id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.11 Rolnummer: P.23.0088.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-03-29 Raadplegingen: 570 - laatst gezien 2026-06-17 12:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Het verbod om de voorlopige hechtenis als dwangmiddel te gebruiken, strekt onder meer tot eerbiediging van het zwijgrecht van de inverdenkinggestelde, dat voortvloeit uit zijn recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld; een beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis is dan ook niet naar recht verantwoord wanneer blijkt dat het onderzoeksgerecht ter verantwoording van die beslissing rekening houdt met de omstandigheid dat de inverdenkinggestelde zich op zijn zwijgrecht beroept
(1)Cass. 10 februari 2021, AR P.21.0163.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210210.2F.20, AC 2021, nr. 110, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 9de ed., la Charte, 2021, t. I, pp. 759, 1071-
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0088.N I - II S. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het tweede cassatieberoep
- Volgens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet dit voorziet.
- De eiser heeft op 13 januari 2023 zelf cassatieberoep ingesteld door het afleggen van een verklaring tegenover de afgevaardigde van de gevangenisdirecteur. De raadsman van de eiser heeft eveneens op 13 januari 2023 cassatieberoep ingesteld door het afleggen van een verklaring ter griffie van het appelgerecht.
- Met toepassing van artikel 419 Wetboek van Strafvordering is het tweede cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 16, § 1, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: met het oordeel dat er ernstige redenen bestaan om te vrezen voor recidive en collusie omdat de omstandigheid dat de eiser zich op zijn zwijgrecht beroept “schijnbaar aantoont dat hij niet wenst te breken met de organisatie” en “niet veel goeds voorspelt met betrekking tot zowel de vraag naar wegmaking stukken of het zich verstaan met derden”, stelt de kamer van inbeschuldigingstelling niet wettig vast dat er recidive- en collusiegevaar is; de handhaving van de voorlopige hechtenis is bijgevolg niet naar recht verantwoord; het arrest miskent aldus immers het vermoeden van onschuld en het verbod om de voorlopige hechtenis aan te wenden als dwangmiddel.
- Het verbod om de voorlopige hechtenis als dwangmiddel te gebruiken, strekt onder meer tot eerbiediging van het zwijgrecht van de inverdenkinggestelde, dat voortvloeit uit zijn recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld. Een beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis is dan ook niet naar recht verantwoord wanneer blijkt dat het onderzoeksgerecht ter verantwoording van die beslissing rekening houdt met de omstandigheid dat de inverdenkinggestelde zich op zijn zwijgrecht beroept.
- Door de overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling dat er ernstige redenen bestaan om te vrezen voor recidive en collusie, omdat de omstandigheid dat de eiser zich op zijn zwijgrecht beroept “schijnbaar aantoont dat hij niet wenst te breken met de organisatie” en “niet veel goeds voorspelt met betrekking tot zowel de vraag naar wegmaking stukken of het zich verstaan met derden”. Hierdoor miskent de kamer van inbeschuldigingstelling eisers zwijgrecht. Het middel is gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoepen. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 196,96 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 24 januari 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210210.2F.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div