← België

NV RETURN SERVICES contra RSZ

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 7 De onderzoeksrechter kan op grond van artikel 2bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering in het daarin bedoelde geval een lasthebber ad hoc aanstellen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen; de onderzoeksrechter is daar echter niet steeds toe verplicht en uit de enkele afwezigheid van die aanstelling kan geen miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging van de rechtspersoon worden afgeleid

(1); het staat aan de rechter te oordelen of de niet-aanstelling van een lasthebber ad hoc voor een rechtspersoon tijdens het gerechtelijk onderzoek het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van die rechtspersoon onmiskenbaar heeft aangetast; hij kan daarbij in aanmerking nemen dat de rechtspersoon tegen wie vervolging was ingesteld, op dat vlak zelf geen enkel initiatief heeft genomen; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)Cass. 8 februari 2022, AR P.21.1278.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.5, AC 2022, nr. 105; Cass. 17 oktober 2017, AR P.16.0854.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.1, AC 2017, nr. 564; Zie alg. P. WAETERINCKX, “De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon. Een kritische analyse van enkele capita selecta uit de eerste rechtspraak”, in Strafrecht van nu en straks, Die Keure, 2003, 246-264; E. ROGER FRANCE, “Le mandataire ad hoc dans le cadre de la responsabilité pénale des personnes morales: une institution source de controverses”, in Questions spéciales en droit pénal, Larcier, 2011, 77-118; F. DERUYCK, “Het is lastig te pleiten zonder toga. Over het onhoudbare artikel 2bis V.T. Sv.”, NC 2013, 89-97; P. WAETERINCKX, “De (afgeleide) rechten van verdediging van de rechtspersoon. Heeft een rechtspersoon het recht te zwijgen, eventueel met of zonder bijstand van een raadsman”, NC 2015, 76-82; F. DERUYCK, “De rechten van verdediging van de rechtspersoon in de Belgische strafprocedure: van verre evident, maar verre van evident”, NC 2016, 17-46; P. HELSEN, “Lasthebber ad hoc”, Comm. Sr. 2019, 30p., C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 1314-1315; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 183-186. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 8 Strafbare deelneming in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereist in beginsel een positieve daad, die moet worden verricht voorafgaandelijk aan of gelijktijdig met het hoofdmisdrijf

(1); een voorafgaand akkoord tussen de dader en de deelnemer kan evenwel een strafbare daad van deelneming opleveren
(2).
(1)Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1, AC 2022, nr. 415; Cass. 8 september 2021, AR P.21.0305.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210908.2F.1, AC 2021, nr. 528; Cass. 3 november 2020, AR P.20.0672.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5, AC 2020, nr. 676, NC 2021, 174, RABG 2021, 139; Cass. 17 december 2008, AR P.08.1233.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081217.5, AC 2008, nr. 737 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 17 januari 2006, AR P.05.1304.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.4, AC 2006, nr. 39, RABG 2006, 883; Cass. 18 januari 2000, AR P.99.1541.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000118.23, AC 2000, nr. 41. Zie F. VAN VOLSEM, “Strafbare deelneming is tijdige deelneming”, RABG 2006, 884-888; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, pp. 615-617, nr. 483.
(2)Cass. 26 april 2017, AR P.17.0184.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.2, AC 2017, nr. 290; Cass. 17 januari 2006, AR P.05.1304.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.4, AC 2006, nr. 39, RABG 2006, 883; F. VAN VOLSEM, “Strafbare deelneming is tijdige deelneming”, RABG 2006, 884-888; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 583-620. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66 en 67 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 9 Strafbare deelneming is mogelijk aan misdrijven, waarvoor onachtzaamheid een voldoende moreel bestanddeel is, maar die ook opzettelijk kunnen worden gepleegd. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66 en 67 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 10 Het autonoom karakter van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon belet niet dat de rechter zijn oordeel over de materiële en morele toerekening van een misdrijf aan een rechtspersoon grondt op de gedragingen van één enkele natuurlijke persoon indien uit de concrete gegevens van de zaak blijkt dat die ene natuurlijke persoon het gedrag van de rechtspersoon volledig beheerst
(1).
(1)Cass. 24 mei 2022, AR P.22.0050.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.13, AC 2022, nr. 369, met concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1081.N I 1. RETURN SERVICES nv, met zetel te 9840 De Pinte, Nijverheidsstraat 6/B, beklaagde, 2. FLANDERS INVESTMENT COMPANY nv, met zetel te 9830 Sint-Martens-Latem, Zuylenveld 7, beklaagde, eiseressen, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, II B. X. A. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, alle cassatieberoepen tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein, 11, burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 juni 2022. De eiseressen I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, negen middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiseressen I Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 12 en 16 Taalwet Gerechtszaken: het arrest oordeelt ten onrechte dat de Brusselse parketmagistraat het verzoek van de parketmagistraat te Gent-Oudenaarde om inzage te nemen in drie Brusselse strafdossiers in het Frans kon beantwoorden; de eiseressen I hebben voor de appelrechters aangevoerd dat aangezien de eiser II in het Nederlands taalgebied woonachtig was, de procureur des Konings te Brussel zijn toestemming in het Nederlands diende te geven, ook al betroffen het Franstalige dossiers. 2. Artikel 12, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat de ambtenaren van het openbaar ministerie voor hun daden van rechtsvervolging en van onderzoek, gebruik maken van de taal voorzien in strafzaken voor de rechtbank waartoe zij behoren. 