← België

D. contra F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 211bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.1311.N P. M. M. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg, tegen E. F., L. V. L., E. F. en L. V. L., reeds vermeld, als wettelijke vertegenwoordigers van A. S., E. F. en L. V. L., reeds vermeld, als wettelijke vertegenwoordigers van E. S., J. S., burgerlijke partijen, verweerders, met als raadsman mr. Lies Meuwissen, advocaat bij de balie Limburg. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. I. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: zonder vast te stellen dat het met eenparige stemmen van zijn leden is uitgesproken, veroordeelt het hof van beroep de eiser tot een hoofdgevangenisstraf van veertig maanden, stelt het hem voor een termijn van vijf jaar ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank en ontzet het hem voor een termijn van telkens vijf jaar uit de rechten bepaald in de artikelen 31, eerste lid, en 417/58, § 2, tweede lid, Strafwetboek; het beroepen vonnis heeft de eiser veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar en een ontzetting uit enkel de rechten bepaald in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek voor een termijn van vijf jaar; bijgevolg worden de aan de eiser opgelegde straffen verzwaard; de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank kan een ernstige verlenging van de opgelegde gevangenisstraf tot gevolg hebben; niet een objectieve maar een subjectieve benaderingswijze van de relatieve zwaarte van de straf dient te worden gevolgd.
  3. Volgens artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering is eenstemmigheid vereist voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren. De toegankelijkheid, nauwkeurigheid en voorspelbaarheid van de rechtstoepassing vereisen dat die verzwaring wordt bepaald aan de hand van objectieve criteria.
  4. Om na te gaan of er een strafverzwaring is, moeten de in eerste aanleg en in hoger beroep opgelegde straffen met elkaar worden vergeleken. Dat geldt in de eerste plaats voor de hoofdstraffen. Er is geen strafverzwaring wanneer het appelgerecht aan de beklaagde een lagere hoofdstraf oplegt dan de eerste rechter, ongeacht de opgelegde bijkomende straffen en hun maat. Die regel is ook van toepassing op de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank. Dat die bijkomende straf aanleiding kan geven tot een langere vrijheidsbeneming dan de door de eerste rechter uitgesproken gevangenisstraf of dat de beklaagde die bijkomende straf subjectief aanvoelt als een strafverzwaring, laat niet toe anders te oordelen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Strafwetboek en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: bij het bepalen van de strafmaat verwijst het arrest onder meer naar het tijdsverloop sedert de feiten; daarmee beantwoordt het niet eisers verweer over de overschrijding van de redelijke termijn.
  6. In zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd wat volgt: “De feiten — voor zover ze bewezen zijn — situeren zich ook reeds zes jaar terug in de tijd. Het aanvankelijk P.V. dateert weliswaar van 18.01.1018 [lees 2018], doch er moet rekening gehouden worden met het verstreken tijdsverloop. In casu benadrukt [de eiser] dat de vermeende feiten inmiddels dateren van 5 jaar geleden.” Daarmee heeft de eiser niet de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering aangevoerd, dit is de termijn die is aangevangen vanaf het moment waarop de eiser wist dat hij het voorwerp uitmaakte van een strafvervolging en genoodzaakt was zich te verdedigen, maar heeft de eiser de appelrechters enkel gevraagd om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het tijdsverloop sinds de feiten. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van eisers appelconclusie en mist het feitelijke grondslag.
  7. Met de bekritiseerde reden bepaalt het arrest de aan de eiser opgelegde straf op grond van een geheel van omstandigheden die verband houden met de aard en de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van de eiser en het tijdsverloop sedert de feiten. Aldus beantwoordt het arrest eisers vermelde verweer en is de beslissing over de straftoemeting regelmatig met redenen omkleed, zonder dat de impact van het tijdsverloop op de strafmaat nog verder moest worden toegelicht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Strafwetboek, de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 8 Probatiewet: het arrest weigert aan de eiser probatie-uitstel toe te staan, onder meer omdat: “Uit het strafdossier blijkt, tegenstrijdig tot wat [de eiser] in beroepsbesluiten beweert, dat [de eiser] de VOV-maatregelen niet stipt heeft opgevolgd en toen ook niet in aanmerking kwam voor een gepaste begeleiding, zodat het hem verlenen van een probatie-uitstel geen gepaste begeleidingsmaatregel is”; de eiser is ter rechtszitting echter nooit geconfronteerd geworden met het gegeven dat zijn verweer over zijn stipte opvolging van zijn probatievoorwaarden niet juist zou zijn; mogelijk miskent het arrest de bewijskracht van stuk 123 van het strafdossier; de probatievoorwaarden van de eiser werden immers nooit herroepen, zodat er geen redenen zijn om een probatie-uitstel te weigeren op basis van voorafgaande niet-succesvolle voorwaarden; het middel nodigt het Hof uit om de beslissing marginaal te toetsen; minstens vermeldt het arrest niet waarom eisers verwijzing naar eerdere succesvolle probatievoorwaarden onjuist is.
  9. Het arrest verwijst niet naar stuk 123 van het strafdossier, dit is een evolutieverslag van het justitiehuis Hasselt. Bijgevolg kan het de bewijskracht van dat stuk niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  10. Zo de rechter weliswaar verplicht is zijn beslissing te motiveren, is hij nochtans niet gehouden om de redenen van zijn redenen aan te geven, noch om te vermelden op welke gegevens van het strafdossier zijn motivering steunt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 156,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 24 januari 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220420.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220420.2F.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.