← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.21 Rolnummer: P.23.0031.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-01-19 Raadplegingen: 601 - laatst gezien 2026-06-15 07:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De kamer van inbeschuldigingstelling die de voorlopige hechtenis in hoger beroep handhaaft, kan weliswaar het oordeel dat voldaan is aan de voorwaarde van artikel 16, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, dat bepaalt dat een bevel tot aanhouding slechts kan verleend worden ingeval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid, gronden op de redenen waarmee zij oordeelt dat voldaan is aan een of meerdere voorwaarden van artikel 16, § 1, vierde lid, van die wet, maar dat belet niet dat het arrest uitdrukkelijk moet vermelden dat voldaan is aan de eerst vermelde voorwaarde en waarom dat zo is; dat oordeel en die redenen kunnen immers niet zonder meer worden afgeleid uit de andere redenen van de beslissing. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, eerste lid, 22, zesde lid, en 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, eerste lid, 22, zesde lid, en 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0031.N B. K., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 1 en § 5, 22, 23 en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest gaat nergens na of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, zoals vereist door artikel 16, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet; het beperkt zich ertoe deze noodzaak na te gaan aan de hand van de bijkomende criteria van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet; evenwel moet het onderzoeksgerecht in eerste instantie toetsen of de verdere handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid; indien zoals hier de maximumstraf niet hoger ligt dan 15 jaar gevangenisstraf, moet er daarnaast minstens één bijkomend criterium als bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet voorhanden zijn.
  3. Op grond van de artikelen 22, zesde lid, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt in hoger beroep of er tegen de verdachte ernstige aanwijzingen van schuld blijven bestaan en of er met artikel 16, § 1, overeenstemmende redenen voorhanden zijn om de hechtenis te handhaven of de modaliteit van uitvoering ervan te wijzigen. Op grond van artikel 16, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeksrechter slechts een bevel tot aanhouding verlenen in geval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid. Indien het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting niet te boven gaat en er geen sprake is van bepaalde terroristische misdrijven, moeten er op grond van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bovendien ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden. Op grond van artikel 16, § 5, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bevat het bevel tot aanhouding de opgave van het feit waarvoor het wordt verleend, vermeldt het de wetsbepaling die bepaalt dat het feit een misdaad of een wanbedrijf is en stelt het het bestaan vast van ernstige aanwijzingen van schuld. Het tweede lid van die paragraaf bepaalt dat de rechter in het bevel tot aanhouding de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte vermeldt, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in paragraaf
  4. De kamer van inbeschuldigingstelling die de voorlopige hechtenis in hoger beroep handhaaft, kan weliswaar het oordeel dat voldaan is aan de voorwaarde van artikel 16, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet gronden op de redenen waarmee zij oordeelt dat voldaan is aan een of meerdere voorwaarden van artikel 16, § 1, vierde lid, van die wet, maar dat belet niet dat het arrest uitdrukkelijk moet vermelden dat voldaan is aan de eerst vermelde voorwaarde en waarom dat zo is. Dat oordeel en die redenen kunnen immers niet zonder meer worden afgeleid uit de andere redenen van de beslissing.
  5. Het arrest vermeldt weliswaar aan de hand van een geheel van feitelijke omstandigheden eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de eiser waarom er lastens de eiser nog ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, waarom er in geval van de invrijheidstelling van de eiser ernstige risico’s op recidive, onttrekking of collusie bestaan en waarom die gevaren niet kunnen worden ondervangen door het toestaan van detentievervangende maatregelen. Het vermeldt evenwel nergens dat de vrijheidsberoving van de eiser volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. Aldus verantwoordt het de beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, vereist geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dat het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 238,15 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.