3. Artikel 16, § 1, Taalwet Gerechtszaken bepaalt: “Voor de andere politierechtbanken van het rechterlijk arrondissement Brussel, dan die in het vorig artikel bedoeld, en vóór de correctionele rechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel rechtsprekende in eerste aanleg, wordt de rechtspleging in het Frans gevoerd, indien de verdachte in het Frans taalgebied woonachtig is; in het Nederlands, indien de verdachte in het Nederlands taalgebied woonachtig is; in het Frans of in het Nederlands, indien de verdachte woonachtig is in een gemeente der Brusselse agglomeratie, naar gelang hij zich, voor zijn verklaringen, in het onderzoek, en, bij ontstentenis hiervan, in het vooronderzoek, van een of andere dezer talen, heeft bediend. In alle andere gevallen wordt, volgens de noodwendigheden der zaak, het Frans of het Nederlands gebruikt.” Artikel 21, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt: “Wanneer voor de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken waar, naar luid van de vorige beschikkingen, de taal der rechtspleging diegene is, waarvan de verdachte zich heeft bediend voor zijn verklaringen, of die welke hij verkozen heeft, verscheidene verdachten in dezelfde zaak betrokken zijn, wordt voor de rechtspleging de taal gebruikt, waarvan de meerderheid der verdachten zich heeft bediend voor haar verklaringen of welke zij verkozen heeft. In geval van gelijkheid duidt de rechtbank zelf, bij een met redenen omklede beslissing, de taal aan, waarin de rechtspleging zal gevoerd worden.” 4. Uit deze wetsbepalingen volgt dat een Brussels parketmagistraat de toelating tot inzage in een zaak waarvan de taal van de rechtspleging met toepassing van artikel 21 Taalwet Gerechtszaken de taal is welke wordt gebruikt door de meerderheid der verdachten, in die taal moet verlenen. Dat de verdachte op wie het verzoek op inzage betrekking heeft, in een anderstalig taalgebied woont is zonder belang. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: door te oordelen dat de eiser II de enige verdachte was in de vermelde Brusselse dossiers, geeft het arrest een uitlegging van het arrest van 3 februari 2021 van de Franstalige kamer van het hof van beroep, die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan; de eiser II was immers geen verdachte of vervolgde in die twee dossiers, maar slechts in een ervan. 6. Het arrest (p. 57-58, ro 61, iii) oordeelt met verwijzing naar stuk 16 van het rechtsplegingsdossier in hoger beroep, zijnde het arrest van 3 februari 2021 van het hof van beroep te Brussel in de gevoegde zaken BR.70.99.871/13 en BR.10.F1.11601/15, dat de eiser II de enige verdachte en vervolgde was die in het Nederlands taalgebied woonde en de overige verdachten en vervolgden in het Frans taalgebied woonden. Met dat oordeel geeft het arrest enkel te kennen dat van de verdachten in beide bedoelde dossiers enkel de eiser II in het Nederlands taalgebied woonde, maar niet dat de eiser II verdachte was in beide dossiers. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: door te oordelen dat de eiser II werd verhoord in zijn dubbele hoedanigheid, in eigen naam en als bestuurder van de eiseressen I, geeft het arrest een uitlegging van het betreffende verhoor en van de uitnodiging in PV 02012/2015 uit het Brussels dossier, die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan. 8. De miskenning van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoordingen daarvan, eventueel in samenhang met de stukken waarnaar die akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de door hem uitgelegde akte maakt. 9. Het arrest (p. 45-46, ro 38, iv tot
  1. vi)oordeelt als volgt: - de eiseressen I gaan voorbij aan het gegeven dat de eiser II per schrijven van 30 april 2015 werd uitgenodigd met het oog op zijn verhoor van 20 mei 2015, waarbij hij als verdachte zou worden verhoord in het kader van “(…) vermoedelijke feiten van vereniging van misdadigers, misbruik van het vermogen, valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, witwassen en inbreuken die verband houden met de staat van faillissement van de bedrijven F.M., HOUSEKEEPING, HELIBORNE en AUXILIUM SERVICES. (…) (stuk 1563 strafdossier – onderlijning door het hof (van beroep)); - waar Housekeeping bv blijkens de voormelde gegevens verknocht is met de eiseressen I, kan uit de voormelde uitnodiging impliciet worden afgeleid dat hij eveneens was uitgenodigd en zou kunnen worden verhoord over de rol van de eiseressen I en hun relatie tot Housekeeping bv; - uit het samenlezen van de voormelde uitnodiging en de voorafgaande beknopte mededeling van de feiten vóór het verhoor kan worden afgeleid dat de eiser II zou kunnen worden verhoord in zijn dubbele hoedanigheid, namelijk persoonlijk als natuurlijk persoon en als zaakvoerder van Housekeeping bv en bestuurder van de eiseressen I; - in het verhoor van 20 mei 2015 van de eiser II werden blijkens de in het verhoor gestelde vragen, minstens wat betreft Housekeeping bv, die zoals reeds is vermeld verknocht is met de eiseressen I, zowel hemzelf als natuurlijk persoon als hemzelf als zaakvoerder van Housekeeping bv geviseerd; - in die omstandigheden komt vast te staan dat de eiser II in zijn dubbele hoedanigheid is verhoord. Met die redenen geeft het arrest geen uitlegging van de bedoelde stukken, maar leidt het er enkel een gevolg uit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest neemt ten onrechte aan dat er voor P.D.G. en D.B. slechts een papieren hoedanigheid van bestuurders bestond en geen feitelijk en werkelijk zeggenschap binnen de eiseres I.2, terwijl het tegelijkertijd vaststelt dat geen van beide personen werden verhoord op een nuttig moment; het arrest oordeelt ten onrechte dat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiseressen I niet zijn miskend; dat de eiseressen I zelf het initiatief hadden moeten nemen om hun verdediging te organiseren tijdens het vooronderzoek gaat voorbij aan de eigen aard van de rechtspersoon; de miskenning van de voormelde rechten is ontstaan door de onmogelijkheid van een nuttig verhoor van P.D.G. en D.B. 11. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 12. Het komt een rechtspersoon toe, net zoals een natuurlijk persoon, zijn verdediging in strafzaken te organiseren zoals hij dat wenst. Tot de organisatie van het recht van verdediging van de rechtspersoon behoort ook het recht te verzoeken dat een lasthebber ad hoc wordt aangesteld om een onafhankelijke verdediging van de rechtspersoon te waarborgen. 13. De onderzoeksrechter kan op grond van artikel 2bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering in het daarin bedoelde geval een lasthebber ad hoc aanstellen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen. De onderzoeksrechter is daar echter niet steeds toe verplicht en uit de enkele afwezigheid van die aanstelling kan geen miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging van de rechtspersoon worden afgeleid. 14. Het staat aan de rechter te oordelen of de niet-aanstelling van een lasthebber ad hoc voor een rechtspersoon tijdens het gerechtelijk onderzoek het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van die rechtspersoon onmiskenbaar heeft aangetast. Hij kan daarbij in aanmerking nemen dat de rechtspersoon tegen wie vervolging was ingesteld, op dat vlak zelf geen enkel initiatief heeft genomen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 15. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 16. