← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.3 Rolnummer: P.22.1395.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-01-19 Raadplegingen: 902 - laatst gezien 2026-06-15 07:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Om te bepalen of een beslissing op tegenspraak of bij verstek is gewezen, dient geen rekening te worden gehouden met de omschrijving die de rechter geeft aan de voor hem gevoerde rechtspleging, maar met de stukken waaruit blijkt dat partijen al dan niet het debat hebben bijgewoond en hun vorderingen, verweermiddelen en excepties hebben kunnen aanvoeren; een beslissing is ten aanzien van een beklaagde op tegenspraak gewezen wanneer hij, persoonlijk of vertegenwoordigd door een advocaat, op de rechtszitting is verschenen en daar aanwezig is gebleven in alle stadia van de rechtspleging waarin er te zijnen laste vorderingen, argumenten of bewijsmiddelen zijn aangevoerd, zodat hij zijn verweer daartegen vrij heeft kunnen voeren

(1).
(1)Zie Cass. 21 november 2017, AR P.16.1178.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.4, AC 2017, nr. 659; Cass. 21 januari 2015, AR P.14.1418.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150121.3, AC 2015, nr. 51; Cass. 2 april 2014, AR P.13.1914.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140402.4, AC 2014, nr. 258, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 10 januari 2012, AR P.11.1507.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.7, AC 2012, nr. 20; Cass. 24 maart 2010, AR P.10.0284.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.4, AC 2010, nr. 213, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen VERZET Fiches 3 - 4 Het staat aan de rechter die is gelast met het verzet van de beklaagde te oordelen of een beslissing waartegen verzet is aangetekend op tegenspraak of bij verstek is gewezen; bij die beoordeling kan die rechter op verzet enkel gegevens betrekken die blijken uit de stukken van de rechtspleging die heeft geleid tot de beslissing waartegen verzet is aangetekend en het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen VERZET Tekst van de beslissing Nr. P.22.1395.N I-II S. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 april 2021 (hierna arrest I) en 23 februari 2022 (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, tegen het arrest I en tegen het arrest II telkens een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Cassatieberoep II Middel tegen het arrest II
  1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 186, 187, § 5, en 208 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak en een motiveringsgebrek: het arrest II beslist dat het arrest I op tegenspraak is gewezen en verklaart eisers verzet tegen het arrest I bijgevolg niet ontvankelijk; de appelrechters hebben bij arrest op tegenspraak van 12 februari 2021 het debat heropend tegen de rechtszitting van 24 maart 2021; op die rechtszitting is de zaak in afwezigheid van de eiser verder behandeld en is onder meer het openbaar ministerie gehoord; aldus is het arrest I bij verstek gewezen ten aanzien van de eiser; dit is terecht vastgesteld in het arrest van het Hof van 28 september 2021 in de zaak P.21.0700.N, waarbij aan de eiser akte is verleend van de afstand zonder berusting van zijn cassatieberoep tegen het arrest I; het standpunt in het arrest II dat op de rechtszitting van 24 maart 2021 geen elementen aan bod kwamen die betrekking hadden op de eiser, doet daaraan geen afbreuk; de eiser kan immers niet weten wat precies op die rechtszitting aan bod is gekomen en het is niet aan de rechter maar aan de partij zelf om te oordelen of de gezegden op een rechtszitting nog een verweer van deze laatste behoeven; het arrest II oordeelt alleszins ten onrechte dat het debat op de rechtszitting van 24 maart 2021 beperkt is gebleven tot een verweer van medebeklaagde C. om bewijs à décharge te verkrijgen uit een op die beklaagde uitgevoerde observatie; uit het arrest I blijkt integendeel dat de betwisting over de regelmatigheid van die observatie verband hield met de beoordeling van de regelmatigheid van bewijs à charge en het al dan niet weren van dat bewijs op grond van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; uit geen van de arresten blijkt dat dit bewijs à charge niet in aanmerking is genomen voor de schuldbeoordeling van de eiser; aldus kan het Hof zijn wettigheidstoezicht niet uitoefenen.
  2. Om te bepalen of een beslissing op tegenspraak of bij verstek is gewezen, dient geen rekening te worden gehouden met de omschrijving die de rechter geeft aan de voor hem gevoerde rechtspleging, maar met de stukken waaruit blijkt dat partijen al dan niet het debat hebben bijgewoond en hun vorderingen, verweermiddelen en excepties hebben kunnen aanvoeren.
