id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 8 - 10 De verjaring van de strafvordering voor de verschillende afzonderlijk strafbare feiten die het voorwerp uitmaken van een voortgezet misdrijf in de zin van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, neemt in de regel voor al deze feiten een aanvang vanaf het laatste feit dat de rechter bewezen verklaart; indien er betwisting is over de vraag of dat laatste feit wel aanhangig is bij de rechter, moet deze dat uitdrukkelijk en met zekerheid vaststellen; de rechter kan niet wettig beslissen dat dit feit slechts mogelijk bij hem aanhangig is
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 tot 25 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 tot 25 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 tot 25 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0917.N I C. V. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8210 Loppem, Rijselsestraat 2, waar de eiser woonplaats kiest, II RECYCLING CVB nv, met zetel te 9000 Gent, Henri Farmanstraat 36, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Marianne Callens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, beide cassatieberoepen tegen VG BRUSSELS RECYCLING nv, met zetel te 1800 Vilvoorde, Mechelsesteenweg 311, verweerster, met als raadsman mr. Frank Jacobs, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 april 2017 (hierna arrest I) en tegen de arresten van dat hof, correctionele kamer, van 3 december 2019 (hierna arrest II), 10 december 2021 (hierna arrest III) en 16 juni 2022 (hierna arrest IV). De eisers voeren in een gezamenlijke memorie die aan dit arrest is gehecht, tien middelen aan. Op 14 december 2022 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 17 januari 2023 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 55 en 56 Wetboek van Strafvordering: het arrest I oordeelt ten onrechte dat het kantschrift van de onderzoeksrechter aan de politie, met de volgende inhoud: “Als bijlage vindt u de kopie van het kantschrift met bijkomende vordering van de procureur des Konings dd 01.09.2008 voor misdrijven die verband houden met de staat van faillissement. Tot verder onderzoek”, een regelmatige opdracht of delegatie inhield om onderzoeksdaden te verrichten; dat kantschrift specificeert immers niet welke concrete onderzoeksdaden ten aanzien van wie moesten worden uitgevoerd over welke specifieke faillissementsmisdrijven; aldus werd aan de onderzoekers een algemene onderzoeksopdracht toevertrouwd zonder enige leiding van de onderzoeksrechter; de onderzoeksrechter kan enkel specifieke onderzoeksdaden delegeren aan de politiediensten, maar niet de macht om zelf de onderzoeksdaden te bepalen die moeten worden uitgevoerd.
- De artikelen 55 en 56, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepalen dat de onderzoeksrechter de leiding en het gezag over het gerechtelijk onderzoek heeft en dat hij de verantwoordelijkheid ervoor draagt. Overeenkomstig artikel 56, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, van dat wetboek kan de onderzoeksrechter politiediensten aanwijzen om voor het gerechtelijk onderzoek noodzakelijke handelingen van gerechtelijke politie te doen volbrengen. Die bepalingen laten de onderzoeksrechter vrij om te beslissen welke onderzoekshandelingen hij eventueel aan een politiedienst opdraagt. Zij beletten niet dat de aangezochte politiedienst op eigen initiatief onderzoekingshandelingen stelt met het oog op het vervullen van zijn opdracht, behoudens andersluidende beslissing van de onderzoeksrechter.
- Het verbod voor de onderzoeksrechter om zijn wettelijke bevoegdheid te delegeren verplicht hem dan ook niet om elke aan de politie opgedragen onderzoekshandeling schriftelijk te specificeren per individuele verrichting, geviseerde persoon en kwalificatie. Dergelijke opdrachten kunnen ook het voorwerp uitmaken van mondeling overleg. Bovendien kan de onderzoeksrechter, naargelang de omstandigheden en onverminderd zijn plicht tot opvolging en waar nodig tussenkomst, aan de aangezochte politiedienst een zekere autonomie laten om naargelang de concrete situatie de onderzoekshandelingen te stellen die zich opdringen teneinde de opdracht correct en volledig uit te voeren.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest I (p. 3) oordeelt onder meer: “Het navolgend onderzoek van de boekhouding waaronder het verhoor van de heer [M.] van [F.] die vroeger de boekhouding van de NV VG Recycling voerde, kaderde in de door de onderzoeksrechter gegeven opdracht om onderzoek te voeren naar misdrijven die verband houden met de staat van faillissement (…). De resultaten van het onderzoek werden regelmatig aan de onderzoeksrechter overgemaakt die derhalve op de hoogte was van de evolutie ervan. De onderzoeksrechter leidde dus het onderzoek en hield toezicht op dat onderzoek.” Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 55, 56 en 127 Wetboek van Strafvordering: ten onrechte aanvaardt het arrest I dat de onderzoekshandelingen die door de politiediensten zijn gesteld na de datum van de beschikking tot mededeling, in casu het boekhoudkundig onderzoek en het verhoor van M., toch zijn geschied in opdracht van de onderzoeksrechter en oordeelt het dat het betrokken bewijsmateriaal regelmatig is verzameld; met zijn beschikking tot mededeling heeft de onderzoeksrechter te kennen gegeven dat zijn onderzoek was voltooid; bij afwezigheid van een vordering tot aanvullend onderzoek van het openbaar ministerie had de onderzoeksrechter geen onderzoekshandelingen meer te stellen.
