id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.6 Rolnummer: P.22.1372.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-03 Raadplegingen: 821 - laatst gezien 2026-06-18 22:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.6 no lien 161859 identiques Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit eenzelfde opzet voort wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin door één feit, te weten een complexe gedraging, zijn opgeleverd en het in de wet bedoelde opzet kan omschreven worden als eenheid van drijfveer, waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen een welomschreven plaats inneemt in het systeem dat hij heeft bedacht om zijn doel te bereiken
(1); de rechter die moet oordelen over het al dan niet bestaan van eenheid van opzet, kan hierbij in aanmerking nemen dat de misdrijven verschillend zijn en andere belangen beogen te beschermen en hij voegt daardoor geen voorwaarde aan de wet toe.
(1)Cass. 21 september 2021, AR P.21.0428.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.14, AC 2021, nr. 575, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.
- Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1372.N C. A. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Alain Vanryckeghem, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 65 Strafwetboek: het arrest wijst ten onrechte eisers verzoek af om artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen op de feiten, waarvoor hij bij arrest van 1 april 2021 van het hof van beroep te Gent werd veroordeeld; het oordeel dat de inbreuken geheel andere misdrijven betreffen, die andere maatschappelijke belangen beogen te beschermen, is geen afdoende motivering van deze afwijzing; de omstandigheid dat de inbreuken andere belangen beschermen, sluit niet uit dat deze inbreuken wel de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet kunnen zijn; bovendien voegt het arrest hiermee een voorwaarde toe aan de wet; het arrest neemt bovendien niet alle onderdelen van het arrest van 1 april 2021 in aanmerking en is dubbelzinnig gemotiveerd; het arrest kent uitstel toe van de opgelegde hoofdgevangenisstraf en het beroepsverbod, omdat de eiser kennelijk in de goede zin evolueert; met deze verzachtende omstandigheid houdt het arrest geen rekening bij het opleggen van het bestuurdersverbod, vermits het maximum, te weten een bestuurdersverbod voor tien jaar, effectief wordt opgelegd.
- Het middel dat een dubbelzinnigheid in de motivering van het arrest aanvoert, geeft niet aan in welke lezing van het arrest de beslissing wettig en in welke andere lezing onwettig zou zijn. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, neemt het arrest niet als verzachtende omstandigheid aan dat de eiser kennelijk in de goede zin evolueert. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: “Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan.”
- Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit eenzelfde opzet voort wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin door één feit, te weten een complexe gedraging, zijn opgeleverd. Het in de wet bedoelde opzet kan omschreven worden als eenheid van drijfveer, waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen een welomschreven plaats inneemt in het systeem dat hij heeft bedacht om zijn doel te bereiken. De rechter die moet oordelen over het al dan niet bestaan van eenheid van opzet, kan hierbij in aanmerking nemen dat de misdrijven verschillend zijn en andere belangen beogen te beschermen. Hij voegt daardoor geen voorwaarde aan de wet toe. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de verschillende feiten waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart. In zoverre het middel opkomt tegen deze feitelijke beoordeling is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel aanvoert dat het arrest niet ook het in het arrest van het hof van beroep te Gent van 1 april 2021 vermelde bijkomend opzet mee in aanmerking neemt, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet ontvankelijk. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde wetschendingen en bijgevolg evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 31 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div