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - de eiseressen I hebben tijdens het gerechtelijk onderzoek nooit gevraagd om een lasthebber ad hoc aan te stellen, terwijl de onderzoeksrechter daartoe niet is verplicht; - in tegenstelling tot wat de eiseressen I voorhouden, heeft niets hen belet om tijdens het vooronderzoek een advocaat aan te stellen om hun belangen in de fase van het vooronderzoek te behartigen, terwijl zij daarvan kennelijk geen gebruik hebben gemaakt; - de eiseressen I hebben zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep kunnen verdedigen zoals geformuleerd in de voor deze vennootschappen in eerste aanleg en in hoger beroep ingediende besluiten, waarbij volop tegenspraak is gevoerd kunnen worden, waardoor het hof van beroep voldoende is ingelicht om te oordelen; - het openbaar ministerie heeft in hoger beroep gevraagd om D.B. en P.D.G. alsnog te verhoren: D.B. is gelet op haar leeftijd en medische problematiek niet kunnen worden verhoord, terwijl het voor P.D.G. onmogelijk is gebleken om zoveel jaar na datum nog te weten wat precies en wanneer is gebeurd en om dit gedetailleerd te schetsen; - een bijkomend verhoor is weinig zinvol, vermits uit niets blijkt dat P.D.G. als echtgenote van de eiser II, alsook D.B. als een 81-jarige dame met een medische problematiek, in hun papieren hoedanigheid van bestuurders feitelijk en werkelijk zeggenschap hadden binnen de vennootschapsstructuur van de eiseres I.2, minstens wordt het tegendeel allerminst door de eiseressen I aannemelijk gemaakt; - de eiseressen I hebben in de procedure ten gronde alle bewijselementen uit het strafdossier kunnen laten onderzoeken door een eigen raadsman, ze hebben ruim de tijd en de gelegenheid gehad om hun eigen versie over de feiten van de respectieve telastleggingen te formuleren en dit zowel via besluiten in eerste aanleg en in hoger beroep, als op de rechtszittingen in eerste aanleg en in hoger beroep; - zij hebben tevens de mogelijkheid gehad om de door hen nuttig geachte stukken te voegen aan het strafdossier. Op grond van deze redenen kan het arrest wettig oordelen dat het niet-verhoren van P.D.G. en D.B. tijdens het gerechtelijk onderzoek en de niet-aanstelling van een lasthebber ad hoc voor de eiseressen I tijdens dat onderzoek, niet heeft geleid tot een miskenning van hun rechten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met het oordeel dat de eiseressen I zelf nooit de aanstelling van een lasthebber ad hoc hebben gevraagd, terwijl er diverse redenen werden opgesomd waarom dat in rechte niet aan de orde was, beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiseressen I niet; het arrest beantwoordt evenmin het argument van de eiseressen I dat D.B. bijna acht jaar na het einde van haar bestuursmandaat was verhoord, zodat ze gezien haar leeftijd onmogelijk nog zinvol kon worden verhoord; de enkele vaststelling van de medische ongeschiktheid zonder gevolgen te koppelen aan de lange periode die was verstreken sinds de feiten die zich situeren tijdens haar bestuursmandaat in de eiseres I.2, die ook bestuurder was van de eiseres I.1 volstaat niet als antwoord op de argumenten van de eiseressen I; door enerzijds aan te nemen dat het voor P.D.G. onmogelijk was om zoveel jaar na datum nog te weten wat precies en wanneer is gebeurd, maar anderzijds niet in te gaan op de gevolgen die de eiseressen I daaraan hebben gekoppeld gezien het tijdsverloop tussen het verhoor en de ten laste gelegde feiten, voldoet het arrest niet aan de motiveringsplicht. 18. Met de redenen die zijn vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel, beantwoordt en verwerpt het arrest de door het onderdeel bedoelde verweren, zonder dat de appelrechters dienden in te gaan op elk argument dat louter tot staving van een verweer werd aangevoerd, zonder een zelfstandig verweer te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel 19. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door de overschrijding van de redelijke termijn enkel in aanmerking te nemen bij de straftoemeting, antwoordt het arrest niet op de aanvoering dat door die overschrijding het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiseressen I is miskend; het arrest is intern tegenstrijdig door enerzijds een overschrijding van de redelijke termijn vast te stellen, alsook dat D.B. niet meer kon worden verhoord en dat het voor P.D.G. onmogelijk was om zoveel jaar na datum nog te weten wat precies en wanneer is gebeurd of gedetailleerd te antwoorden op vragen, maar anderzijds de overschrijding van de redelijke termijn uitsluitend in acht te nemen bij de straftoemeting. 20. Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede middel, oordeelt het arrest dat het niet-verhoren van P.D.G. en D.B. tijdens het vooronderzoek niet heeft geleid tot een miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiseressen I. De appelrechters dienden dan ook het op grond van het niet-horen van P.D.G. en D.B. ontwikkelde redelijketermijnverweer niet te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 21. De aangevoerde tegenstrijdigheid is afgeleid uit het voormelde vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel 22. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels inzake motivering: het arrest wijst ten onrechte het verzoek van de eiseressen I om S.Sh. als getuige à décharge te horen af en het vermeldt daarvoor de redenen niet. 23. Een rechterlijke beslissing moet in zijn geheel worden gelezen en de redenen ervan dienen de ene door de andere te worden uitgelegd. Zodoende kunnen redenen die de rechter vermeldt in antwoord op een bepaald verweer of ter ondersteuning van een bepaalde beslissing, ook een antwoord vormen op een ander verweer in de zin van artikel 149 Grondwet of de voornaamste redenen voor een andere beslissing uitmaken in de zin van artikel 6.1 EVRM. 24. De rechter is niet verplicht om een gedetailleerd antwoord te geven op elk verzoek tot het horen van een getuige à décharge: het volstaat dat de partij die om het verhoor verzoekt weet waarom de rechter de getuigenis ter rechtszitting niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging. 25. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 26. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseressen I voor de appelrechters hebben aangevoerd dat er nog een aantal voor de hand liggende personen niet werden verhoord, zonder evenwel aan te geven of ze deze personen wilden laten verhoren als getuige à charge, dan wel à décharge en zonder aan te geven waarom deze getuigenissen relevant zouden zijn, namelijk A.B., de nieuwe zaakvoerder van Housekeeping bv, en S.Sh., bediende van Housekeeping bv die de nieuwe vennootschap Clean Label sprl heeft opgericht op 2 december 2016, die het mechanisme zou verderzetten. 27. Het arrest (p. 51, ro 52) stelt vast dat de eiseressen I en de eiser II het getuigenverhoor vragen van A.S. (van het boekhoudbedrijf A), A.B. (zaakvoerder van Housekeeping bv), de overige zaakvoerders van de Brusselse werkvennootschappen, waaronder Y.D.S., Y.L., E.D., S.B., J.P.D., J.-C.G. en de 148 in de inleidende akte opgenomen werknemers. 28. Het arrest (p. 54, ro 55) verwerpt met opgave van redenen het verzoek om A.S., A.B., E.D., Y.D.S., Y.L., E.D., S.B., J.P.D., J.-C.G. als getuigen à décharge te verhoren en doet dat onder meer op grond dat genoemden, al dan niet rechtstreeks betrokken waren bij het fraudemechanisme en minstens op die wijze in relatie stonden met de beklaagden. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat elk verzoek tot het horen van als getuige wordt verworpen van personen die zelf betrokken waren bij het fraudemechanisme. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest het verzoek om S.Sh. te verhoren en verantwoordt het die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel 29. Het middel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek: het parkeren van gelden afkomstig van sociale fraude situeert zich per definitie na het begaan van die sociale fraude, terwijl het arrest niet vaststelt dat de spaarpothandelingen van de eiseres I.2 voorwerp waren van een voorafgaand overleg; het arrest leidt bijgevolg ten onrechte uit de feitelijke vaststellingen af dat de eiseres I.2 actieve en positieve deelnemingsdaden heeft gesteld betreffende de misdrijven A, B en C en het oordeelt dan ook ten onrechte dat de eiseres I.2 mededader is aan die misdrijven. 30. Strafbare deelneming in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereist in beginsel een positieve daad, die moet worden verricht voorafgaandelijk aan of gelijktijdig met het hoofdmisdrijf. Een voorafgaand akkoord tussen de dader en de deelnemer kan evenwel een strafbare daad van deelneming opleveren. 31. Het arrest oordeelt niet enkel dat de spaarpothandelingen aan te nemen zijn als actieve en positieve deelnemingsdaden van de eiseres I.2, maar oordeelt ook op grond van een geheel van redenen en vaststellingen (p. 101-103, ro 98 en 99) dat de eiseres I.2 een van de actieve pionnen was in de fraudeconstructie en haar tussenkomst een inbreng is geweest die heeft bijgedragen tot de verwezenlijking van het gemeenschappelijk finaal opzet, waardoor zij geacht wordt te hebben deelgenomen aan het hele opzet. Aldus geeft het arrest ook te kennen dat de eiseres I.2. positieve deelnemingsdaden heeft gesteld en er een voorafgaand akkoord was tussen de eiser II en onder meer de eiseres I.2 om de misdrijven te plegen. Met die redenen is de met het middel bekritiseerde beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Zesde middel Eerste onderdeel 32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek en de artikelen 181 en 218, eerste lid, 1°, Sociaal Strafwetboek: het arrest verklaart ten onrechte de eiseressen I schuldig als mededader aan de telastleggingen A1 tot en met A21, A23 tot en met A45 en A47 tot en met A148 en C, niettegenstaande dit onopzettelijke misdrijven zijn. 33. Strafbare deelneming is mogelijk aan misdrijven, waarvoor onachtzaamheid een voldoende moreel bestanddeel is, maar die ook opzettelijk kunnen worden gepleegd. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 66 Strafwetboek en de artikelen 181 en 218, eerste lid, 1°, Sociaal Strafwetboek: aangezien het arrest uitsluitend de fout vermeldt van de eiseressen I betreffende de telastleggingen A1 tot en met A21, A23 tot en met A45 en A47 tot en met A148 en C, maar niet aangeeft dat zij kennis hadden van het risico op het plegen van deze misdrijven, leidt het arrest uit die vaststelling ten onrechte het moreel element af van de misdrijven; minstens geeft het arrest niet aan waarin dat kenniselement bestaat; de loutere vaststelling dat de misdrijven wetens zijn gepleegd, zonder concrete invulling volstaat niet als antwoord op het verweer van de eiseressen I dat P.D.G. geen kennis had van het risico voor het plegen van het misdrijf en nalatig is. 35. Het arrest dat oordeelt dat D.B. en P.D.G. slechts op papier bestuurders waren en zij geen feitelijk en werkelijk zeggenschap binnen de eiseres I.2 hadden (p. 47, ro 38,
  2. xi)diende niet te antwoorden op het doelloos verweer dat P.D.G. geen kennis had van het risico voor het plegen van het misdrijf of nalatig is geweest. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 36. Het arrest (p. 105) oordeelt als volgt: - uit wat hierboven werd gemotiveerd komt naar voor dat de eiseres I.1 nauw betrokken was bij de kern van het Housekeeping bv-management en dat zij mee instond voor de uitvoering van het fraudeconcept op managementniveau; - op haar maatschappelijke zetel was het epicentrum van de fraude gevestigd waarbij haar belangrijkste medewerker, E.A.B., een sterke steunpilaar in de fraude-organisatie was; - de eiseres I.1 faciliteerde ook dat de illegale winsten die uit het fraudeconcept konden worden gegenereerd via allerlei facturatiestromen tussen de betrokken vennootschappen uiteindelijk in de spaarpot van de eiseres I.2 of rechtstreeks naar de eiser II konden worden versluisd; - de feiten passen volledig in het maatschappelijk doel van de eiseres I.1 waaronder adviesverlening op vlak van bedrijfsvoering en bedrijfsbeheer; - de inbreuken werden gepleegd in het kader van de exploitatie van deze vennootschap en dus in haar belang en ter verwezenlijking van haar doel; - deze misdrijven werden ook voor haar rekening gepleegd. Met die redenen beantwoordt het arrest afdoende het bedoelde verweer en verantwoordt het naar recht de beslissing dat de eiseressen I kennis hadden van het risico op het plegen van de misdrijven. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Derde onderdeel 37. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 66 Strafwetboek en de artikelen 181 en 218, eerste lid, 1°, en 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, alsmede miskenning van het begrip feitelijk vermoeden en de bewijsregels in strafzaken: de motivering die het arrest bevat, volstaat niet om het vereiste deelnemingsopzet van de eiseres I.2 aan te nemen, met name in hoofde van haar bestuurders, wat betreft de telastlegging B, dit is het totale fraudemechanisme; de motivering van het moreel bestanddeel is intern tegenstrijdig; het arrest oordeelt enerzijds dat het bestuur op de hoogte was van het fraudeconcept en met het vereiste bedrieglijk opzet handelde, maar anderzijds dat uit niets blijkt dat de beide dames feitelijk en werkelijk zeggenschap hadden binnen de vennootschapsstructuur; wie geen zeggenschap heeft, is ook niet op de hoogte van een eventueel fraudeconcept; het arrest leidt ten onrechte het moreel opzet van de eiseres I.2 af uit de feiten die het vaststelt, met name de afwezigheid van voorzieningen om de wettelijke normen na te leven en de nalatigheid om een voldoende beleid te voeren; uit de vaststelling dat op het moment van haar uitnodiging tot verhoor D.B. niet meer kon worden verhoord, kan het arrest niet afleiden dat zij in 2013 op de hoogte was van het fraudeconcept, hetzij enkel een bestuurder op papier was; hetzelfde geldt voor P.D.G.; gelet op de vaststellingen van het arrest dat het onmogelijk was P.D.G. en D.B. te verhoren door het tijdsverloop konden de appelrechters niet oordelen dat de beide dames geen feitelijk of werkelijk zeggenschap hebben gehad in de werking van de eiseres I.2 en dat het bestuur, alleen bestaande uit de eiser II, op de hoogte was van het fraudeconcept; uit de vaststellingen dat organisatorisch niet de nodige voorzieningen zijn getroffen om de wettelijke normen na te leven en dat de eiseres I.2 heeft nagelaten om een voldoende adequaat, structureel en doortastend beleid te voeren, vaststellingen die niet wijzen op een positieve daad van deelneming, maar op nalatigheid en niet wijzen op een vorm van nalatigheid, die opzettelijk werd gesteld in het kader van een medewerking aan het fraudemechanisme, leidt het arrest ten onrechte een deelnemingsopzet af, alsook de schuld aan de feiten van de telastlegging B en aan het globale fraudemechanisme van het bestuur van de eiseres I.2, aangezien uit deze vaststelling niet blijkt dat het bestuur en elk van de bestuurders kennis hadden van het feit dat het bestuur deelnam en wou deelnemen aan een welbepaalde misdaad of een welbepaald wanbedrijf. 38. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het tweede onderdeel van het tweede middel is het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen. 39. Het arrest oordeelt als volgt: - D.B. en P.D.G. waren slechts op papier bestuurder van de eiseres I.2 en ze hadden geen feitelijk en werkelijk zeggenschap binnen de vennootschapsstructuur van de eiseres I.2; - uit het strafonderzoek blijkt dat de eiser II rond de beklaagde Housekeeping bv een aantal vennootschappen heeft geëngageerd die er slechts op waren gericht de fraudeconstructie mee vorm te geven; - uit hetgeen is uiteengezet met betrekking tot het fraudemechanisme blijkt dat de eiseres I.2, voor wie de eiser II telkens als vaste vertegenwoordiger optrad, volledig op de hoogte was van het fraudeconcept en met het vereiste bedrieglijk opzet om geen rsz te betalen handelde. Met die redenen, gelezen in hun onderling verband, oordeelt het arrest dat het werkelijke bestuur van de eiseres I.2 steeds en enkel bij de eiser II lag. 40. Het arrest oordeelt niet dat D.B. of P.D.G. op de hoogte waren van het fraudeconcept, maar wel dat het bestuur van de eiseres I.2 op de hoogte was, waarmee het arrest de werkelijke feitelijke bestuurder bedoelt, met name de eiser II. Hieruit volgt dat het niet tegenstrijdig is te oordelen, eensdeels, dat het bestuur van de eiseres I.2 op de hoogte was van het fraudeconcept, en, anderdeels, dat D.B. en P.D.G. geen feitelijk en werkelijk zeggenschap hadden binnen de vennootschapsstructuur. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 41. Het arrest leidt het moreel bestanddeel van het misdrijf wat betreft de eiseres I.2 niet af uit de verhoren van P.D.G. en D.B. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het eveneens feitelijke grondslag. 42. Het arrest dat oordeelt dat D.B. en P.D.G. slechts op papier bestuurders waren en dat zij geen feitelijk en werkelijk zeggenschap binnen de eiseres I.2 hadden, diende niet te antwoorden op het doelloos verweer dat zij kennis hadden van het risico op het plegen van het misdrijf of dat zij nalatig zijn geweest. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 43. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van het arrest dat D.B. en P.D.G. geen werkelijke maar slechts papieren zaakvoerders waren van de eiseressen I, komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. 44. Het oordeel van de appelrechters dat D.B. en P.D.G. onder meer ingevolge het tijdsverloop niet meer konden worden gehoord, sluit niet uit dat zij kunnen oordelen dat de betrokkenen ten tijde van de feiten werkelijke bestuurders waren van de eiseressen I, dan wel slechts bestuurders op papier. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 45. Het arrest (p. 115, ro 127, ii,
  3. d)oordeelt als volgt: - de eiseres I.2 was nauw betrokken bij de kern van het Housekeeping bv-management en zij stond mee in voor de uitvoering van het fraudeconcept; - zij faciliteerde dat de illegale winsten die uit het fraudeconcept konden worden gestockeerd, buiten het bereik van de fiscale of parafiscale overheden werden geparkeerd en al dan niet van daaruit gedeeltelijk naar de eiser II konden worden versluisd; - hierbij dient te worden opgemerkt dat het bestuur van de eiseres I.2 volledig op de hoogte was van het fraudeconcept, met het vereiste bedrieglijk opzet om geen rsz te betalen. Met die redenen stelt het arrest naar recht het deelnemingsopzet en de schuld van de eiseres I.2 aan de feiten omschreven onder de telastlegging B vast. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 46. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de vaststelling dat het verweer van de eiseres I.2 over het gebrek aan afzonderlijk onderzoek zinledig is omdat het bestuur vanaf 1 januari 2014 uitsluitend bestond uit de eiser II, vermeldt het arrest de redenen niet waarom dit ook zou gelden voor de periode van 1 juni 2013 tot 31 december 2013. 47. Het arrest (p. 107, ro 115) oordeelt niet enkel zoals in het onderdeel wordt aangevoerd, maar oordeelt wel als volgt: - de opmerking van de eiseres I.2 dat geen afzonderlijk onderzoek is gevoerd naar het eigen moreel opzet van deze vennootschap, is in het licht van het voormelde zinledig, vermits het bestuur van de eiseres I.2 vanaf 1 januari 2014 minstens bestond uit de eiser II. Wat de voorgaande bestuursleden betreft wordt opgemerkt dat D.B. gelet op haar leeftijd en medische problematiek niet is kunnen worden verhoord, terwijl het voor P.D.G. onmogelijk was om zoveel jaar na datum nog te weten wat precies en wanneer is gebeurd en gedetailleerd te antwoorden op de vragen; - hen nog bijkomend laten verhoren is weinig zinvol, vermits uit niets blijkt dat P.D.G. als echtgenote van de eiser II en D.B. als een 81 jarige dame met een medische problematiek in hun papieren hoedanigheid van bestuurders feitelijk en werkelijk zeggenschap hadden binnen de vennootschapsstructuur van de eiseres I.2, minstens wordt het tegendeel allerminst door de eiseres I.2 aannemelijk gemaakt. Het arrest (p. 105-106, ro 110) oordeelt bovendien dat de eiser II telkens als vertegenwoordiger optrad voor de eiseres I.2. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat de eiser II steeds en dus ook in de periode van 1 juni 2013 tot 31 december 2013 de enige werkelijke zaakvoerder was van de eiseres I.2 en dat op die grond het moreel opzet van de eiseres I.2 is aangetoond. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Zevende middel Eerste onderdeel 48. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 324ter Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eiseressen I wetens en willens betrokken zijn bij de criminele organisatie, maar stelt niet vast dat ze ook wisten dat die organisatie gebruik maakte van de in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek vermelde methodes; het arrest beantwoordt ook niet het desbetreffend verweer van de eiseressen I. 49. Volgens artikel 324bis, eerste lid, Strafwetboek wordt met criminele organisatie bedoeld iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen. Volgens artikel 324ter, § 1, Strafwetboek wordt, wanneer de criminele organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, iedere persoon die wetens en willens daarbij betrokken is, gestraft, ook al heeft hij niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op één van de in de artikelen 66 tot 69 bedoelde wijzen. 