  3. Een beslissing is ten aanzien van een beklaagde op tegenspraak gewezen wanneer hij, persoonlijk of vertegenwoordigd door een advocaat, op de rechtszitting is verschenen en daar aanwezig is gebleven in alle stadia van de rechtspleging waarin er te zijnen laste vorderingen, argumenten of bewijsmiddelen zijn aangevoerd, zodat hij zijn verweer daartegen vrij heeft kunnen voeren.
  4. Het staat aan de rechter die is gelast met het verzet van de beklaagde tegen de navolgende beslissing daarover te oordelen. Bij die beoordeling kan die rechter op verzet enkel gegevens betrekken die blijken uit de stukken van de rechtspleging die heeft geleid tot de beslissing waartegen verzet is aangetekend.
  5. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  6. De eiser werd onder meer samen met de beklaagde C. vervolgd voor de feiten omschreven onder de telastlegging R.1, namelijk het deel uitmaken van een criminele organisatie in de periode van 1 november 2018 tot en met 27 juni
  7. Bij tussenarrest van 12 februari 2021 hebben de appelrechters vastgesteld dat het openbaar ministerie werd gehoord in zijn vordering en de aanwezige partijen over hun grieven in de door de voorzitter bepaalde volgorde overeenkomstig artikel 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Zij hebben ook uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen en de saisine van het appelgerecht en beslist dat het hof van beroep bevoegd was. Met dit tussenarrest werd verder alvorens ten gronde uitspraak te doen ambtshalve het debat heropend, het openbaar ministerie verzocht om alle processen-verbaal betreffende de observatie van de beklaagde C. en of zijn voertuig Mercedes met de vermelde nummerplaat te voegen bij het strafdossier en werd de zaak daartoe vastgesteld op de rechtszitting van 24 maart
  8. Het tussenarrest vermeldt geen andere beslissingen. Het vermeldt ook niet dat de heropening van het debat enkel betrekking had op de beklaagde C.
  9. Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 24 maart 2021: - verschenen de beklaagde C., alsook de beklaagde I. en werd de beklaagde B. door zijn raadsman vertegenwoordigd; - verscheen de eiser niet noch iemand voor hem; - werd de zaak verder behandeld na de met het vermelde tussenarrest bevolen heropening van het debat; - werd voor de beklaagde C. een tolk benoemd; - werd het openbaar ministerie gehoord en meldde het openbaar ministerie aan alle partijen dat het betreffende proces-verbaal door de FGP bij vergetelheid nooit werd opgesteld en aldus niet bestond; - zegde het openbaar ministerie dat dit proces-verbaal van observatie niet noodzakelijk was voor de waarheidsvinding; - werd de beklaagde C. hierover gehoord in zijn door zijn raadsman ontwikkelde middelen, waarbij werd aangevoerd dat het recht van verdediging van deze beklaagde was miskend, omdat het geplaatste baken zijn onschuld had kunnen aantonen; - werd de beklaagde C. in persoon gehoord; - heeft het onderzoek plaats gehad volgens de voorschriften van de artikelen 190 en 210 Wetboek van Strafvordering; - werd de zaak in beraad genomen. Dit proces-verbaal vermeldt niet dat het debat beperkt bleef tot de behandeling van de tegen de beklaagde C. ingestelde strafvervolging.
  10. Het arrest I (nr. 4.2.c, p. 25-28) stelt vast en oordeelt onder meer dat: - de beklaagde C. bij beroepsconclusie terecht aanvoerde dat uit de stukken van het strafdossier blijkt dat er een observatiemaatregel op hem werd bevolen, namelijk dat een baken werd geplaatst op zijn voertuig, maar dat in het strafdossier geen proces-verbaal is terug te vinden met betrekking tot die observatie; - bij tussenarrest van 12 februari 2021 het debat ambtshalve is heropend met het verzoek aan het openbaar ministerie om alle processen-verbaal over de observatie van de beklaagde C. of van zijn voertuig te voegen aan het strafdossier; - de zaak vervolgens in voortzetting is gesteld naar de rechtszitting van 24 maart 2021, waarop het openbaar ministerie heeft meegedeeld dat de politie bij vergissing geen proces-verbaal over die observatie heeft opgesteld; - de resultaten van de observatie op de beklaagde C. op onregelmatige wijze werden verkregen omdat er geen apart proces-verbaal van die observatie werd opgesteld hoewel er naar de resultaten ervan wordt verwezen; - die onregelmatigheid, gelet op de concrete omstandigheden voor wat betreft de beklaagde C., niet leidt tot bewijsuitsluiting met toepassing van de criteria vermeld in artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; - geen enkel argument in de appelconclusie van de beklaagde C. van aard is om het hof van beroep anders te doen besluiten of pertinent is. Vervolgens vermeldt het arrest I (dictum, p. 46-49): “Beslist op grond van de hoger vermelde redenen binnen de perken van de reeds ontvankelijk verklaarde hogere beroepen en binnen de begrensde omvang van het hoger beroep zoals bepaald bij tussenarrest van dit hof (van beroep) van 12 februari 2021, op tegenspraak, met eenparigheid van stemmen” en veroordeelt het de eiser wegens de wat hem betreft enige telastlegging R.
