) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De strafuitvoeringsrechtbank moet een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit afwijzen indien blijkt dat minstens één van de in artikel 47, § 1 of § 2, Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen bestaan, waaraan niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; uit artikel 149 Grondwet of uit artikel 47 Wet Strafuitvoering zelf volgt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat er een wettelijk bepaalde tegenaanwijzing bestaat, uitdrukkelijk moet aangeven dat zij heeft onderzocht of aan die tegenaanwijzing niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, behoudens daartoe strekkende conclusie
het de feitelijke gegevens vermeldt voor die vaststelling.
de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN
ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken
douane
accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf
de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1741.N P. M., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Christoph Daerden, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 19 december
teneinde in een nog hangende zaak de uitspraak af te wachten die werd verwacht op 21 december 2022; met de vaststelling dat er nog wat onduidelijkheid bestaat over eisers juridische toestand waardoor het niet mogelijk is om hem een strafuitvoeringsmodaliteit toe te staan, oordeelt de strafuitvoeringsrechtbank dat beide elementen een beletsel vormen voor de toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten. Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet
de artikelen 25/3, § 2,
47, § 2, Wet Strafuitvoering, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: het vonnis grondt de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten ten onrechte op de vaststelling dat er nog wat onduidelijkheid bestaat over eisers juridische toestand waardoor het niet mogelijk is om hem een strafuitvoeringsmodaliteit toe te staan; daardoor neemt het vonnis aan dat er een gebrek is aan vooruitzichten op sociale reclassering, wat geen door artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzing is om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering te weigeren; een Europees aanhoudingsbevel is overigens een noodzakelijke voorwaarde voor overlevering; verder houdt het vonnis met het voormelde oordeel rekening met de mogelijkheid dat aan de eiser nog een bijkomende gevangenisstraf zal worden opgelegd, waardoor hij niet meer aan de tijdsvoorwaarden zal voldoen om aanspraak te maken op de strafuitvoeringsmodaliteiten; dat is niet
kel een onzeker gegeven, maar het miskent ook eisers vermoeden van onschuld. Het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet
artikel 47, § 1, 6°,
, 4°, Wet Strafuitvoering: het vonnis motiveert wat betreft het oordeel over het doen van onvoldoende inspanningen ten aanzien van de burgerlijke partijen in het licht van eisers vermogenstoestand, geenszins waarop het steunt ter inschatting van eisers vermogenstoestand
voor het oordeel over het niet volstaan van de geleverde inspanningen; uit de door de eiser ter rechtszitting ingediende stukken blijkt dat hij de burgerlijke partijen wel degelijk vergoedt; het vonnis beschrijft geenszins eisers vermogenstoestand, die uiteraard is verslechterd gelet op eisers verblijf in de gevangenis sinds 2018; het vermeldt geen feitelijke elementen ter staving van het oordeel. Het vierde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet
artikel 47, § 1,
, Wet Strafuitvoering: het vonnis neemt tegenaanwijzingen aan ter afwijzing van de door de eiser gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten, maar het onderzoekt
motiveert niet of er aan deze tegenaanwijzingen niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
het de feitelijke gegevens vermeldt voor die vaststelling. 5. De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt onder meer: “Uit de verslaggeving van de PSD blijkt bovendien dat u narcistische
egocentrische eigenschappen vertoont met antisociale persoonlijkheidspatronen. U heeft een grote drang naar luxe
welstand
u bent erg materialistisch ingesteld. Het recidive-risico wordt hoog ingeschat. U volgt nog maar een beperkt aantal sessies in het centrum De Berkenwinning, waar er gewerkt wordt omtrent uw persoonlijkheid. Vanuit De Berkenwinning zou men een psychodiagnostisch rapport nog bezorgen aan de PSD, maar dat is nog niet afgewerkt. Hierdoor blijft het recidivegevaar een belangrijke tegenaanwijziging voor het toestaan van een modaliteit op dit moment.” Aldus stelt de strafuitvoeringsrechtbank het bestaan vast van de in artikel 47, § 1, 2°,
in § 2, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing, vermeldt het de feitelijke gegevens waarop die vaststelling steunt
omkleedt het die beslissing regelmatig met redenen.
, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing verantwoordt op zich de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten van de voorwaardelijke invrijheidstelling
van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering. Bijgevolg kunnen de middelen voor het overige niet tot cassatie leiden
zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen
de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren
Steven Van Overbeke,
in openbare rechtszitting van 17 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.