- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Wettelijke bepalingen: Wetboek
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1390.N D F P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Benoît Lemal, advocaat bij de balie Brussel. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 21 september 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM: het bestreden vonnis bevestigt de onontvankelijkverklaring van eisers verzet wegens laattijdigheid, terwijl het niet vaststelt dat aan de eiser werd gemeld dat de door hem ondertekende kennisgeving van 4 maart 2021 met het oog op de tenuitvoerlegging van een verval van het recht tot het besturen van een voertuig de korte termijn van verzet van vijftien dagen effectief deed lopen, volgens de EHRM-rechtspraak moet de informatie over de termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden duidelijk en zo uitdrukkelijk mogelijk zijn, zeker indien de betrokkene niet wordt bijgestaan door een raadsman; om aan die voorwaarde te voldoen, had de kennisgeving moeten vermelden dat bij ontvangst ervan de verzetstermijn begon te lopen. Uit artikel 6 EVRM en het daarin vervatte recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter het verzet van een beklaagde tegen een verstekbeslissing slechts onontvankelijk kan verklaren wegens laattijdigheid indien vaststaat dat de bij verstek veroordeelde beklaagde duidelijk werd geïnformeerd over de termijn waarbinnen het verzet diende te worden ingesteld. Aan die informatieplicht kan onder meer worden voldaan indien ter gelegenheid van de kennisgeving van de verstekbeslissing met het oog op de uitvoering van daarmee bevolen vervallenverklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet, aan de betrokkene de datum van de betekening van de verstekbeslissing wordt meegedeeld, alsook de termijnen die hij bij het aantekenen van verzet moet in acht nemen. Op basis van die informatie kan de betrokkene immers weten binnen welke termijn hij verzet dient aan te tekenen tegen een bij verstek gewezen beslissing. Niet is vereist dat in de overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet gedane kennisgeving uitdrukkelijk wordt vermeld dat de kennisgeving zelf de verzetstermijn doet lopen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: het verstekvonnis van 29 juni 2020 werd op 7 augustus 2020 aan de woonplaats van de eiser betekend; op 4 maart 2021 kreeg de eiser kennis van het verval van het recht tot sturen zoals uitgesproken met het verstekvonnis; die kennisgeving vermeldt dat het verstekvonnis op 7 augustus 2020 aan de woonst van de eiser werd betekend; de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen van 4 maart 2021 vermeldt dat: “Het afschrift van dit bericht en de kennisgeving betreffende de rechten van de persoon die in België bij verstek veroordeeld werd door, W.B., op 04/03/2021 gegeven aan [de eiser] die samen met ons ondertekent”; deze kennisgeving van het verval werd effectief door de eiser persoonlijk ontvangen en ondertekend; de kennisgeving vermeldt duidelijk de datum van de betekening van het verstekvonnis en de eiser heeft effectief de voorgeschreven communicatie ontvangen omtrent zijn rechten om rechtsgeldig verzet te kunnen aantekenen. Het oordeelt vervolgens dat de buitengewone termijn van vijftien dagen na deze kennisgeving is beginnen lopen, zodat het pas op 26 januari 2022 ingestelde verzet van de eiser manifest laattijdig is en de beslissing van onontvankelijkverklaring door de eerste rechter moet worden bevestigd. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.