50. Het arrest (p. 100, ro 95, 96 en 98) oordeelt onder meer als volgt: - uit het strafonderzoek blijkt dat de eiser II rond Housekeeping bv een aantal vennootschappen heeft geëngageerd die er slechts op gericht waren de fraudeconstructie mee vorm te geven en de daaraan verbonden inkomsten te laten circuleren en buiten het bereik te houden van de fiscale en parafiscale overheden; - dat de eiseres I.1 één van de actieve pionnen in de fraudeconstructie was, blijkt onder meer uit de vaststellingen die elk op zich niet anders te interpreteren vallen dan dat de eiseres I.1 als mededader noodzakelijk is tussengekomen in de fraudeconstructie; - dat de eiseres I.2 eveneens één van de actieve pionnen in de fraudeconstructie was blijkt onder meer uit de vaststellingen die het arrest vermeldt. Met die redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer en geeft het ook te kennen dat de eiseressen I, die actief hun medewerking verleenden aan de fraudeconstructie, ook wisten dat die organisatie gebruik maakte van de in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek beoogde methodes. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 51. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66 en 324ter Strafwetboek, alsmede miskenning van het begrip feitelijk vermoeden en de bewijsregels in het strafrecht: aangezien het arrest vaststelt dat naargelang de periode het bestuur van de eiseressen I niet alleen bestond uit de eiser II, maar ook uit D.B. en P.D.G., worden de eiseressen I ten onrechte schuldig verklaard aan de feiten van de telastlegging E; het arrest stelt slechts een partieel opzet vast; het arrest stelt niet vast dat D.B. en P.D.G. op de hoogte waren van het fraudeconcept; het arrest kan niet aannemen, gelet op de vaststelling dat de beide dames geen feitelijk of werkelijk zeggenschap hebben gehad in de werking van de eiseres I.2 en dat het bestuur enkel bestond uit de eiser II, dat de eiseres I.2 op de hoogte was van het fraudeconcept en met het vereiste algemeen opzet handelde; de vaststellingen van het arrest wijzen niet op het wetens en willens betrokken zijn van de eiseressen I bij een criminele organisatie, zodat het arrest op grond daarvan ten onrechte afleidt dat het vereiste algemeen opzet vaststaat, dat het bestuur en elk van de bestuurders kennis hadden van de betrokkenheid bij een criminele organisatie en dat de in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek vereiste middelen werden gebruikt. 52. Het autonoom karakter van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon belet niet dat de rechter zijn oordeel over de materiële en morele toerekening van een misdrijf aan een rechtspersoon grondt op de gedragingen van één enkele natuurlijke persoon indien uit de concrete gegevens van de zaak blijkt dat die ene natuurlijke persoon het gedrag van de rechtspersoon volledig beheerst. 53. Uit het antwoord op het vierde onderdeel van het zesde middel volgt dat het arrest oordeelt dat de eiser II steeds de enige werkelijke zaakvoerder is geweest van de eiseres I.2. Het arrest diende bijgevolg niet vast te stellen dat, naast de eiser II, ook P.D.G. en D.B. op de hoogte waren van het fraudeconcept. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 54. Het arrest leidt het moreel bestanddeel wat betreft de eiseres I.2 voor de telastleggingen niet af uit de omstandigheid dat D.B. en P.D.G. op de hoogte waren van het fraudeconcept, noch uit de omstandigheid dat ze niet bijkomend konden worden verhoord. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 55. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter en is het niet ontvankelijk. Achtste middel 56. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de vermogensvoordelen ten goede zijn gekomen van de eiser II en van de eiseres I.2, elk voor de helft, zonder na te gaan wat feitelijk in het vermogen van de eiseres I.2 is terecht gekomen; het arrest beantwoordt aldus ook niet het desbetreffend verweer van de eiseres I.2. 57. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Die bepaling mag evenwel niet willekeurig zijn. De rechter dient ook voor een ex aequo et bono-bepaling die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten. 58. De door de artikelen 42, 3°, en 43bis, tweede lid, Strafwetboek bedoelde bijzondere verbeurdverklaring is een facultatieve straf. Wegens het facultatief karakter van deze straf kan de rechter de bedragen die hij op grond van de voormelde bepalingen verbeurd verklaart, onder de veroordeelden verdelen. Daarbij mag het totale bedrag van de verbeurdverklaring het bedrag van de rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen niet overschrijden. 59. De rechter die oordeelt dat een verbeurd te verklaren vermogensvoordeel voortspruit uit misdrijven waaraan hij verschillende beklaagden schuldig verklaart, oordeelt onaantastbaar in welke mate hij dat vermogensvoordeel onder die beklaagden verdeelt. Hij kan de verdeling steunen op de mate van de betrokkenheid van elke beklaagde bij deze misdrijven. Die verdeling maakt immers deel uit van de beslissing over de strafmaat waarbij de rechter alle aan tegenspraak onderworpen feitelijke gegevens over de bewezen verklaarde misdrijven en de persoonlijkheid van de beklaagden mag betrekken. 60. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 61. Het arrest oordeelt als volgt: - het hof van beroep stelt vast dat de rechtstreekse vermogensvoordelen die zijn voortgekomen uit de in het arrest vastgestelde fraude niet rechtstreeks kunnen worden teruggevonden in het vermogen van de eiser II en de eiseres I.2, zodat het hof van beroep de geldwaarde ervan moet ramen en de verbeurdverklaring betrekking heeft op een daarmee overeenstemmend bedrag; - de illegale winsten zijn, zo blijkt uit de diverse bankonderzoeken, de jaarrekening en de teruggevonden boekhoudkundige stukken, naar de eiser II en de eiseres I.2 gevloeid; - voor deze laatste werden de geldstromen vermomd als managementfees of bestuurdersvergoedingen; - er is de spaarpot, met de bedoeling de eiser II en Housekeeping bv fiscaal en parafiscaal veilig te stellen; - er wordt daarbij verwezen naar onder meer de uitprint van de grootboekrekeningen zoals teruggevonden in het bureel van de eiser II te Drongen, waar handgeschreven de notitie op stond “Mng Fees To Avoid Taxed”; - het staat vast dat de vermogensvoordelen rechtstreeks ten goede zijn gekomen van de eiser II en de eiseres I.2; - de bepalingen van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek en het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoonlijk is, laten de rechter niet toe verschillende personen hoofdelijk tot één straf te veroordelen; - het totaalbedrag dat wordt verbeurd verklaard, wordt daarom verdeeld over de eiser II en de eiseres I.2; - op grond van de aldus ingeschatte rol evenals op basis van de resultaten van het financieel onderzoek wordt tot het besluit gekomen dat de eiser II en de eiseres I.2 evenveel van de illegale winsten hebben genoten; - dit betekent dat zowel lastens de eiser II als lastens de eiseres I.2 een bedrag van 546.572,66 euro bij toepassing van artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek