← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.9 Rolnummer: P.22.1757.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-01-23 Raadplegingen: 535 - laatst gezien 2026-06-15 08:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist tot de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit en de veroordeelde aangaf akkoord te zijn met toekenning van een andere strafuitvoeringsmodaliteit dan volgt uit artikel 149 Grondwet en uit artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering dat de strafuitvoeringsrechtbank met opgave van redenen moet beslissen over het al dan niet toekennen van die andere strafuitvoeringsmodaliteit

(1).
(1)Het OM was van mening dat als de veroordeelde tijdens het debat over de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling alleen aangaf akkoord te gaan met een specifieke modaliteit, zoals het elektronisch toezicht, zonder daarover enig verweer te voeren, de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank tot herroeping van de voorwaardelijke instelling impliceert dat zij de modaliteit waarmee de veroordeelde instemt niet toekent, en op dat punt geen concrete motivering is vereist. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 65, derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1757.N A. B. P. J., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiseres, met als raadsman mr. Tessa De Cuis, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2610 Antwerpen (Wilrijk), Daniël Herreynslaan 126, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 16 december
  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het vonnis herroept de aan de eiseres toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, maar vermeldt niets over het op grond van artikel 65 Wet Strafuitvoering door de eiseres geformuleerde verzoek om elektronisch toezicht; de eiseres heeft op het einde van de rechtszitting duidelijk aangegeven akkoord te zijn met het opleggen van die alternatieve strafuitvoeringsmodaliteit; de eiseres mag ervan uitgaan dat de strafuitvoeringsrechtbank daarover standpunt inneemt.
  3. Artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank ingeval van herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit, mits akkoord van de veroordeelde, een andere strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen.
  4. Indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist tot de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit en de veroordeelde aangaf akkoord te zijn met toekenning van een andere strafuitvoeringsmodaliteit dan volgt uit artikel 149 Grondwet en uit artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering dat de strafuitvoeringsrechtbank met opgave van redenen moet beslissen over het al dan niet toekennen van die andere strafuitvoeringsmodaliteit.
  5. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 9 december 2022 blijkt dat de eiseres in hoofdorde heeft gevraagd de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet te herroepen en heeft verklaard ondergeschikt akkoord te gaan met elektronisch toezicht.
  6. Het vonnis herroept met opgave van redenen de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, maar laat na te beslissen over de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht. Aldus schendt het vonnis artikel 149 Grondwet en artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het nalaat te beslissen over de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht als bedoeld in artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 30,53 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.