id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.16 Rolnummer: P.22.1755.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-01-19 Raadplegingen: 702 - laatst gezien 2026-06-18 15:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 De kamer van inbeschuldigingstelling die op het hoger beroep van een inverdenkinggestelde moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, kan op grond van de devolutieve werking van dit hoger beroep oordelen dat de handhavingsbeschikking van de raadkamer nietig is omdat de raadkamer werd voorgezeten door een rechter die als onderzoeksrechter in de zaak reeds is tussengekomen en kan vervolgens zelf beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis; de omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling die de raadkamerbeslissing vernietigt, verkeerdelijk vaststelt dat zij op grond van evocatie beslist over de handhaving van de voorlopige hechtenis, maakt die beslissing niet onwettig
(1)Zie Cass. 16 december 2021, AR P.21.1578.N, AC 2021, nr. 809, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.2N.1, T.Strafr., 2022, alf. 5, 270; Cass. 31 juli 2001, AR P.01.1063.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010731.4, AC 2001, nr. 425; Cass. 29 mei 1996, AR P.96.0713.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960529.1, AC 1996, nr. 196; Cass. 2 januari 1991, AR nr. 5188, AC 1991, nr.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter ONDERZOEKSGERECHTEN Fiches 5 - 6 Het oordeel dat de raadkamerbeschikking die de voorlopige hechtenis handhaaft nietig is, heeft niet tot gevolg dat de raadkamer niet binnen de door de wet bepaalde termijn heeft beslist over de handhaving van de voorlopige hechtenis en de inverdenkinggestelde bijgevolg in vrijheid moet worden gesteld. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING ONDERZOEKSGERECHTEN Tekst van de beslissing Nr. P.22.1755.N A. T., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Caroline Heymans, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
- Het eerste middel voert schending aan van artikel 215 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 21, 22 en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest beroept zich ten onrechte op artikel 215 Wetboek van Strafvordering om zo een uitweg te vinden om, na een nietige beschikking van de raadkamer, de voorlopige hechtenis toch te handhaven; artikel 215 Wetboek van Strafvordering is enkel van toepassing op de bodemgerechten. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 20, 22 en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest had moeten vaststellen dat er binnen de termijn van één maand geen geldige beslissing werd genomen over de handhaving van de voorlopige hechtenis en had de invrijheidstelling van de eiser moeten bevelen.
- Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
- De kamer van inbeschuldigingstelling die op het hoger beroep van een inverdenkinggestelde moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, kan op grond van de devolutieve werking van dit hoger beroep oordelen dat de handhavingsbeschikking van de raadkamer nietig is omdat de raadkamer werd voorgezeten door een rechter die als onderzoeksrechter in de zaak reeds is tussengekomen en kan vervolgens zelf beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
- Het oordeel dat de raadkamerbeschikking nietig is, heeft niet tot gevolg dat de raadkamer niet binnen de door de wet bepaalde termijn heeft beslist over de handhaving van de voorlopige hechtenis en de inverdenkinggestelde bijgevolg in vrijheid moet worden gesteld.
- De omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling die de raadkamerbeslissing vernietigt, verkeerdelijk vaststelt dat zij op grond van evocatie beslist over de handhaving van de voorlopige hechtenis, maakt die beslissing niet onwettig.
- De middelen die uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960529.1 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010731.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div