id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.8 Rolnummer: P.22.0392.N Zaak: A. contra GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-03 Raadplegingen: 880 - laatst gezien 2026-06-18 20:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De toepasselijkheid van het door artikel 4.2.14, § 2, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ingevoerde vermoeden van vergunning vereist dat hij die zich erop beroept, aantoont dat de constructie werd gebouwd tijdens de in die bepaling vermelde referentieperiode en dat het nog steeds gaat om dezelfde constructie en het vermoeden van vergunning kan bijgevolg niet worden ingeroepen wanneer de constructie na die referentieperiode werd vervangen door een andere constructie, zelfs in zoverre die dezelfde aard of omvang heeft als de eerdere constructie, of zodanig is gewijzigd of aangepast dat ze niet langer kan worden beschouwd als de voorheen bestaande constructie
(1); de rechter oordeelt onaantastbaar of een constructie beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 4.2.14, § 2, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan wel of ze na de in die bepaling bedoelde referentieperiode werd vervangen, gewijzigd of aangepast op een wijze waardoor ze niet langer kan worden beschouwd als een bestaande constructie in de zin van die bepaling en het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
(1)Zie Cass. 23 april 2019, AR P.18.0990.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3, AC 2019, nr. 236; Cass. 18 september 2018, AR P.18.0136.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.5, AC 2018, nr.
- Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.14, § 2 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.14, § 2 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.14, § 2 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiches 4 - 6 Wanneer na het verval van de strafvordering met betrekking tot een stedenbouwmisdrijf enkel nog de herstelvordering van de bevoegde overheid bij de strafrechter aanhangig is, oordeelt die laatste onaantastbaar of het door een partij voorgestelde getuigenverhoor dienstig is voor de beoordeling van de gegrondheid van die vordering; de strafrechter dient daarbij het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging te eerbiedigen, waarbij het Hof nagaat of hij uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die met die rechten niet in overeenstemming te brengen zijn maar een miskenning van die rechten kan evenwel niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat de strafrechter het voorgestelde verhoor van getuigen niet dienstig acht voor de waarheidsvinding. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Tekst van de beslissing Nr. P.22.0392.N Johan Luc ANTONUS, geboren te Leuven op 4 januari 1969, wonende te 3390 Tielt-Winge, Goethuysweg 6, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frederiek Baudoncq, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3001 Leuven (Heverlee), Philipssite 5B, waar de eiser woonplaats kiest, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 3000 Leuven, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93, eiser tot herstel, verweerder, met als raadslieden mr. Philippe Declercq en mr. Dennis Muniz Espinoza, beiden advocaten bij de balie Leuven, met kantoor te 3000 Leuven, Diestsevest 47 bus 001, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 24 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 8.1, 9°, en 8.29, tweede alinea, Burgerlijk Wetboek en de artikelen 4.2.14, § 2, 6.2.2, 1°, en 7.7.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van een eerlijke behandeling van de zaak, het recht van verdediging en het recht op bewijs: het uitsluitend op een luchtfoto van 1975 en twee getuigenverklaringen gebaseerde oordeel van de appelrechters dat de door de eiser in een ruimtelijk kwetsbaar gebied instandgehouden stacaravan een nieuwe vergunningsplichtige constructie betreft die in 1989 werd geplaatst ter vervanging van een caravan die er in 1965 stond en dat er bijgevolg geen sprake is van een vermoeden van vergunning in de zin van artikel 4.2.14, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, is niet naar recht verantwoord; het enkele gegeven dat de luchtfoto van 1975 niet toelaat vast te stellen dat de op die foto weergegeven caravan gelijkaardig of identiek is aan eisers stacaravan, sluit niet met zekerheid uit dat de omvang en de structuur van de bedoelde stacaravan identiek of minstens gelijkaardig zijn gebleven; ook de omstandigheid dat in de getuigenverklaringen wordt vermeld dat de caravan in 1989 werd vervangen door de huidige caravan, laat niet toe om met zekerheid uit te sluiten dat er slechts enkele onderdelen van de oude caravan werden vervangen zonder dat werd geraakt aan de omvang en de structuur van de stacaravan, die identiek of minstens gelijkaardig zijn gebleven; aldus miskennen de appelrechters het wettelijk begrip feitelijk vermoeden; de appelrechters baseren hun weigering om in dit verband de bewuste getuigen te horen bovendien op tegenstrijdige redenen, namelijk door eensdeels te oordelen dat de verwoording van de schriftelijke verklaringen van de getuigen niet veel ruimte voor interpretatie laat, wat betekent dat er nog enige ruimte voor interpretatie is, en anderdeels te oordelen dat niet valt in te zien wat die getuigen in een dergelijk verhoor nog zouden kunnen verduidelijken, wat betekent dat er geen enkele ruimte voor interpretatie is; door te weigeren in te gaan op eisers verzoek om de voormelde getuigen te horen, miskennen de appelrechters ook eisers recht op bewijs; eisers verweer dat de zonder vergunning opgerichte stacaravan er reeds was vóór de eerste inwerkingtreding van het gewestplan op 29 november 1978 en hij zich bijgevolg kan beroepen op een vermoeden van vergunning, wordt door de appelrechters bijgevolg niet naar recht verworpen, zodat de bij toepassing van artikel 7.7.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening op vordering van de verweerder opgelegde herstelmaatregel niet naar recht verantwoord is.
