← België

E. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 152

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 152

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 152

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Noch uit de tekst van artikel 152 Wetboek van Strafvordering noch uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat conclusies ook moeten worden meegedeeld aan de partijen op wie die conclusies geen betrekking hebben. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 6 Buiten hetgeen de bepaling van artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering voorschrijft, is het instellen van incidenteel beroep niet gebonden aan bijzondere vormvoorwaarden; voor zover dit ook blijkt uit een processtuk, belet niets de appelrechters het instellen van incidenteel beroep af te leiden uit de enkele omstandigheid dat de geïntimeerde in een voor hen genomen mondelinge conclusie een bedrag vordert dat de eerste rechter hem niet heeft toegekend en een rechterlijke beslissing en een proces-verbaal van de rechtszitting kunnen dergelijk processtuk uitmaken

(1).
(1)Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0266.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.1, AC 2018, nr. 561; Cass. 16 januari 1991, RDP 1991, p. 618 en noot J.S. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Incidenteel beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.1195.N A E H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, tegen Veronique VAN ASCH, met kantoor te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement GENTSE TAXI SERVICE comm.v, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 2 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt terecht vast dat de grievenopgave van het openbaar ministerie tegenstrijdig is doordat het in het grievenschrift enerzijds aangeeft zich te kunnen vinden in de door de eerste rechter uitgesproken straffen, maar anderzijds ook verklaart naast het volgberoep tevens hoger beroep in te stellen betreffende de aan de eiser opgelegde straffen; met het oordeel evenwel dat daardoor geen onwetendheid erover kan bestaan dat het openbaar ministerie eisers bestraffing aan een nieuwe beoordeling in hoger beroep wil voorleggen en dat de vermelde grieven bijgevolg niet onnauwkeurig zijn, verantwoordt het arrest de beslissing om het hoger beroep van het openbaar ministerie niettemin ontvankelijk te verklaren, niet naar recht en is die beslissing ook niet regelmatig met redenen omkleed.
  3. De eerste rechter heeft de eiser voor de vermengde feiten omschreven onder de telastleggingen A en B veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van acht maanden, een geldboete van 1.000,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen of 8.000,00 euro waarvan de helft met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden en de door de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde beroepsverboden voor een periode van drie jaar. Het arrest veroordeelt de eiser voor dezelfde feiten als de eerste rechter tot een hoofdgevangenisstraf van drie maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar, een geldboete van 100,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen of 800,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van een maand en het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde beroepsverbod voor een periode van drie jaar. Aangezien de door het arrest aan de eiser opgelegde hoofdgevangenisstraf milder is dan de door eerste rechter opgelegde hoofdgevangenisstraf, legt het arrest aan de eiser in vergelijking met de eerste rechter geen zwaardere straf op. Het appelgerecht kan tot de uitgesproken straffen beslissen ongeacht het voorhanden zijn van een ontvankelijk hoger beroep van het openbaar ministerie. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  4. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 152 Wetboek van Strafvordering: aangezien zij laattijdig was neergelegd en niet aan de eiser was meegedeeld, heeft de eiser aan het appelgerecht verzocht de appelconclusie van de verweerster uit het debat te weren; in deze conclusie verzocht de verweerster “de beklaagden”, waarmee ook de eiser is bedoeld, schuldig te verklaren aan de ten laste gelegde feiten en de burgerlijke rechtsvordering gegrond te verklaren; door evenwel te oordelen dat de vermelde appelconclusie geen betrekking heeft op de eiser en hij geen belang heeft bij de wering ervan uit het debat, voegt het arrest aan die verplichting een niet wettelijk voorziene voorwaarde toe (eerste onderdeel) en wordt aan de eiser desbetreffend het recht op tegenspraak ontzegd (tweede onderdeel).
  5. In zoverre de onderdelen verplichten tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, zijn zij niet ontvankelijk.
  6. Uit artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat conclusies die niet zijn neergelegd en meegedeeld vóór het verstrijken van de overeenkomstig het tweede lid bepaalde termijnen, ambtshalve uit het debat worden geweerd, ongeacht of de wering wordt gevraagd door al dan niet betrokken partijen.