- Op grond van artikel 127, § 1, Wetboek van Strafvordering zendt de onderzoeksrechter, wanneer hij oordeelt dat zijn onderzoek is voltooid, het dossier over aan de procureur des Konings en vordert deze laatste, indien hij geen andere onderzoekshandelingen vordert, de regeling van de rechtspleging door de raadkamer.
- Het is niet de in die bepaling bedoelde beschikking tot mededeling van de onderzoeksrechter die het gerechtelijk onderzoek beëindigt, maar wel de beslissing waarbij de raadkamer haar rechtsmacht met betrekking tot de strafvordering volledig heeft uitgeoefend. Tot aan die laatste beslissing behoudt de onderzoeksrechter onverkort alle rechten, plichten en verantwoordelijkheden verbonden aan zijn onderzoeksopdracht. Bijgevolg kan de onderzoeksrechter het dossier met een beschikking tot mededeling overzenden aan de procureur des Konings terwijl er nog onderzoeksopdrachten lopen en kan de onderzoeksrechter na zijn beschikking tot mededeling nog regelmatig onderzoekshandelingen stellen zonder dat dit een vordering tot aanvullend onderzoek van de procureur des Konings vereist. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht en het beginsel van het recht op tegenspraak: het arrest I oordeelt als volgt: “De beweerde vooringenomenheid van de politiediensten blijkt niet uit het dossier evenmin als een schending van het vermoeden van onschuld. De politiediensten komen tot de vaststelling dat activa verdwenen [zijn]. Indien zij hieruit bepaalde gevolgen trekken in het kader van het onderzoek, maakt dit geen schending van het vermoeden van onschuld uit en staat het aan de rechter ten gronde om de bewijswaarde van deze gevolgen, te beoordelen”; met die redenen beantwoordt het arrest I niet het verweer van de eisers over de concrete vooringenomenheid van de verbalisant inzake de telastleggingen C (ruïneus krediet) en F (laattijdige aangifte faillissement).
- Het arrest I (p. 3-5) oordeelt weliswaar zoals het middel vermeldt, maar ook als volgt: - het verwijt dat het onderzoek niet à décharge zou zijn gebeurd is onterecht. De eiser werd verhoord en er werd hem tijd gelaten om de vragen te beantwoorden waarop hij niet onmiddellijk kon antwoorden, wat hij heeft gedaan door de e-mail van boekhouder H. bij te brengen met de bijlagen; - de eiser heeft de mogelijkheid gehad om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen en heeft hiervan ook gebruik gemaakt. Bovendien heeft hij steeds de mogelijkheid om bijkomende stukken neer te leggen voor de vonnisrechter; - er werd een onderzoek gevoerd naar de ontbrekende stukken van de boekhouding en bijkomende onderzoekshandelingen daarover zijn niet nuttig om redenen die het arrest I preciseert; - het onderzoek is volledig daar alle onderzoekshandelingen dienstig voor de waarheidsbevinding werden verricht; - uit het voorgaande en uit de inhoud van de conclusie van de eisers volgt dat de eisers alle gegevens die op regelmatige wijze tegen hen kunnen worden aangevoerd, kunnen tegenspreken; - het recht van verdediging van de eisers is bijgevolg niet miskend, evenmin als het vermoeden van onschuld. Met die redenen beantwoordt het arrest I eisers’ verweer, zonder dat het daarop tot in het detail moet ingaan met een antwoord per specifiek aangevoerde vooringenomenheid of telastlegging. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht en het beginsel van het recht op tegenspraak: het arrest I oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet tot gevolg heeft dat de bewijsvoering of het recht van verdediging van de eisers ernstig en onherstelbaar is aangetast of dat zij geen recht meer hebben op een eerlijk proces, zodat de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, waarmee de vonnisrechter rekening zal moeten houden, volstaat als passende rechtshulp; ingevolge het tijdsverloop zijn er echter boekhoudkundige stukken verloren gegaan en kunnen getuigen niet meer worden gehoord; het arrest I kan uit de feiten die het vaststelt en in het bijzonder uit de vaststelling dat de overschrijding van de redelijke termijn zich slechts heeft voorgedaan tijdens de regeling van de rechtspleging en dus na het initiële onderzoek, niet wettig afleiden dat het recht van de eisers op een eerlijk proces niet onherstelbaar is miskend.
