← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.12 Rolnummer: P.23.0102.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-03 Raadplegingen: 815 - laatst gezien 2026-06-15 08:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Een verzoekschrift in de zin van artikel 27, §§ 1 en 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet vereist ofwel dat het verzoek wordt geformuleerd in een van de verzoeker of zijn raadsman uitgaand geschrift dat wordt ingediend of ontvangen op de griffie, in voorkomend geval per faxbericht, ofwel dat het verzoekschrift aan de griffie wordt meegedeeld door middel van een informaticasysteem zoals bedoeld in artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek; het versturen van een e-mailbericht naar de griffie kan niet worden beschouwd als een verzoekschrift dat wordt ingediend of ontvangen op de griffie in de zin van artikel 27, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, noch als een neerlegging door middel van een informaticasysteem zoals bedoeld in artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek en de omstandigheid dat een dergelijk informaticasysteem nog niet operationeel is voor de indiening van een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling op de desbetreffende griffie, doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0102.N A. S., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 21, § 2, 23, 4°, en 27 Voorlopige Hechteniswet: met het oordeel dat een e-mailbericht niet kan worden gelijkgesteld met een communicatie via het e-Deposit systeem zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, verantwoorden de appelrechters de afwijzing van eisers voorlopige invrijheidstelling niet naar recht en miskennen zij de motiveringsverplichting; de eiser diende in vrijheid te worden gesteld, aangezien er niet binnen de vijf dagen werd beslist over het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling dat eisers raadsman bij e-mailbericht van 20 december 2022 had verstuurd naar het adres WVL.REA.BRU.correctioneel@just.fgov.be, zijnde het enige opgegeven en functioneel werkende e-mailadres van de correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge; naar analogie van een faxbericht, dient een dergelijke mededeling via e-mail te worden gelijkgesteld met een rechtsgeldige neerlegging van een verzoekschrift ter griffie; het was voor de eiser niet mogelijk om toepassing te maken van het e-Deposit systeem, aangezien de correctionele griffie te Brugge nog niet is aangesloten op het e-Deposit systeem, waardoor een neerlegging van een verzoekschrift via dit informaticasysteem niet mogelijk was; het arrest stelt nergens vast dat er redenen zijn om te twijfelen aan de hoedanigheid en de identiteit van de ondertekenaar van het bij e-mailbericht van 20 december 2022 verstuurde verzoekschrift; door de eiser niet in vrijheid te stellen bij gebrek aan een beslissing binnen de vijf dagen na het bij e-mailbericht van 20 december 2022 ingediende verzoekschrift en louter uitspraak te doen over het door eisers raadsman op 30 december 2022 ter griffie fysiek neergelegde verzoekschrift, miskennen de appelrechters de wettelijke verplichting om de eiser in vrijheid te stellen wanneer er niet binnen de vijf dagen uitspraak wordt gedaan over het door hem neergelegde verzoekschrift, en beantwoorden zij niet het uitgebreide en gedetailleerde verweer dat de eiser dienaangaande in zijn conclusie had gevoerd.
  3. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op het rechtscollege dat uitspraak doet op grond van artikel 27 Voorlopige Hechteniswet. In zoverre het middel schending aanvoert van deze bepaling, faalt het naar recht.
  4. Uit artikel 27, § 1, en § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de voorlopige invrijheidstelling kan worden verleend op indiening van een verzoekschrift dat wordt neergelegd op de griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen. Een verzoekschrift in de zin van die bepaling vereist ofwel dat het verzoek wordt geformuleerd in een van de verzoeker of zijn raadsman uitgaand geschrift dat wordt ingediend of ontvangen op de griffie, in voorkomend geval per faxbericht, ofwel dat het verzoekschrift aan de griffie wordt meegedeeld door middel van een informaticasysteem zoals bedoeld in artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek.
  5. Het versturen van een e-mailbericht naar de griffie kan niet worden beschouwd als een verzoekschrift dat wordt ingediend of ontvangen op de griffie in de zin van artikel 27, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, noch als een neerlegging door middel van een informaticasysteem zoals bedoeld in artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek. De omstandigheid dat een dergelijk informaticasysteem nog niet operationeel is voor de indiening van een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling op de desbetreffende griffie, doet hieraan geen afbreuk.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Met de redenen die het vermeldt, verwerpt en beantwoordt het arrest eisers verweer over de rechtsgeldigheid van het per e-mailbericht van 20 december 2022 verstuurde verzoek tot voorlopige invrijheidstelling. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 31 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.