id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4 Rolnummer: P.22.1076.N Zaak: D. contra W. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-01-19 Raadplegingen: 1116 - laatst gezien 2026-06-19 00:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 De loyaliteit van het openbaar ministerie en de politieambtenaren veronderstelt dat alle opsporingsgegevens à charge en à décharge bij het strafdossier worden gevoegd en die loyaliteit wordt weliswaar vermoed, maar de beklaagde kan aannemelijk maken dat zij in een bepaald geval niet is geëerbiedigd en dat zijn recht op een eerlijk proces daardoor onherroepelijk is aangetast
(1); een vergissing of vergetelheid wijst echter nog niet op een miskenning van de loyaliteitsplicht en evenmin wordt het recht op een eerlijk proces onherroepelijk miskend doordat geen inhoudelijke tegenspraak meer mogelijk is over enig welk opsporingsgegeven dat de verbalisanten onder ogen hebben gehad zonder dat het nog beschikbaar is.
(1)Zie Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, AC 2022, nr. 708, met concl. van advocaat-generaal B. De Smet, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen OPENBAAR MINISTERIE POLITIE RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Fiches 5 - 7 Het enkele feit dat een verbalisant in zijn aanvankelijk proces-verbaal niet heeft vermeld dat hij camerabeelden van de plaats van de nadien vervolgde feiten heeft bekeken en dat hij die beelden niet als bewijsstuk heeft laten bewaren omdat zij hem, zoals toegelicht in zijn navolgend proces-verbaal, kennelijk niets leken bij te brengen over de feiten, impliceert nog niet dat die verbalisant zijn loyaliteitsplicht heeft miskend of dat het recht op een eerlijk proces van de beklaagde met inbegrip van zijn recht op tegenspraak onherroepelijk is miskend; de rechter beoordeelt aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak onaantastbaar welk gevolg deze omstandigheid heeft voor het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd en het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Tekst van de beslissing Nr. P.22.1076.N J.L.C. D.CH. D. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, tegen E. W., Moleneind 19, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. August Blomme, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.b EVRM: het arrest stelt ten onrechte niet vast dat eisers recht op tegenspraak is miskend door het niet-neerleggen van de camerabeelden; de beklaagde moet immers kunnen beschikken over alle stukken à charge of à décharge waarover de vervolgende partij beschikt; door het feit dat de camerabeelden niet beschikbaar waren, kon de eiser deze niet onderzoeken of laten onderzoeken.
- De loyaliteit van het openbaar ministerie en de politieambtenaren veronderstelt dat alle opsporingsgegevens à charge en à décharge bij het strafdossier worden gevoegd. Die loyaliteit wordt weliswaar vermoed, maar de beklaagde kan aannemelijk maken dat zij in een bepaald geval niet is geëerbiedigd en dat zijn recht op een eerlijk proces daardoor onherroepelijk is aangetast. Een vergissing of vergetelheid wijst echter nog niet op een miskenning van de loyaliteitsplicht. Evenmin wordt het recht op een eerlijk proces onherroepelijk miskend doordat geen inhoudelijke tegenspraak meer mogelijk is over enig welk opsporingsgegeven dat de verbalisanten onder ogen hebben gehad zonder dat het nog beschikbaar is.
- Het enkele feit dat een verbalisant in zijn aanvankelijk proces-verbaal niet heeft vermeld dat hij camerabeelden van de plaats van de nadien vervolgde feiten heeft bekeken en dat hij die beelden niet als bewijsstuk heeft laten bewaren omdat zij hem, zoals toegelicht in zijn navolgend proces-verbaal, kennelijk niets leken bij te brengen over de feiten, impliceert nog niet dat die verbalisant zijn loyaliteitsplicht heeft miskend of dat het recht op een eerlijk proces van de beklaagde met inbegrip van zijn recht op tegenspraak onherroepelijk is miskend.
- De rechter beoordeelt aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak onaantastbaar welk gevolg deze omstandigheid heeft voor het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest neemt de volgende redenen over van het beroepen vonnis: - de verweerster is, gelet op een geheel van nader vermelde feitelijke omstandigheden, geloofwaardig in haar aangifte dat de eiser haar op intieme plaatsen heeft betast toen beiden zich bevonden in een groep mensen die zich ter gelegenheid van een studentenfeest had verzameld in de O. te G.; - de eiser werpt de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering op omdat zijn rechten onherroepelijk zouden zijn miskend door het feit dat de camerabeelden van de O. niet meer beschikbaar zijn; - de onderzoekers hebben in het proces-verbaal van 2 april 2021 verduidelijkt dat zij naar aanleiding van de aangifte van de feiten nazicht hebben gedaan naar mogelijke camerabeelden waarop de feiten te zien zouden zijn; - uit de strafinformatie blijkt dat het die avond bijzonder druk was in de O., wat door de verdediging zelf wordt erkend; - het is van algehele bekendheid dat het raadplegen van de camerabeelden in een dergelijk geval vaak geen bruikbare informatie oplevert ingevolge het gebrek aan zuivere beelden en de onmogelijkheid om ten gevolge van de heersende drukte enige persoon te herkennen of relevante feiten waar te nemen; - de onderzoekers melden dat deze omstandigheid zich in casu ook heeft voorgedaan, ondanks het feit dat zij de beelden vanuit verschillende standpunten hebben bekeken; - er is geen reden om deze melding in twijfel te trekken. De onderzoekers worden vermoed loyaal te zijn bij het voeren van hun onderzoek en het tegenovergestelde wordt door de verdediging allerminst aannemelijk gemaakt; - de niet-vermelding van het opvragen van de camerabeelden in het aanvankelijk proces-verbaal betreft, vertrekkende vanuit hetzelfde vermoeden van loyaliteit, een loutere vergetelheid die het gevolg is van de vaststelling dat deze onderzoekspiste geen enkele relevante informatie had opgeleverd bij gebrek aan bruikbare beelden. Het arrest vervolledigt die redenen met onder meer de volgende eigen redenen: - uit de vermelde omstandigheden afleiden dat er bruikbare beelden voorhanden waren en dat het onderzoek daarop negatief bleek voor wat betreft de aan de eiser verweten feiten, geeft van de vermeldingen in het proces-verbaal een uitlegging die onverenigbaar is met de inhoud en de impliciete betekenis daarvan; - uit de voormelde vaststellingen volgt immers dat de bedoelde beeldopnamen niet dienstig konden zijn als bewijs ten laste en evenmin als bewijs ten ontlaste, zodat zij niet van aard konden zijn om de strafrechter in deze of gene richting te beïnvloeden voor wat betreft de schuld van de eiser aan de feiten; - het niet-vermelden van dergelijke vaststellingen kan niet leiden tot de conclusie dat het opsporingsonderzoek deloyaal werd gevoerd; - voor het overige verduidelijkt de eiser niet - wanneer vaststaat dat de bedoelde gegevens niet dienstig konden zijn als bewijs ten laste en evenmin als bewijs ten ontlaste - hoe zijn situatie wat betreft de uitoefening van zijn recht van verdediging nadeliger is wanneer deze vaststelling niet vermeld is in het opsporingsonderzoek, dan wanneer deze vaststelling wel vermeld zou zijn geweest in het opsporingsonderzoek.