  7. Noch artikel 6.1 EVRM noch artikel 152 Wetboek van Strafvordering verplicht een procespartij om schriftelijk te concluderen indien een conclusiekalender is opgesteld. Dit houdt geen miskenning in van het recht op tegenspraak. Deze verdrags- en wetsbepaling verplichten een burgerlijke partij evenmin om schriftelijk te concluderen tegen alle beklaagden waartegen zij een burgerlijke rechtsvordering instelt.
  8. Noch uit de tekst van artikel 152 Wetboek van Strafvordering noch uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat conclusies ook moeten worden meegedeeld aan de partijen op wie die conclusies geen betrekking hebben.
  9. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
  10. Het arrest (p. 14), zonder op dit punt door de eiser van valsheid te worden beticht, stelt vast dat: - de verweerster een appelconclusie heeft neergelegd buiten de haar toegekende termijn; - die conclusie enkel gericht is tegen de beklaagde M.V.; - de raadsman van de verweerster ter rechtszitting heeft verklaard dat zij geen kennis had van het hoger beroep van de eiser en daarom heeft aangegeven over de eiser enkel mondeling te zullen pleiten; - de beklaagde M.V. en het openbaar ministerie zich akkoord hebben verklaard dat de conclusie van de verweerster toch in het debat wordt betrokken; - de raadsman van de eiser heeft gevraagd de conclusie van de verweerster uit het debat te weren.
  11. Vervolgens oordeelt het arrest dat de door de verweerster neergelegde appelconclusie geen betrekking heeft op de eiser en hij bijgevolg geen belang heeft bij de wering van die conclusie uit het debat en dat als gevolg van het akkoord van de overige partijen tot geen wering ervan moet worden beslist. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Eerste middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het incidenteel beroep van de verweerster ook ontvankelijk is ten aanzien van de eiser; dat blijkt uit geen enkel processtuk en evenmin uit de appelconclusie van de verweerster waarvan het arrest vaststelt dat die niet tegen de eiser was gericht, of het mondeling pleidooi van de verweerster ter rechtszitting.
  13. Artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn.”
  14. Buiten hetgeen die bepaling voorschrijft, is het instellen van incidenteel beroep niet gebonden aan bijzondere vormvoorwaarden. Voor zover dit ook blijkt uit een processtuk, belet niets de appelrechters het instellen van incidenteel beroep af te leiden uit de enkele omstandigheid dat de geïntimeerde in een voor hen genomen mondelinge conclusie een bedrag vordert dat de eerste rechter hem niet heeft toegekend. Een rechterlijke beslissing en een proces-verbaal van de rechtszitting kunnen dergelijk processtuk uitmaken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 28 september 2020 vermeldt: “Meester Laura Van Keymeulen, voor [de verweerster] pleit, tekent incidenteel beroep aan, vraagt de veroordeling tot het betalen van de aangroei van het passief vanaf 31 december 2013, begroot op 31.578,48 euro (…).” Het arrest (p. 14) oordeelt: “De raadsman van [de verweerster] stelde in conclusie en in het mondeling pleidooi incidenteel beroep in. Dit incidenteel beroep is ontvankelijk ten aanzien van de beide beklaagden.” Uit deze processtukken volgt dat de verweerster ten aanzien van de medebeklaagde M.V. incidenteel beroep instelde met een neergelegde conclusie en ten aanzien van de eiser met een ter rechtszitting genomen mondelinge conclusie. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest steunt het oordeel dat het incidenteel beroep van de verweerster ook tegen de eiser ontvankelijk is, zowel op haar appelconclusie als op wat ter rechtszitting door haar raadsman is aangedragen; uit de appelconclusie blijkt evenwel dat haar burgerlijke rechtsvordering enkel tegen de medebeklaagde M.V. is gericht; uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 28 september 2020 blijkt dat de raadsman van de verweerster niet ervan op de hoogte was dat ook de eiser hoger beroep had ingesteld en dat zij haar appelconclusie mondeling heeft toegelicht, wat enkel de medebeklaagde M.V. kan betreffen; aldus miskennen de appelrechters de bewijskracht van de vermelde appelconclusie en het vermelde proces-verbaal van de rechtszitting; door vervolgens het incidenteel beroep ook gegrond te verklaren, kennen de appelrechters aan de verweerster bovendien meer toe dan wat zij heeft gevorderd.
  17. Met het in het onderdeel weergegeven oordeel geeft het arrest van de aangehaalde akten een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  18. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde kritiek en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 3 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230523.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.