verbeurd kan worden verklaard; - rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn past het om lastens beiden het verbeurd te verklaren bedrag voor elk van hen te herleiden tot 300.000,00 euro. Mocht er geen overschrijding van de redelijke termijn zijn geweest, zou lastens elk van hen een verbeurdverklaring van 546.572,66 euro gepast zijn geweest. Met die redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Negende middel 62. Het middel voert schending aan van artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en de artikelen 101, 103, 110, 181, § 1, 1°, 218, eerste lid, 1°, en 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de multiplicator dient te worden toegepast op alle aangetroffen werknemers, ongeacht de periode waarin ze – al dan niet gezamenlijk – aan het werk waren, alsook dat er klaarblijkelijk door een dergelijke regeling geen schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet en miskenning van het evenredigheidsbeginsel van het EVRM voorligt; het arrest neemt het grote personeelsverloop niet in aanmerking bij de toepassing van de multiplicator; bij een hypothetische niet-naleving van de sociale wetten is zowel de aantasting van de sociaal-economische orde als de ernst van de begane inbreuk dezelfde voor de situatie waarbij in het ene geval minder werknemers voor een langere periode benadeeld zijn en in het andere geval meer werknemers voor een kortere periode; aldus worden situaties die volstrekt gelijkaardig zijn, op een volstrekt andere wijze strafrechtelijk beteugeld en is er een onderscheid in behandeling dat niet op de vermelde gronden kan worden gerechtvaardigd. 63. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. 64. Het arrest (p. 60-61, ro 66, iv-
  4. x)oordeelt als volgt: - de multiplicator dient te worden toegepast op alle aangetroffen werknemers ongeacht de periode waarbinnen ze aan het werk waren, vermits ten aanzien van elk van die werknemers de normale opbouw van sociale rechten wordt verstoord of bedreigd, wat rechtvaardigt dat de wet op die wijze wordt toegepast; - er is wel degelijk een objectief evenredigheidscriterium voorhanden, met name de gevolgschade van de strafbare handeling; - voor iedere individueel betrokken werknemer resulteert de begane inbreuk immers in een aantasting van diens individuele wettelijke, economische of sociale bescherming, evenals een aantasting van de sociaal-economische orde, waaronder het creëren van een situatie van oneerlijke concurrentie; - naarmate er meer werknemers betrokken zijn, neemt daardoor ook de ernst van de begane inbreuk toe; - het behoorde dan ook tot de wil van de wetgever om de straf veeleer toe te meten in functie van de ernst van de feiten en de gevolgen ervan, eerder dan in functie van de persoon van de delinquent; - in die zin is de multiplicator vervat in de artikelen 181, § 1, 1°, 218, eerste lid, 1°, en 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek objectief ten volle gerechtvaardigd en redelijk evenredig; - de vermenigvuldigingsregel laat bovendien de mogelijkheid van de strafrechter om – rekening houdend zowel met de ernst van de feiten als met de persoonlijkheid van de beklaagde – de opgelegde straf (volledig of deels) te bekleden met de gunst van het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf onverlet, zodat de vermenigvuldigingsregel als zodanig het beginsel van de personalisering van de strafsanctie allerminst ondermijnt, terwijl bij toepassing van verzachtende omstandigheden de geldboete zelfs kan worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum, waarbij het evenwel niet lager mag zijn dan 40 procent van het voorgeschreven minimumbedrag; - in casu wordt de vermenigvuldigingsfactor van de opgelegde geldboete louter en alleen bepaald door de ernst van de inbreuken, meer bepaald het aantal werknemers (de mogelijke slachtoffers en de gevolgschade) ten aanzien van wie het misdrijf werd gepleegd; - het aantal betrokken werknemers toont ook de zwaarte van het misdrijf aan; - het in de wet bepaald criterium is dan ook redelijk verantwoord te noemen. Met die redenen is het oordeel dat de artikelen 181, § 1, 1°, 218, eerste lid, 1°, en 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 101, 103 en 110 Sociaal Strafwetboek, klaarblijkelijk de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schenden en het evenredigheidsbeginsel van het EVRM niet miskennen, alsook dat de voorgestelde prejudiciële vraag niet aan het Grondwettelijk Hof moet worden gesteld, naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel 65. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verplichte afweging bij het al dan niet horen van getuigen in het kader van de vrijwaring van het recht op een eerlijk proces enkel van toepassing is op getuigen die een verklaring hebben afgelegd; als een getuigenverklaring wordt aangewend als bewijs à charge, zelfs zonder dat er een schriftelijke verklaring beschikbaar is, dient deze persoon als een getuige à charge te worden beschouwd in de zin van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM; het arrest oordeelt ten onrechte dat aangezien Y.L., S.B., S.-P.D., J.-C.G. en de overige 128 in de inleidende akte vermelde werknemers tijdens het onderzoek geen verklaring hebben afgelegd, de noodzaak voor het verhoren van deze getuigen niet moet worden beoordeeld; aldus miskent het arrest ook de motiveringverplichting. 66. Een beklaagde kan niet met verwijzing naar artikel 6.1 en 6.3.d EVRM het verhoor vragen van personen op de rechtszitting als getuigen à charge, indien niet blijkt dat die personen volgens het strafdossier voor de beklaagde belastende verklaringen hebben afgelegd. Het onderdeel dat geheel uitgaat van die onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 67. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest vermeldt de redenen niet waarom dit het horen van de getuige à décharge S.Sh. afwijst. 68. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het vierde middel van de eiseressen I en is om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te verwerpen. Tweede middel 69. Het middel voert schending aan van de artikelen 12 en 16 Taalwet Gerechtszaken: het arrest oordeelt ten onrechte dat wanneer er in een Nederlandstalig strafrechtelijk onderzoek inzage wordt gevraagd in een Franstalig dossier de te hanteren proceduretaal deze is van het dossier ten behoeve waarvan de inzage wordt gevraagd; het arrest oordeelt ten onrechte dat de ambtenaren van het openbaar ministerie in het gerechtelijk arrondissement Brussel de taal mogen hanteren van de strafprocedure waarin inzage wordt gevraagd; de Taalwet dient immers te worden toegepast in functie van het Gentse strafrechtelijk onderzoek en niet in functie van de strafrechtelijke onderzoeken waarvan de inzage wordt gevraagd. 70. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseressen I en is om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te verwerpen. Derde middel 71. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 324bis en 324ter, § 4, Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest leidt ten onrechte uit het leiderschap van de eiser II in de eiseressen I af dat hij ook de leider is van de criminele organisatie; het arrest vermeldt niet de redenen waarom de eiser II een leidinggevende rol zou vervullen binnen de criminele organisatie. 72. Het arrest (p. 114, ro 127, II,
