beoordelen. Deze verplichting dient een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling. Ze is niet disproportioneel met het beoogde doel en getuigt dan ook niet van een overdreven formalisme; - het komt de verzoekster toe, van wie blijkens de dossiergegevens de hoedanigheid van advocaat wordt betwist, die hoedanigheid te bewijzen; - de verzoekster houdt voor dat zij sinds februari 1999 advocaat is aan de balie Brussel en zonder kennisgeving, onderzoek of proces in februari 2014 van het tableau werd geschrapt, maar dat die op valsheden gesteunde beslissing niet kan worden uitgevoerd op grond van artikel 470 Gerechtelijk Wetboek. De verzoekster maakt haar aanvoering dat zij nog steeds advocaat is op geen enkele wijze aannemelijk. Geen enkel stuk waarnaar wordt verwezen geeft aan die aanvoering ook maar enige grond van geloofwaardigheid, zodat moet worden aangenomen dat de verzoekster geen advocaat meer is; - de verzoekster houdt verder voor dat zij alles heeft gedaan om een advocaat te vinden, maar dat advocaten die haar willen verdedigen worden afgedreigd om dit niet te doen of dat niet durven doen. Die stelling blijft beperkt tot een blote bewering. Er wordt geen enkel feitelijk gegeven bijgebracht dat die bewering ook maar enigszins aannemelijk maakt; - er kan enkel worden vastgesteld dat de door de verzoekster voorgehouden omstandigheid dat geen enkele advocaat die meer dan tien jaar op het tableau is ingeschreven, bereid is gevonden om namens haar het derde wrakingsverzoek te ondertekenen, slechts een gevolg kan zijn van haar eigen handelen en in de vermelde omstandigheden dan ook niet kan worden beschouwd als overmacht. Anders oordelen zou de doelstelling van de wetgever uithollen dat een wrakingsverzoek slechts kan worden ingesteld door een ervaren advocaat die in volle onafhankelijkheid en zonder in de zaak enig belang te hebben de wettigheid en wenselijkheid van een dergelijk verzoek beoordeelt.
  22. Het derde wrakingsverzoek, in zoverre het betrekking heeft op de raadsheren F, A, S en S en op advocaat-generaal A, moet dan ook onontvankelijk worden verklaard. Het tweede wrakingsverzoek gericht tegen de procureur-generaal en de advocaat-generaal
  23. Uit de feitelijke gegevens van de zaak volgt dat de procureur-generaal niet is tussengekomen in de procedure ter beoordeling van het eerste wrakingsverzoek.
  24. Aangezien de procureur-generaal vreemd is aan die procedure, is het thans door het Hof te beoordelen tweede wrakingsverzoek wat hem betreft zonder bestaansreden.
  25. De redenen die het Hof heeft aangenomen ter verantwoording van het oordeel dat het derde wrakingswraking noch inhoudelijk noch vormelijk als een werkelijk wrakingsverzoek kan worden beschouwd, maar een verzoek is waarbij de verzoekster de wraking van haar doel afwendt en rechtsmisbruik pleegt, gelden evenzeer met betrekking tot het tweede wrakingsverzoek in zoverre dit gericht is tegen de advocaat-generaal.
  26. Het tweede wrakingsverzoek in zoverre gericht tegen de advocaat-generaal, moet dan ook onontvankelijk worden verklaard. Dictum Voegt de zaken P.22.1606.N en P.22.1783.N samen. Stelt vast dat het derde wrakingsverzoek in zoverre het betrekking heeft op raadsheer P zonder bestaansreden is. Verklaart het derde wrakingsverzoek in zoverre het betrekking heeft op de raadsheren F, A, S en S en op advocaat-generaal A, onontvankelijk. Stelt vast dat het tweede wrakingsverzoek in zoverre het betrekking heeft op procureur-generaal J zonder bestaansreden is. Verklaart het tweede wrakingsverzoek in zoverre het betrekking heeft op advocaat-generaal P onontvankelijk. Zegt dat overeenkomstig artikel 838, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek de griffier dit arrest zal ter kennis brengen van de verzoekster per gerechtsbrief. Veroordeelt de verzoekster tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.203 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.639 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.