← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De strafuitvoeringsrechtbank moet een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit afwijzen indien blijkt dat minstens één van de in artikel 47, § 1 of § 2, Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen bestaan, waaraan niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; uit artikel 149 Grondwet of uit artikel 47 Wet Strafuitvoering zelf volgt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat er een wettelijk bepaalde tegenaanwijzing bestaat, uitdrukkelijk moet aangeven dat zij heeft onderzocht of aan die tegenaanwijzing niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, behoudens daartoe strekkende conclusie

(1); bij afwezigheid van een conclusie met betrekking tot die bijzondere voorwaarden volstaat het dat de strafuitvoeringsrechtbank ter afwijzing van een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit het bestaan vaststelt van minstens één van de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen

het de feitelijke gegevens vermeldt voor die vaststelling.

(1)Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0996.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13, AC 2020, nr. 665; Cass. 29 september 2020, AR P.20.0918.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.10, AC 2020, nr. 588. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf

de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN

ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken

douane

accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf

de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1741.N P. M., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Christoph Daerden, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 19 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
  2. Het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis laat na de redenen te vermelden op grond waarvan eisers verzoek om uitstel van behandeling van de door hem gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten wordt afgewezen; de eiser had uitstel gevraagd opdat de door hem gecontacteerde Spaanse raadsman inspanningen zou kunnen leveren zodat het Spaanse Europees aanhoudingsbevel zou worden ingetrokken

teneinde in een nog hangende zaak de uitspraak af te wachten die werd verwacht op 21 december 2022; met de vaststelling dat er nog wat onduidelijkheid bestaat over eisers juridische toestand waardoor het niet mogelijk is om hem een strafuitvoeringsmodaliteit toe te staan, oordeelt de strafuitvoeringsrechtbank dat beide elementen een beletsel vormen voor de toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten. Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet

de artikelen 25/3, § 2,

47, § 2, Wet Strafuitvoering, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: het vonnis grondt de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten ten onrechte op de vaststelling dat er nog wat onduidelijkheid bestaat over eisers juridische toestand waardoor het niet mogelijk is om hem een strafuitvoeringsmodaliteit toe te staan; daardoor neemt het vonnis aan dat er een gebrek is aan vooruitzichten op sociale reclassering, wat geen door artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzing is om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering te weigeren; een Europees aanhoudingsbevel is overigens een noodzakelijke voorwaarde voor overlevering; verder houdt het vonnis met het voormelde oordeel rekening met de mogelijkheid dat aan de eiser nog een bijkomende gevangenisstraf zal worden opgelegd, waardoor hij niet meer aan de tijdsvoorwaarden zal voldoen om aanspraak te maken op de strafuitvoeringsmodaliteiten; dat is niet

kel een onzeker gegeven, maar het miskent ook eisers vermoeden van onschuld. Het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet

artikel 47, § 1, 6°,

§ 2

, 4°, Wet Strafuitvoering: het vonnis motiveert wat betreft het oordeel over het doen van onvoldoende inspanningen ten aanzien van de burgerlijke partijen in het licht van eisers vermogenstoestand, geenszins waarop het steunt ter inschatting van eisers vermogenstoestand

voor het oordeel over het niet volstaan van de geleverde inspanningen; uit de door de eiser ter rechtszitting ingediende stukken blijkt dat hij de burgerlijke partijen wel degelijk vergoedt; het vonnis beschrijft geenszins eisers vermogenstoestand, die uiteraard is verslechterd gelet op eisers verblijf in de gevangenis sinds 2018; het vermeldt geen feitelijke elementen ter staving van het oordeel. Het vierde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet

artikel 47, § 1,

§ 2

, Wet Strafuitvoering: het vonnis neemt tegenaanwijzingen aan ter afwijzing van de door de eiser gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten, maar het onderzoekt

motiveert niet of er aan deze tegenaanwijzingen niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.

  1. De strafuitvoeringsrechtbank moet een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit afwijzen indien blijkt dat minstens één van de in artikel 47, § 1, of § 2, Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen bestaan, waaraan niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
  2. Uit artikel 149 Grondwet of uit artikel 47 Wet Strafuitvoering zelf volgt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat er een wettelijk bepaalde tegenaanwijzing bestaat, uitdrukkelijk moet aangeven dat zij heeft onderzocht of aan die tegenaanwijzing niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, behoudens daartoe strekkende conclusie.
  3. Bij afwezigheid van een conclusie met betrekking tot die bijzondere voorwaarden volstaat het dat de strafuitvoeringsrechtbank ter afwijzing van een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit het bestaan vaststelt van minstens één van de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen

het de feitelijke gegevens vermeldt voor die vaststelling. 5. De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt onder meer: “Uit de verslaggeving van de PSD blijkt bovendien dat u narcistische

egocentrische eigenschappen vertoont met antisociale persoonlijkheidspatronen. U heeft een grote drang naar luxe

welstand

u bent erg materialistisch ingesteld. Het recidive-risico wordt hoog ingeschat. U volgt nog maar een beperkt aantal sessies in het centrum De Berkenwinning, waar er gewerkt wordt omtrent uw persoonlijkheid. Vanuit De Berkenwinning zou men een psychodiagnostisch rapport nog bezorgen aan de PSD, maar dat is nog niet afgewerkt. Hierdoor blijft het recidivegevaar een belangrijke tegenaanwijziging voor het toestaan van een modaliteit op dit moment.” Aldus stelt de strafuitvoeringsrechtbank het bestaan vast van de in artikel 47, § 1, 2°,

in § 2, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing, vermeldt het de feitelijke gegevens waarop die vaststelling steunt

omkleedt het die beslissing regelmatig met redenen.

  1. In zoverre kan het vierde middel niet worden aangenomen.
  2. Het oordeel betreffende het bestaan van de door artikel 47, § 1, 2°

§ 2

, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing verantwoordt op zich de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten van de voorwaardelijke invrijheidstelling

van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering. Bijgevolg kunnen de middelen voor het overige niet tot cassatie leiden

zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen

de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren

Steven Van Overbeke,

in openbare rechtszitting van 17 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.