  5. b)oordeelt als volgt: - de eiser II wordt als leidinggevend persoon binnen de criminele organisatie aangezien en thans ook als dusdanig bestraft; - hij had effectief de juridische en feitelijke leiding over de leden van de criminele organisatie, opgebouwd rond Housekeeping bv en haar management, bestaande uit de eiseressen I, hierin bijgestaan door de beklaagden A.B. en N.B. Aldus vermeldt het arrest de redenen op grond waarvan het oordeelt dat de eiser II een leidinggevende rol heeft vervuld binnen de criminele organisatie en leidt het die rol niet louter af uit zijn leiderschap in de eiseressen I. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Vierde middel 73. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 42, 3°, Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringplicht. Eerste onderdeel 74. Het onderdeel voert aan dat het arrest het verbeurd verklaarde vermogensvoordeel bepaalt met schending van artikel 42, 3°, Strafwetboek; de vermogensvoordelen werden immers niet aangetroffen in het vermogen van de eiser II; door enerzijds aan te nemen dat er een voortvloeien is van de illegale vermogensvoordelen naar de eiser II, maar anderzijds de bijzondere verbeurdverklaring louter te bepalen op grond van de ontdoken rsz-bijdragen, stelt het arrest niet vast hoeveel ontdoken rsz-bijdragen werkelijk in concreto naar de eiser II werden overgeheveld, te meer het arrest oordeelt dat de ontdoken rsz-schuld moet worden verminderd met de bedragen die als commissie aan de onderaannemers werden betaald. 75. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter, is het niet ontvankelijk. 76. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het achtste middel van de eiseressen I, is het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te verwerpen. Tweede onderdeel 77. Het onderdeel voert aan dat het arrest bedragen verbeurd verklaart lastens de eiser II, niettegenstaande deze vermogensvoordelen niet door hem werden verkregen; het arrest beantwoordt niet het desbetreffend verweer van de eiser II; de loutere vaststelling dat zou blijken dat de illegale winsten werden opgestreken door onder andere de eiser II, volstaat daartoe niet; het arrest vermeldt ook de redenen niet waarom de door de eiser II vermelde berekening niet juist zou zijn in het licht van het bankonderzoek. 78. Het arrest stelt niet vast dat de eiser II geen vermogensvoordelen zou hebben verkregen, maar wel dat de rechtstreekse vermogensvoordelen die zijn voortgekomen uit de in het arrest vastgestelde fraude niet rechtstreeks kunnen worden teruggevonden in het vermogen van de eiser II en de eiseres I.2, zodat de geldwaarde ervan moet worden geraamd en de verbeurdverklaring betrekking heeft op een daarmee overeenstemmend bedrag. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 79. Met de redenen vermeld in het antwoord op het achtste middel van de eiseressen I beantwoordt het arrest het desbetreffend verweer in zijn geheel en vermeldt het aldus ook de redenen waarom de door de eiser II overgelegde berekening van de vermogensvoordelen niet wordt aangenomen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 80. Het onderdeel voert aan dat het arrest tegenstrijdig oordeelt door enerzijds vast te stellen dat de illegale vermogensvoordelen als een spaarpot worden gehouden bij een andere beklaagde teneinde op fiscaal en parafiscaal vlak de eiser II te vrijwaren en anderzijds dat beide beklaagden evenveel van de illegale winsten hebben genoten, zodat er in wezen geen fiscaal of parafiscaal veiligstellen heeft plaatsgevonden. 81. Een tegenstrijdigheid als motiveringsgebrek van een rechterlijke beslissing veronderstelt redenen of beschikkingen van eenzelfde beslissing die elkaar tenietdoen of opheffen. Dit is niet het geval met de redenen vermeld in het onderdeel. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel 82. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht. Eerste onderdeel 83. Het onderdeel voert aan dat het arrest geen beslissing neemt over de miskenning van het recht op een eerlijk proces met betrekking tot de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn; het beantwoordt niet het desbetreffend verweer van de eiseressen I, waarbij de eiser II zich heeft aangesloten; het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door, enerzijds, vast te stellen dat D.B. en P.D.G. niet dienen te worden verhoord, en, anderzijds, de overschrijding van de redelijke termijn vast te stellen, vervolgens niet te oordelen dat het recht op een eerlijk proces is miskend en de overschrijding van de redelijke termijn enkel in acht te nemen bij de beoordeling van de strafmaat; het arrest beantwoordt niet het verweer betreffende de onmogelijkheid om de bedoelde personen te verhoren. 84. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het derde middel van de eiseressen I en is om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te verwerpen. Tweede onderdeel 85. Het onderdeel voert aan dat het arrest enkel vaststelt dat een hogere straf zou worden opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn; deze vermelding voldoet niet aan de vereiste van het toepassen van een reële en meetbare vermindering en is een loutere stijlformule; de hoegrootheid van de vermindering kan aldus niet worden nagegaan. 86. De rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd bij niet-overschrijding. De verplichting houdt evenwel niet in dat de rechter uitdrukkelijk melding moet maken van die laatste straf. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter vaststelt dat de door hem opgelegde straf lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 87. Na te hebben vermeld welke straf het beroepen vonnis aan de eiser II heeft opgelegd, oordeelt het arrest dat bij toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een hoofdgevangenisstraf van 18 maanden, volledig met uitstel van tenuitvoerlegging voor de duur van 5 jaar en een geldboete van 50.000,00 euro, verhoogd met 50 opdeciemen of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging voor de duur van drie jaar wat betreft de helft van de opgelegde geldboete, passender voorkomt. Het vermeldt dat mocht de redelijke termijn niet zijn overschreden een hogere hoofdgevangenisstraf en een hogere geldboete passender zou zijn geweest. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 88. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 545,11 euro, waarvan de eiseressen I 272,55 euro is verschuldigd en de eiser II 272,56 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10 Gerelateerde publicatie(
  6. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000118.23 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081217.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210908.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.