  11. Het arrest II (nr. 4, p. 7-11) verklaart vervolgens het door de eiser ingestelde verzet tegen het arrest I niet-ontvankelijk omdat het arrest I op tegenspraak is gewezen. Het steunt die beslissing onder meer op de volgende gronden: - de zaak werd op de rechtszitting van 20 januari 2021 volledig behandeld. Het openbaar ministerie werd gehoord in zijn vordering en de eiser, bijgestaan door zijn raadsman, heeft daar net als de overige beklaagden alle verweermiddelen kunnen aanvoeren en alle bezwaren kunnen weerleggen en hij heeft op alle argumenten kunnen reageren; - op de rechtszitting van 24 maart 2021 kwamen geenszins elementen aan bod die betrekking hadden op de eiser; - de heropening van het debat in het tussenarrest vond zijn oorzaak in het middel opgeworpen in de appelconclusie van de beklaagde C. dat in het ganse strafdossier geen proces-verbaal terug te vinden was met betrekking tot een op hem uitgevoerde observatie en dit proces-verbaal moest worden gevoegd omdat hij meende hieruit elementen à décharge te kunnen puren, namelijk zijn niet-aanwezigheid op cruciale data, wat zijn onschuld kan aantonen; - op de rechtszitting van 24 maart 2021 werd de zaak verdergezet, maar evident had deze verderzetting enkel nog betrekking op het middel van de beklaagde C. strekkende tot het verkrijgen van bewijs à décharge wat hem betreft en hadden de andere beklaagden die het arrest vermeldt geen belang bij dit deel van het proces, reden waarom zij niet erop zijn verschenen; - op de rechtszitting van 24 maart 2021 zijn geen nieuwe stukken neergelegd of bijkomende vorderingen gesteld door het openbaar ministerie, dat enkel meedeelde dat het gevraagde proces-verbaal van observatie niet bestond maar dit niet noodzakelijk was voor de waarheidsvinding, waarna de beklaagde C. en zijn raadsman kort hun standpunt herhaalden zoals reeds uiteengezet op de rechtszitting van 20 januari 2021 in aanwezigheid van alle partijen.
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de heropening van het debat bevolen bij het tussenarrest van 12 februari 2021 beperkt was tot behandeling van de tegen de beklaagde C. ingestelde strafvordering. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 24 maart 2021 blijkt dat het openbaar ministerie werd gehoord en aan alle partijen heeft gemeld dat het proces-verbaal betreffende de op de beklaagde C. verrichte observatie bij vergetelheid nooit werd opgesteld en niet bestaat en dat dit proces-verbaal niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Daaruit volgt dat het openbaar ministerie op die rechtszitting een gegeven heeft aangevoerd dat ook voor de eiser was bestemd en relevant kon zijn voor zijn verdediging.
  13. Het arrest II kan dan ook niet wettig oordelen dat de eiser geenszins cruciale delen van het proces heeft gemist waarop gegevens tegen hem werden aangebracht, dat hij alle bezwaren heeft kunnen weerleggen, dat hij op alle argumenten die hem betroffen heeft kunnen reageren en al zijn verweermiddelen heeft kunnen aanvoeren, zodat het proces ten aanzien van hem wel degelijk op tegenspraak geschiedde. Het middel is in zoverre gegrond. Cassatieberoep I Ontvankelijkheid
  14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het cassatieberoep I is ingesteld tijdens de gewone termijn van verzet. Het cassatieberoep I is bij toepassing van artikel 424 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest II. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep I. Veroordeelt de eiser tot de kosten van het cassatieberoep I. Houdt de beslissing over de kosten van het cassatieberoep II aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten in het geheel op 445,61 euro, waarvan op het cassatieberoep I 87,75 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 357,86 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140402.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150121.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.