id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.17 Rolnummer: P.22.1775.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-15 Raadplegingen: 567 - laatst gezien 2026-06-15 08:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Volgens artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, dat ingevolge artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet van toepassing is op de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling, moet het onderzoeksgerecht antwoorden op de conclusies van partijen en indien de partijen in hun conclusies onder vermelding van feitelijke gegevens het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld betwisten, kan het onderzoeksgerecht dat de voorlopige hechtenis handhaaft, volstaan met de precisering van de gegevens die volgens haar dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken; dat het onderzoeksgerecht niet tot in de bijzonderheden moet antwoorden op elk verweer van een inverdenkinggestelde, gelet op de korte termijn waarop het uitspraak moet doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, belet niet dat indien over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld een concreet en gedetailleerd verweer is gevoerd het onderzoeksgerecht zich niet kan beperken tot het enkele oordeel dat de aangevoerde betwistingen niet kunnen overtuigen maar het onderzoeksgerecht moet aangeven waarom de betwiste ernstige aanwijzingen van schuld wel bestaan dan wel andere ernstige aanwijzingen van schuld opgeven. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1775.N A. E.M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 december 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 en 5.4 EVRM en de artikelen 16, § 5, eerste lid, 21, § 4, en 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusie van de eiser ontwikkelde concrete verweer waarbij de aanwijzingen van schuld werden betwist; het vermeldt evenmin, hoewel daartoe uitgenodigd, in concreto de aanwijzingen van schuld voor de telastleggingen waarvoor de eiser in verdenking werd gesteld; noch het bevel tot aanhouding van 6 december 2022 noch de raadkamerbeschikking van 9 december 2022 bevatten concrete en geïndividualiseerde aanwijzingen van schuld; ingeval van een concreet en gedetailleerd verweer kan het onderzoeksgerecht zich niet beperken tot het enkele oordeel dat de door een inverdenkinggestelde aangevoerde betwistingen over de schuldaanwijzingen niet volstaan; het arrest verwijst met betrekking tot de aanwijzingen van schuld kortweg naar de vordering van de federale procureur en het vermeldt dat die niet worden ontkracht door de in eisers appelconclusie vervatte argumenten; het arrest maakt enkel melding van aanwijzingen van schuld en niet van ernstige aanwijzingen van schuld; bovendien kunnen de in de vordering van de federale procureur vermelde elementen zoals het gegeven dat de eiser de mede-inverdenkinggestelden beter kent dan wordt toegegeven geen aanwijzing van schuld opleveren. 3. Volgens artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, dat ingevolge artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet van toepassing is op de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling, moet het onderzoeksgerecht antwoorden op de conclusies van partijen. Indien de partijen in hun conclusies onder vermelding van feitelijke gegevens het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld betwisten, kan het onderzoeksgerecht dat de voorlopige hechtenis handhaaft, volstaan met de precisering van de gegevens die volgens haar dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken. 4. Dat het onderzoeksgerecht niet tot in de bijzonderheden moet antwoorden op elk verweer van een inverdenkinggestelde, gelet op de korte termijn waarop het uitspraak moet doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, belet niet dat indien over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld een concreet en gedetailleerd verweer is gevoerd het onderzoeksgerecht zich niet kan beperken tot het enkele oordeel dat de aangevoerde betwistingen niet kunnen overtuigen. Het onderzoeksgerecht moet aangeven waarom de betwiste ernstige aanwijzingen van schuld wel bestaan dan wel andere ernstige aanwijzingen van schuld opgeven. 5. De eiser heeft in zijn appelconclusie (p. 5-9, punten III.2.1-III.2.10) een concreet verweer gevoerd betreffende de aanwijzingen van schuld tegen de eiser die zijn opgesomd in de vordering van het openbaar ministerie (arrest, p. 8-10) en meer in het bijzonder betreffende de communicaties, ontmoetingen en contacten met andere in het dossier genoemde personen. 6. Met de loutere overname door het arrest (p. 15, randnr. 4, eerste alinea) van de in de schriftelijke vordering van de federale procureur vermelde schuldaanwijzingen en het oordeel dat die niet worden ontkracht door de in de appelconclusie opgenomen argumenten (arrest, p. 15, laatste alinea), voldoet het arrest niet aan de door de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet voorgeschreven motiveringsplicht. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 171,16 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.17 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.