← België

BELGISCHE STAAT, FINANCIËN contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230127.1N.9 Rolnummer: F.21.0075.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIËN contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-02-16 Raadplegingen: 902 - laatst gezien 2026-06-15 04:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230127.1N.9 Fiche 1 Artikel 39, § 2, 2°, d, WIB92 doet de vrijstelling voor pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden die voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract, vervallen indien ze geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen die werden betaald sinds 1 januari 2004

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 34, § 1, 2°, b), 38, § 1, 18°, en 39, § 2, 2°, d) - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Uit de samenhang van artikel 34, § 1, 2°, b, WIB92, artikel 38, § 1, eerste lid, 18°, WIB92 en artikel 39, § 2, 2°, WIB92 volgt dat de uitkering van een pensioen of een pensioenrente die steunt op een voor 1 januari 2004 gedane toezegging en die geheel of gedeeltelijk is gevormd door middel van een sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdrage, belastbaar is in de mate dat dit pensioen is gevormd door sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdragen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 34, § 1, 2°, b), 38, § 1, 18°, en 39, § 2, 2°, d) - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 3 Onder het stelsel van toepassing voor de wijziging van de artikelen 34, 38 en 39 WIB92 door de WAP, werd een pensioentoezegging gedaan in het kader van een pensioenfonds gelijkgesteld met een individueel levensverzekeringscontract in de zin van artikel 39, § 2, 2° WIB92 indien de bijdragen werden gestort in het definitief en uitsluitend voordeel van de werknemer
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 34, § 1, 2°, b), 38, § 1, 18°, en 39, § 2, 2°,
  1. d)- 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0075.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van het P Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 126, met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder Jan De Sy, met kantoor te 3580 Beringen, Harmoniestraat 14, eiser, tegen F. D. G., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 6 oktober 2020. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 28 december 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel 1. Overeenkomstig artikel 39, § 2, 2°, WIB92, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 77, 2°, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, hierna WAP, zijn de in artikel 34, § 1, 2°, WIB92 genoemde pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden vrijgesteld van belasting indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is, het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en bepaalde vrijstellingen niet werden toegepast of verminderingen niet werden toegekend. Vóór de inwerkingtreding van de WAP was, wanneer de werkgever de premies van een levensverzekeringsovereenkomst had betaald, het kapitaal van die levensverzekeringsovereenkomst vrijgesteld indien de werknemer bewees dat tijdens de pensioenopbouw de werkgeversbijdragen definitief en uitsluitend in zijn voordeel werden betaald. Dit was het geval wanneer de werkgeversbijdragen die de werkgever stortte, onherroepelijk uit zijn vermogen waren verdwenen en daardoor in hoofde van de werknemer vaste pensioenaanspraken ontstonden die definitief verworven waren op het moment van de betaling van de bijdragen. Precies omdat de pensioenaanspraken definitief verworven waren voor de werknemer, dienden in een dergelijk geval de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract op het ogenblik dat zij werden gestort, te worden beschouwd als bezoldigingen in hoofde van de werknemer en werden de latere uitkeringen gelijkgesteld met de uitvoering van een individuele levensverzekering in de zin van artikel 39, § 2, 2°, WIB92 en als dusdanig vrijgesteld van belasting. Hierover anders oordelen en de latere uitkeringen eveneens als een uitgesteld beroepsinkomen belasten op grond van artikel 34, § 1, 2°, WIB92, zou hebben ingehouden dat zowel de pensioenopbouw als de pensioenuitkering werden belast, wat strijdig zou zijn geweest met de strekking van de wet. 2. Krachtens artikel 34, § 1, 2°, b, WIB92, in de versie na vervanging ervan bij artikel 75, 1°, WAP, omvatten pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze werden vastgesteld en toegekend, kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten, die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de WAP, daarin begrepen de aanvullende pensioenen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de genoemde wet en de pensioenen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 18° en 19°, WIB92. Krachtens artikel 39, § 2, 2°, d, WIB92, in de versie na vervanging ervan bij artikel 77, 2°, WAP, zoals gewijzigd bij artikel 165 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen, worden pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden vrijgesteld indien ze voortkomen uit een individueel levensverzekeringsconctract dat is afgesloten ten gunste van de belastingplichtige persoon of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is en ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming, noch van bijdragen of premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 16°, noch van bijdragen die overeenkomstig artikel 52, 7°bis, in aanmerking konden komen als beroepskosten, noch van bijdragen die in aanmerking konden komen voor de toepassing van artikel 1451, 1°. Krachtens artikel 23, § 3, A, 5°, KB WAP is die bepaling van toepassing op de lijfrenten, renten, vergoedingen, anders dan de in artikel 23, § 3, A, 6°, bedoelde kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen en aanvullende pensioenen die betaald zijn vanaf 1 januari 2004. Uit het geheel van voormelde bepalingen volgt dat artikel 39, § 2, 2°, d, WIB92 de vrijstelling voor pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden die voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract, doet vervallen indien ze geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen die werden betaald sinds 1 januari 2004. Krachtens artikel 38, § 1, eerste lid, 18°, WIB92, zoals ingevoegd bij artikel 76, 1°, WAP, zijn vrijgesteld de voordelen die voor de werknemers die de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, voortvloeien uit de betaling van werkgeversbijdragen en -premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, op voorwaarde, wanneer het een individuele toezegging betreft, dat bij de werkgever ook een collectieve toezegging bestaat die voor de werknemers of een bijzondere categorie ervan op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk is. Krachtens artikel 23, § 3, A, 3° en 4°, KB WAP is die bepaling van toepassing op de bijdragen en de premies die zijn betaald in uitvoering van de individuele toezeggingen die zijn gesloten vanaf 1 januari 2004 en op de andere dan de hiervoor bedoelde bijdragen en premies die betaald zijn vanaf 1 januari 2004. Hieruit volgt dat, sinds de inwerkingtreding van die bepaling op 1 januari 2004, de betaling door de werkgever van een werkgeversbijdrage of -premie voor een pensioen van een werknemer in de regel niet langer belast wordt als een voordeel van alle aard in hoofde van de werknemer, maar wordt vrijgesteld van belasting. Uit de samenhang van de artikelen 34, § 1, 2°, b, 38, § 1, eerste lid, 18°, en 39, § 2, 2°, WIB92 volgt dat de uitkering van een pensioen of een pensioenrente die steunt op een vóór 1 januari 2004 gedane toezegging en die geheel of gedeeltelijk is gevormd door middel van een sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdrage, belastbaar is in de mate dat dit pensioen is gevormd door sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdragen. 3. De appelrechters die vaststellen dat “het pensioen werd opgebouwd van 1 maart 1980 tot 30 november 2007”, oordelen naar recht, zonder een voorwaarde voor belastbaarheid toe te voegen die de wet niet bevat en zonder vrijstelling van belasting te verlenen, dat “voor het aanslagjaar 2004 de verkregen pensioenuitkeringen (…) dan ook slechts belastbaar [zijn] als pensioen in de mate ze zijn samengesteld door de werkgeversbijdragen gestort vanaf 1 januari 2004 (…) en niet belastbaar als pensioen in de mate ze zijn samengesteld door de werkgeversbijdragen gestort voor 1 januari 2004 (…)”. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 354,65 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230127.1N.9 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230127.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251023.1N.12 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.