- Wanneer het onderzoeksgerecht de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, dient het op grond van de gegevens waarover het beschikt na te gaan of die overschrijding de bewijsvoering en het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat voor de vonnisrechter geen eerlijk proces meer mogelijk is. Enkel in dat geval kan het onderzoeksgerecht de inverdenkinggestelde van strafvervolging ontslaan. In het andere geval oordeelt het onderzoeksgerecht onaantastbaar over het passende rechtsherstel en kan het onder meer oordelen dat dit rechtsherstel in het stadium van de rechtspleging waarin het zich uitspreekt, is bereikt door de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, wat de vonnisrechter in aanmerking zal moeten nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak. Bij zijn beoordeling of er voor de inverdenkinggestelde nog een eerlijk proces mogelijk is in de loop van de navolgende procedure, kan het onderzoeksgerecht rekening houden met omstandigheden zoals de periode waarin de redelijke termijn is overschreden, het moment waarop bepaald bewijsmateriaal verloren is gegaan en de voorzienbare aard en impact van dat bewijsmateriaal op de beslissing van de vonnisrechter over de schuld of onschuld van de inverdenkinggestelde.
- Het onderzoeksgerecht oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat enkel na of het uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest I (p. 4 en 6) oordeelt: “Het onderzoek is afgesloten en de zaak bevindt zich in de fase van de regeling van de procedure. De overschrijding van de redelijke termijn werd veroorzaakt door het tijdsverloop tussen de beschikking van de raadkamer van 1 oktober 2013 gewezen in de fase van de regeling van de procedure en de datum waarbij de zaak opnieuw voor de raadkamer werd vastgesteld, hetzij op 18 oktober 2016.” Het arrest I (p. 4 en 6) oordeelt verder dat een onderzoek werd gevoerd naar de ontbrekende stukken van de boekhouding van vóór 2004 en dat de curator in een schrijven van 16 januari 2014 heeft toegelicht dat verschillende pogingen werden ondernomen om die boekhouding op te halen in de bedrijfsgebouwen te Houthalen, maar dat deze boekhouding op een bepaald ogenblik was verdwenen. Uit die vaststellingen kan worden afgeleid dat de bedoelde boekhouding is verdwenen vóór de regeling van de rechtspleging. Het arrest I oordeelt daarenboven dat bijkomende onderzoekshandelingen over de niet meer beschikbare boekhouding niet nuttig zijn omdat de eiser de gefailleerde vennootschap pas op 1 januari 2005 heeft overgenomen en M., die de boekhouding van de gefailleerde vennootschap tot 31 december 2004 heeft verzorgd, verschillende boekhoudkundige stukken van het jaar 2004 aan de onderzoeker heeft overgemaakt. Het arrest I (p. 6) oordeelt vervolgens dat eisers verzoek tot het verhoor van verschillende personen als getuigen werd afgewezen door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 mei
- Hieruit blijkt dat de kamer van inbeschuldigingstelling dit onderwerp als reeds afgehandeld beschouwde en zij in eisers verweer geen reden ontwaarde om daarop terug te komen. Die vaststelling belet niet dat de eisers nog aan de vonnisrechter zouden vragen om de getuigen à charge of à décharge te horen en dat die rechter daarover beslist op grond van de alsdan toepasselijke criteria.
- Op grond van die redenen en deze vermeld in het antwoord op het tweede middel kan het arrest I dan ook wettig oordelen dat de overschrijding van de redelijke termijn voor wat betreft de voorgehouden teloorgang van boekhoudkundige stukken en nuttige getuigenverklaringen, de bewijsvoering of het recht van verdediging van de eisers niet ernstig en onherstelbaar heeft aangetast en hen het recht op een eerlijk proces tijdens de verdere procedure niet onmogelijk maakt.
