id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 327
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 21 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen:
Art. 327
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 21 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:
Art. 327
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 21 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 6 Bedreiging is enkel strafbaar in zoverre daaruit een welomlijnd misdadig opzet blijkt; bijgevolg is vereist dat de voorwaarde waarvan de dader de uitvoering van de mondeling aangekondigde aanslag afhankelijk stelt, dit is de verplichting die de dader aan het slachtoffer oplegt om iets af te geven of iets al dan niet te doen op straffe van het toebrengen van het aangekondigde kwaad, uitdrukkelijk blijkt uit hetgeen daadwerkelijk is gezegd; een impliciete voorwaarde die enkel kan worden afgeleid uit de context van de gebruikte bewoordingen volstaat niet; het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of er al dan niet ernstige aanwijzingen zijn dat er sprake is van een uitdrukkelijk gestelde voorwaarde; het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt
(1).
(1)Cass. 20 december 2006, AR P.06.0807.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061220.4, AC 2006, nr. 666, RW 2007-08, 576 noot T. VANDROMME; T. VANDROMME, “Bedreigingen (art. 327-331bis Sw.)”, in Comm. Sr. 2019, 11. Thesaurus CAS: BEDREIGINGEN Wettelijke bepalingen:
Art. 327
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 21 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen:
Art. 327
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 21 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:
Art. 327
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 21 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 7 Artikel 442bis Strafwetboek stelt strafbaar hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren; deze bepaling bestraft degene die door niet-aflatende of steeds terugkerende gedragingen iemands persoonlijke levenssfeer ernstig aantast door hem op irritante wijze lastig te vallen, daar waar hij dit gevolg van zijn gedrag kende of had moeten kennen
(1); de hier bedoelde gedragingen kunnen zich voordoen op eenzelfde dag.
(1)Over de ernst van de belaging Cass. 22 juni 2016, AR P.15.0001.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160622.1, AC 2016, nr. 415; Cass. 29 oktober 2013, AR P.13.1270.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131029.6, AC 2013, nr. 563, NJW 2014, 406; Cass. 7 juni 2011, AR P.10.1850.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.7, AC 2011, nr. 381; Cass. 8 september 2010, AR P.10.0523.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100908.5, AC 2010, nr. 503; F. DHONT, “Belaging”, in Comm. Sr. 2004, 8-9; F. DERUYCK en A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2019, 368-373; T. HENRION, “Harcèlement”, in Memento de droit pénal, Kluwer, 2021, 350-352; Concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE in de zaak Cass. 26 oktober 2022, AR P.22.0910.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221026.2F.9, AC 2022, nr. 684, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221026.2F.9. Thesaurus CAS: BELAGING Wettelijke bepalingen:
Art. 442bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.0025.N S. M. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie Brugge. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, en 21, § 4 en § 5, Voorlopige Hechteniswet en artikel 327 Strafwetboek: het arrest neemt ten onrechte aan dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de eiser zijn advocaat mondeling met de dood heeft bedreigd onder een voorwaarde; de voorwaarde werd immers niet uitgedrukt ten aanzien van het slachtoffer; bijgevolg oordeelt het arrest ten onrechte dat het bevel tot aanhouding regelmatig is.
- Om strafbaar te zijn in de zin van artikel 327, eerste lid, Strafwetboek moet de bedreiging, met inbegrip van het bevel of de voorwaarde waaronder zij is gedaan, niet tegenover de bedreigde persoon zelf zijn geuit. Het volstaat dat die bedreiging gekend is door de bedreigde persoon of dat ze ten minste van zulke aard is dat ze door hem kan zijn gekend. Dit is onder meer het geval wanneer de bedreiging is geuit in omstandigheden waarin zij de bedreigde persoon logischerwijze zou bereiken. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of er ernstige aanwijzingen zijn dat dit het geval is. Het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt onder meer dat: - er op grond van de concrete dossiergegevens ernstige aanwijzingen zijn dat de eiser zijn advocaat mondeling, onder een bevel of onder een voorwaarde, bedreigde met een aanslag op personen waarop een criminele straf is gesteld (telastlegging A) en dat hij het slachtoffer belaagde (telastlegging B); - die aanwijzingen van schuld onder meer blijken uit de oproep van de eiser naar de noodcentrale, de mededelingen van de eiser aan de politie bij hun aankomst aan de woning van de eiser en de verklaring van het slachtoffer; - de verbalisanten immers noteerden dat de eiser bij hun aankomst aan zijn woning onder meer meedeelde dat hij zijn advocaat zal vermoorden, dat zijn advocaat slachtoffer zou worden van alle onrecht dat de Belgische Staat hem heeft aangedaan en dat hij zijn geld terug wil van zijn advocaat, alsook dat de eiser in de aanwezigheid van zijn vrouw blijft volharden dat hij zijn advocaat zal vermoorden “als alles deze avond niet wordt opgelost”. Hieruit blijken aanwijzingen dat de bedreigingen onder een voorwaarde werden gedaan; - de advocaat aan de politie meedeelde dat zij al vanaf 17.00 uur verschillende telefonische contacten had met de eiser en dat die haar bedreigde; - de advocaat tijdens haar verhoor onder meer verklaarde dat de eiser op 13 december 2022 dreigde dat hij haar en haar familie iets zou aandoen en dat hij naar haar huis ging komen, alsook dat zij van slag was en zich niet meer veilig voelde. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er ernstige aanwijzingen bestaan dat de eiser het slachtoffer heeft bedreigd in de zin van artikel 327, eerste lid, Strafwetboek en dat het bevel tot aanhouding regelmatig is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, en 21, § 4 en § 5, Voorlopige Hechteniswet en artikel 327 Strafwetboek: het arrest neemt ten onrechte aan dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de eiser zijn advocaat mondeling met de dood heeft bedreigd onder een bevel of een voorwaarde; de zinssnede “als alles deze avond niet wordt opgelost” is niet afdoende concreet en dus daadwerkelijk om te gelden als voorwaarde; wanneer de voorwaarde niet concreet is en de context dient te worden betrokken om ze daadwerkelijk te kunnen begrijpen, is niet voldaan aan dit constitutief bestanddeel van artikel 327 Strafwetboek.
