← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.7 Rolnummer: P.22.1771.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-29 Raadplegingen: 529 - laatst gezien 2026-06-18 01:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Bij toepassing van artikel 68, § 5, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank bij een herroeping van een elektronisch toezicht dat de periode gedurende welke de veroordeelde onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen, maar die wetsbepaling verplicht de strafuitvoeringsrechtbank niet om de duurtijd van de erin bedoelde periode te bepalen vermits de strafuitvoeringsrechtbank geen appreciatiemacht heeft met betrekking tot de in aanmerking te nemen periode gedurende welke de veroordeelde onder elektronisch toezicht stond, aangezien die periode van rechtswege volledig moet worden toegerekend op het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen; artikel 68, § 5, eerste lid, Wet Strafuitvoering verplicht de strafuitvoeringsrechtbank die een elektronisch toezicht herroept, in het vonnis uitdrukkelijk te bepalen dat de periode binnen welke de veroordeelde onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen maar het loutere verzuim van die wettelijke verplichting kan de veroordeelde evenwel niet schaden

(1).
(1)Contra Cass. 17 maart 2010, AR P.10.0339.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.10, AC 2010, nr. 193; Cass. 10 juni 2008, AR P.08.0795.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080610.4, AC 2008, nr. 361; zie ook de noot van M.-A. BEERNAERT onder Cass.19 december 2012, AR P.12.1931.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.2, RDP 2013/4, p. 370, noot
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1771.N W. I. M. D. R., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiseres, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 23 december
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert onder meer schending aan van artikel 149 Grondwet maar specificeert in geen van zijn onderdelen waarom de strafuitvoeringsrechtbank die bepaling zou hebben geschonden. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 64, 3°, en 68 Wet Strafuitvoering: met het oordeel dat het werk van de eiseres in een café-eethuis indruist tegen de aan haar elektronisch toezicht gekoppelde voorwaarde van het caféverbod, verantwoordt het vonnis de herroeping van het elektronisch toezicht niet naar recht; het desbetreffende handelspand houdt geen café in maar een eetgelegenheid; volgens de huurovereenkomst wordt het pand verhuurd als “eethuis-horecazaak”, terwijl het ook in de Kruispuntbank der Ondernemingen is ingeschreven als een eetgelegenheid met nacebelcode 56.101 (“eetgelegenheden met volledige bediening”); de opgelegde voorwaarde had louter betrekking op drankgelegenheden en niet op eetgelegenheden.
  5. Het onderdeel komt op tegen het onaantastbare oordeel van de strafuitvoeringsrechtbank over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en miskenning van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat het handelspand waarin de eiseres werkt een café-eethuis inhoudt, miskent het vonnis de bewijskracht van de huurovereenkomst, waaruit blijkt dat het handelspand een eethuis betreft en geen café; het oordeel van de strafuitvoeringsrechtbank druist aldus in tegen de werkelijke inhoud van die overeenkomst.
  7. De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt dat de eiseres “zeer leugenachtig” en “totaal niet transparant” was door niet mee te delen dat het handelspand waarboven ze zou gaan wonen en waarin ze zou gaan werken, een café-eethuis betrof. Het vonnis verwijst voor dat laatste oordeel evenwel niet naar de huurovereenkomst, zodat het de bewijskracht ervan niet kan miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en miskenning van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat de eiseres een leugenachtige houding heeft aangenomen omdat zij niet op voorhand aan de justitieassistent heeft meegedeeld dat zij zou verhuizen naar een handelspand dat dienst doet als eetgelegenheid, miskent het arrest de bewijskracht van het verslag van de justitieassistent van 10 november 2022, waaruit blijkt dat het laatste gesprek met de eiseres heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2022 en dat de eiseres te kennen heeft gegeven te zullen verhuizen naar een handelspand, waarbij de huurovereenkomst werd overgemaakt; uit het verslag blijkt weliswaar dat de eiseres vóór 24 oktober 2022 hierover niet heeft gecommuniceerd, maar blijkt niet dat de eiseres haar verhuisplannen niet op voorhand kenbaar zou hebben gemaakt aan de justitieassistent.
  9. Het onderdeel dat formeel miskenning van de bewijskracht van het verslag van de justitieassistent aanvoert, komt in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde ervan. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 68, § 5, eerste lid, Wet Strafuitvoering: door niet de periode te bepalen die de eiseres onder elektronisch toezicht heeft doorgebracht en die in mindering moet worden gebracht van het resterende gedeelte van de vrijheidsstraf, is het vonnis niet naar recht verantwoord.
  11. Het middel verduidelijkt niet waarom de strafuitvoeringsrechtbank artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  12. Bij toepassing van artikel 68, § 5, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank bij een herroeping van een elektronisch toezicht dat de periode gedurende welke de veroordeelde onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
  13. Die wetsbepaling verplicht de strafuitvoeringsrechtbank niet om de duurtijd van de erin bedoelde periode te bepalen. De strafuitvoeringsrechtbank heeft immers geen appreciatiemacht met betrekking tot de in aanmerking te nemen periode gedurende welke de veroordeelde onder elektronisch toezicht stond, aangezien die periode van rechtswege volledig moet worden toegerekend op het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Artikel 68, § 5, eerste lid, Wet Strafuitvoering verplicht de strafuitvoeringsrechtbank die een elektronisch toezicht herroept, in het vonnis uitdrukkelijk te bepalen dat de periode binnen welke de veroordeelde onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen. Het loutere verzuim van die wettelijke verplichting kan de veroordeelde evenwel niet schaden. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 24 januari 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080610.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.10 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250211.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.