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Uit de vermelde redenen blijkt bovendien dat het arrest I de keuze van het concrete rechtsherstel wegens de overschrijding van de redelijke termijn niet zonder meer steunt op de vaststelling dat die overschrijding zich pas tijdens de regeling van de rechtspleging en dus na het initiële onderzoek heeft voorgedaan. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, 130, 131, 135, § 2, en 235bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de regels van de aanhangigmaking in strafzaken: het arrest II oordeelt dat de strafvordering voor de aan de eiser ten laste gelegde feiten op het moment van de verwijzingsbeslissing van 20 april 2017 niet was vervallen door verjaring en dat de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders dus regelmatig bij de vonnisrechter aanhangig zijn gemaakt omdat de verjaringstermijn van de strafvordering voor wat betreft de telastleggingen D (opgave van verdichte uitgaven als bedoeld in artikel 489bis, 2°, Strafwetboek) aanvangt op 5 oktober 2007, dit is de datum van een beweerdelijk door de eiser niet beantwoord e-mailbericht van de curator met een vraag om opheldering over activa voor een bedrag van 159.302,00 euro, die voorkomen in de balans neergelegd op 25 april 2006; het arrest II oordeelt dat het niet-beantwoorden van die e-mail door de eiser een reeds aanhangig feit uitmaakt omdat het bedrag van 159.302,00 euro kan begrepen zijn in de bedragen vermeld onder de telastleggingen D.3 en D.4, die betrekking hebben op niet nader bepaalde activa ten bedrage van respectievelijk 412.201,02 euro en 228.068,06 euro; de incriminatieperiode voor de telastleggingen D is in de verwijzingsbeslissing bepaald tussen 2 mei 2006 en 12 juni 2012; het beroepen vonnis heeft het laatste feit van het voortgezette misdrijf bepaald op 10 augustus 2006; het arrest II oordeelt dat het in de telastleggingen D bedoelde misdrijf inderdaad een aflopend misdrijf is, dat niettemin het voorwerp kan uitmaken van een voortgezet misdrijf; aangezien de e-mail van de curator van 5 oktober 2007 pas in de loop van de appelprocedure is bijgebracht, kan dat stuk geen aanhangig gemaakt feit uitmaken aangezien het onderzoeksgerecht daarvan geen kennis kon hebben ten tijde van de verwijzingsbeslissing; met de loutere vaststelling dat de post van 159.302,00 euro aan activa wel degelijk een onderdeel kan zijn van de activa onder de posten 3 en 4 van de telastlegging D, oordelen de appelrechters bovendien niet met de vereiste zekerheid dat het feit van 5 oktober 2007 inderdaad aanhangig werd gemaakt voor de vonnisrechter; bijgevolg konden de appelrechters die e-mail niet in aanmerking nemen als laatst gepleegd feit van het voortgezette misdrijf onder de telastlegging D en daarop de aanvang van de verjaring van de strafvordering baseren.
- De verjaring van de strafvordering voor de verschillende afzonderlijk strafbare feiten die het voorwerp uitmaken van een voortgezet misdrijf in de zin van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, neemt in de regel voor al deze feiten een aanvang vanaf het laatste feit dat de rechter bewezen verklaart. Indien er betwisting is over de vraag of dat laatste feit wel aanhangig is bij de rechter, moet deze dat uitdrukkelijk en met zekerheid vaststellen. De rechter kan niet wettig beslissen dat dit feit slechts mogelijk bij hem aanhangig is.
- Het arrest II (p. 11) oordeelt: “De telastlegging D verwijt [de eisers] geen verantwoording te hebben verschaft van het bestaan of van de aanwending van activa of een deel ervan, waarna vijf specifieke posten worden opgesomd. Naar het oordeel van het hof (van beroep) kan de post van 159.302,00 euro aan materiële vaste activa waarvan sprake in de mail van 5 oktober 2007 wel degelijk een onderdeel zijn van de niet nader bepaalde activa ten belope van 412.201,02 euro of 228.068,06 euro, voorwerp van de posten 3 en 4 onder de telastlegging D.” Met die reden, die slechts de mogelijkheid openlaat dat het feit van 5 oktober 2007 begrepen is in de reeds met de verwijzingsbeslissing aanhangig gemaakte feiten van de telastleggingen D, verantwoordt het arrest de beslissing dat de verjaring van de strafvordering lastens de eisers pas aanvangt vanaf 5 oktober 2007 niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van het arrest II brengt de vernietiging mee van de arresten III en IV, die er het gevolg van zijn. Die vernietiging laat echter het arrest I onaangetast. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden arresten II, III en IV van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 3 december 2019, 10 december 2021 en 16 juni
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de helft van de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.251,04 euro, waarvan de eiser I en de eiseres II elk 265,54 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div