- Bedreiging is enkel strafbaar in zoverre daaruit een welomlijnd misdadig opzet blijkt. Bijgevolg is vereist dat de voorwaarde waarvan de dader de uitvoering van de mondeling aangekondigde aanslag afhankelijk stelt, dit is de verplichting die de dader aan het slachtoffer oplegt om iets af te geven of iets al dan niet te doen op straffe van het toebrengen van het aangekondigde kwaad, uitdrukkelijk blijkt uit hetgeen daadwerkelijk is gezegd. Een impliciete voorwaarde die enkel kan worden afgeleid uit de context van de gebruikte bewoordingen volstaat niet. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of er al dan niet ernstige aanwijzingen zijn dat er sprake is van een uitdrukkelijk gestelde voorwaarde. Het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Het arrest oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel en, met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie, meer in het bijzonder dat: “[De eiser] laat duidelijk verstaan dat hij 900 euro (een eerder betaalde provisie) terug wil van zijn advocaat. Verbalisanten akteren dat hij, in aanwezigheid van zijn vrouw, blijft volharden dat hij zijn advocaat zal vermoorden als alles deze avond niet wordt opgelost. Hij is bereid mee te gaan met de politie en zegt dat de procureur des Konings hem straks zal vrijlaten, waarna hij alsnog zijn advocaat zal vermoorden.”
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de eiser de uitvoering van zijn bedreiging heeft doen afhangen van een uitdrukkelijk en concreet geformuleerde voorwaarde, namelijk de betaling door het slachtoffer van een geldsom op dezelfde dag, en dat het bevel tot aanhouding bijgevolg regelmatig is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest neemt aan dat er lastens de eiser ernstige aanwijzingen van schuld voor de belaging van zijn advocaat bestaan voor een incriminatieperiode van 19 november 2022 tot en met 13 december 2022, dit is met inbegrip van de periode van 19 november 2022 tot en met 12 december 2022; daarmee miskent het arrest de bewijskracht van de verklaring van het slachtoffer dat er enkel een verstoring van haar rust zou zijn geweest op 13 december
- Artikel 442bis Strafwetboek stelt strafbaar hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren. Deze bepaling bestraft degene die door niet-aflatende of steeds terugkerende gedragingen iemands persoonlijke levenssfeer ernstig aantast door hem op irritante wijze lastig te vallen, daar waar hij dit gevolg van zijn gedrag kende of had moeten kennen. De hier bedoelde gedragingen kunnen zich voordoen op eenzelfde dag.
- Het arrest oordeelt dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de eiser de rust van het slachtoffer ernstig heeft verstoord door zijn herhaalde bedreigende oproepen en spraakberichten op 13 december
- Dat oordeel volstaat voor de handhaving van eisers voorlopige hechtenis wegens de belaging van het slachtoffer. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, en 21, § 4 en § 5, Voorlopige Hechteniswet en artikel 442bis Strafwetboek: het arrest neemt ten onrechte aan dat er lastens de eiser ernstige aanwijzingen van schuld bestaan met betrekking tot alle constitutieve bestanddelen van de belaging van het slachtoffer; het voeren van diverse telefonische oproepen en een beantwoorde oproep en vier voicemailberichten, in een periode van 17.00 uur tot maximaal 18.35 uur, kan geenszins worden beschouwd als een ernstige verstoring van de rust van het slachtoffer; bij de beoordeling van dit bestanddeel mag er niet te zeer worden uitgegaan van de persoonlijke ervaring van het slachtoffer, op gevaar het misdrijf afhankelijk te maken van subjectieve elementen; het arrest dat oordeelt dat de ernstige aanwijzingen inzake de ernstige verstoring enkel en alleen blijken uit de verklaring van het slachtoffer en haar perceptie van de feiten, miskent voormeld constitutief bestanddeel vereist voor het voltrekken van het misdrijf belaging.
- Het arrest steunt de vaststelling dat er ernstige aanwijzingen bestaan dat de eiser het slachtoffer heeft belaagd niet enkel op de subjectieve indrukken van het slachtoffer, maar ook op de inhoud van zijn oproep aan de noodcentrale en zijn gedrag en gezegden ten overstaan van de verbalisanten, zoals die blijken uit de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Het arrest kan uit de gegevens die het onderdeel vermeldt, wettig afleiden dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de eiser de rust van het slachtoffer ernstig heeft verstoord in de zin van artikel 442bis Strafwetboek en dat het bevel tot aanhouding regelmatig is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061220.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100908.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110607.7 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131029.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160622.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221026.2F.9 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221026.2F.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div