- Op grond van die redenen konden de appelrechters wettig oordelen dat eisers recht op tegenspraak over het geheel van het proces beschouwd niet onherroepelijk is miskend door het niet-voegen bij het strafdossier van de door de verbalisanten bekeken camerabeelden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest oordeelt dat het opsporingsonderzoek niet deloyaal werd gevoerd en het recht van verdediging van de eiser niet onherstelbaar werd miskend door de enkele omstandigheid dat de verbalisanten in hun aanvankelijk proces-verbaal niet hebben vermeld dat zij nazicht hadden gedaan van de bewakingscamera’s op de plaats van de feiten en dat zij daarbij geen relevante beeldopnamen hadden vastgesteld, aangezien die beelden volgens de toelichting verschaft in het navolgend proces-verbaal nr. 02376/21 onzuiver waren en niet toelieten om in de massa personen te herkennen of feiten vast te stellen, zodat zij hoe dan ook niet dienstig waren als bewijs à charge of à décharge; daarmee beantwoordt het arrest niet eisers verweer dat het voor hem ingevolge het niet-neerleggen van de camerabeelden onmogelijk is om over die beelden tegenspraak te voeren, wat een manifeste en onherstelbare miskenning van zijn recht op een eerlijk proces inhoudt.
- Uit het geheel van de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat de appelrechters van oordeel zijn dat eisers recht op een eerlijk proces niet onherroepelijk is miskend doordat hij geen tegenspraak meer kan voeren over de niet meer beschikbare camerabeelden, gelet op de aannemelijk bevonden vaststelling van de verbalisanten dat die beelden materieel onbruikbaar waren als bewijs in enige zin. Aldus beantwoordt het arrest niet enkel eisers verweer over het aanvankelijk onvermeld laten van het bekijken van de camerabeelden, maar ook eisers verweer over de gevolgen van het niet meer beschikbaar zijn van die beelden voor zijn recht op tegenspraak. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.b EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 28bis, § 3, Wetboek van Strafvordering: de beslissing dat de loyaliteit van het opsporingsonderzoek niet is miskend, steunt op redenen die niet wettig tot die beslissing kunnen leiden, namelijk dat de eiser de vaststellingen in het navolgend proces-verbaal nr. 023762/21 als zodanig niet betwist of van valsheid beticht; daardoor wordt aan de eiser een onmogelijke voorwaarde opgelegd; de betwisting van de eiser bestond immers net erin dat de deloyale samenstelling van het strafdossier hem de tegenspraak over de niet-gevoegde en inmiddels verloren gegane camerabeelden onmogelijk maakt; vaststellingen over niet voor de verdediging toegankelijke stukken kunnen niet zinvol worden betwist of van valsheid beticht; de eiser kan in dat geval slechts akte nemen van die vaststellingen en van het feit dat zij niet voor tegenspraak vatbaar zijn, wat hij hier heeft aangevoerd (eerste onderdeel); ten onrechte koppelt het arrest aan een betwisting met betrekking tot de loyaliteit van het onderzoek, gebaseerd op een miskenning van het schriftelijk karakter van dat onderzoek en de teloorgang van het onderzochte object, de voorwaarde dat de vaststellingen van de verbalisanten moeten worden betwist of van valsheid worden beticht; deze voorwaarde opgelegd aan de verdediging heeft geen wettelijke basis en is de facto onmogelijk; immers kunnen vaststellingen van verbalisanten over onderzoekshandelingen die ze in het verleden hebben gesteld met betrekking tot verdwenen, niet aan het dossier gevoegde overtuigingsstukken onmogelijk worden betwist of van valsheid beticht; er is immers geen tegenspraak te voeren over beelden die enkel voor de onderzoekers zichtbaar zijn geweest (tweede onderdeel).
- Het arrest steunt de bekritiseerde beslissing niet enkel op de in het middel aangevoerde reden, maar op het geheel van redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel, die dit middel niet in de kritiek betrekt. Het middel berust in zijn beide onderdelen op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250121.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div