id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230106.1N.6 Rolnummer: F.21.0038.N Zaak: KODIAC contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-02-03 Raadplegingen: 781 - laatst gezien 2026-06-15 08:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230106.1N.6 Fiche 1 Opdat er sprake is van enige rechtstreekse of onrechtstreekse band van wederzijdse afhankelijkheid in de zin van artikel 79 WIB92, is niet noodzakelijk een situatie van wederzijdse juridische of economische controle vereist, maar volstaat een feitelijke wederzijdse afhankelijkheid; de feitelijke wederzijdse afhankelijkheid kan bestaan uit duurzame overeenstemmende belangen, blijkend uit de mogelijkheid om elkaars beslissingen duurzaam te beïnvloeden
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 136 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0038.N KODIAC bv, met zetel te 2900 Schoten, Eekhoornlei 38, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0862.455.902, eiseres, met als raadsman mr. Philippe Bielen, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Drukpersstraat 4, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-directeur KMO Centrum Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 september 2020, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 23 november 2018. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 30 november 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel 1. Krachtens artikel 207 WIB92, zoals hier toepasselijk, mag geen van de aftrekken bedoeld in de artikelen 199 tot 206, dit zijn aftrekken van vrijgestelde inkomsten, aftrekken van de belastbare winst, vorige verliezen, noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk worden verricht op het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen vermeld in artikel 79 WIB92. Krachtens artikel 79 WIB92, zoals hier toepasselijk, worden beroepsverliezen niet afgetrokken van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. 2. Opdat er sprake is van enige rechtstreekse of onrechtstreekse band van wederzijdse afhankelijkheid in de zin van die bepaling, is niet noodzakelijk een situatie van wederzijdse juridische of economische controle vereist. Een feitelijke wederzijdse afhankelijkheid volstaat. De feitelijke wederzijdse afhankelijkheid kan bestaan uit duurzame overeenstemmende belangen, blijkend uit de mogelijkheid om elkaars beslissingen duurzaam te beïnvloeden. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of er sprake is van enige rechtstreekse of onrechtstreekse band van wederzijdse afhankelijkheid in de zin van artikel 79 WIB92. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feitelijke elementen wettig heeft kunnen afleiden dat zulke band bestaat. 3. De appelrechters stellen vooreerst vast dat de eiseres voorhoudt dat zij werd belast met een toezichtsmandaat, dat zowel op commercieel als op operationeel vlak werd opgenomen en ingevuld, dat dit mandaat zowel toezicht en controle, management, advies, operationeel en commercieel beheer in en van de betrokken onderneming bevatte en er op informele wijze, doch systematisch, invloed werd uitgeoefend op het management en het beheer van de onderneming, waarbij zowel op operationeel als commercieel vlak werd gestreefd naar synergie. 4. De appelrechters stellen vervolgens vast en oordelen dat: - niet kan worden betwist dat de eiseres zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevond ten opzichte van P. Van Impe & Co bvba, vermits (
- i)de eiseres bij overeenkomst van 30 december 2003 de optie op de eigendom van 743 van de 745 aandelen van P. Van Impe & Co bvba kocht en de eiseres op basis van deze optie bijna alle aandelen van P. Van Impe & Co bvba kon verwerven; (
- ii)de eiseres ingevolge deze overeenkomst de vruchten van de aandelen van P. Van Impe & Co bvba verkreeg, inclusief de dividenden over boekjaar 2003; en (iii) de spiegelverhouding met Hermes 2031 bvba en Boekhoudkantoor Seeuws bvba blijkt uit de structuurschets opgenomen in de feiten, daar Hermes 2031 bvba, opgericht door de heer V. I., bij overeenkomst van 30 december 2003 bijna alle aandelen van Boekhoudkantoor Seeuws bvba verwierf; - deze elementen samen met het toezichtsmandaat over P. Van Impe & Co bvba dat de eiseres zelf aanhaalt, afdoende het bestaan aantonen van minstens onrechtstreekse banden van wederzijdse afhankelijkheid tussen de eiseres en P. Van Impe & Co bvba. 5. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 79 en 207 WIB92, kan het niet worden aangenomen. 6. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, zonder te verduidelijken hoe en waardoor die bepaling geschonden is, is het niet ontvankelijk. Tweede middel 7. Het kohier van de directe belastingen is een authentieke akte die tot betichting van valsheid bewijs oplevert van wat de openbare of ministeriële ambtenaar persoonlijk heeft verricht of vastgesteld. 8. Artikel 136 KB/WIB92 bepaalt dat zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, aan de betrokken belastingschuldigen een aanslagbiljet wordt gezonden. 9. Aangezien de op het kohier vermelde datum van inkohiering bewijskracht heeft tot betichting van valsheid, volgt uit de omstandigheid dat, anders dan artikel 136 KB/WIB92 het voorschrijft, het aanslagbiljet pas enige tijd na de op het kohier vermelde datum van inkohiering aan de belastingplichtige wordt verzonden, niet dat het alsdan aan de administratie toekomt het positieve bewijs te leveren dat de op het kohier vermelde datum van inkohiering met de werkelijkheid overeenstemt. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. 10. Overeenkomstig artikel 902, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter in het kader van een valsheidsprocedure besluiten tot alle dienstige onderzoeksmaatregelen die hij zelf verricht of onder zijn leiding doet verrichten overeenkomstig de bepalingen betreffende het schriftonderzoek. Hij is daarbij geenszins beperkt tot het bevelen van een maatregel van schriftvergelijking, maar kan elke maatregel bevelen die ertoe kan bijdragen de beweerde materiële of intellectuele valsheid op te helderen. Hieruit volgt dat de belastingplichtige over de mogelijkheid beschikt om de op het kohier vermelde datum van inkohiering te betwisten door het instellen van een valsheidsvordering en dat de rechter in het kader van deze vordering alle dienstige onderzoeksmaatregelen kan bevelen om de beweerde materiële of intellectuele valsheid op te helderen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 202,04 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 6 januari 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230106.1N.6 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230106.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div