- De artikelen 8.1, 9°, en 8.29 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Redenen van een rechterlijke beslissing zijn tegenstrijdig indien ze elkaar tenietdoen of opheffen. Dat is niet geval met de in het middel vermelde redenen van het arrest. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Artikel 4.2.14, § 2, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt: “Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.”
- De toepasselijkheid van het door deze decretale bepaling ingevoerde vermoeden van vergunning vereist dat hij die zich erop beroept, aantoont dat de constructie werd gebouwd tijdens de in die bepaling vermelde referentieperiode en dat het nog steeds gaat om dezelfde constructie. Het vermoeden van vergunning kan bijgevolg niet worden ingeroepen wanneer de constructie na die referentieperiode werd vervangen door een andere constructie, zelfs in zoverre die dezelfde aard of omvang heeft als de eerdere constructie, of zodanig is gewijzigd of aangepast dat ze niet langer kan worden beschouwd als de voorheen bestaande constructie.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een constructie beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 4.2.14, § 2, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan wel of ze na de in die bepaling bedoelde referentieperiode werd vervangen, gewijzigd of aangepast op een wijze waardoor ze niet langer kan worden beschouwd als een bestaande constructie in de zin van die bepaling. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Wanneer na het verval van de strafvordering met betrekking tot een stedenbouwmisdrijf enkel nog de herstelvordering van de bevoegde overheid bij de strafrechter aanhangig is, oordeelt die laatste onaantastbaar of het door een partij voorgestelde getuigenverhoor dienstig is voor de beoordeling van de gegrondheid van die vordering. De strafrechter dient daarbij het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging te eerbiedigen, waarbij het Hof nagaat of hij uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die met die rechten niet in overeenstemming te brengen zijn. Een miskenning van die rechten kan evenwel niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat de strafrechter het voorgestelde verhoor van getuigen niet dienstig acht voor de waarheidsvinding.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 6-7) oordeelt over eisers verweer met betrekking tot het vermoeden van vergunning als volgt: - de eiser betwist dat er sprake is van de instandhouding van de gevolgen van een stedenbouwkundig wederrechtelijke handeling omdat de geviseerde stacaravan, die hij bij notariële akte van 2 juli 1993 aankocht als een “vakantieverblijf”, werd geplaatst vóór de inwerkingtreding van het gewestplan op 29 november 1978, zodat die constructie kan genieten van een vermoeden van vergunning bij toepassing van artikel 4.2.14, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; - in dit verband verwijst de eiser naar een luchtfoto van 1975 en twee getuigenverklaringen waarin wordt gesteld dat er al een “vakantiewoning” (of stacaravan) stond in 1965; - hoewel het aannemelijk is dat op het perceel in 1975 al een constructie aanwezig was, laat de voorgelegde luchtfoto niet toe vast te stellen dat die gelijkaardig of identiek was aan de stacaravan van de eiser, aangezien in de beide getuigenverklaringen wordt aangegeven dat er al een stacaravan aanwezig is sinds 1965, maar dat die werd “vervangen door een nieuwe door A.L. (…) in het jaar 1989, wat nog steeds de huidige caravan is”; - uit die verklaringen, en in het bijzonder uit het gebruik van de woorden “vervangen” en “huidige”, moet worden begrepen dat de caravan van 1965 verdwenen is en dat in 1989 een nieuwe werd geplaatst; - in tegenstelling tot wat de eiser aanvoert, kan het “vervangen” van de caravan niet gelezen worden als het uitvoeren van onderhoudswerken aan de oude caravan (in welk geval men gesproken zou hebben van renoveren of opkalefateren), want een vervanging houdt een indeplaatsstelling in, waarbij het oude verdwijnt ten voordele van iets nieuws; - de eiser kan niet worden gevolgd waar hij beweert dat die lezing van de getuigenverklaringen een louter subjectieve interpretatie betreft, want de verwoording van de verklaringen laat niet veel ruimte voor interpretatie en is ondubbelzinnig; - er is geen reden om in te gaan op eisers verzoek om de betrokken getuigen, die hij zelf heeft aangebracht ter staving van zijn standpunten, te horen, aangezien er niet valt in te zien wat zij in een dergelijk verhoor nog zouden kunnen verduidelijken (wat zij trouwens desgewenst hadden kunnen doen met een aanvullende geschreven verklaring); - het hof van beroep acht het verhoor van de getuigen niet dienstig voor de waarheidsvinding, noch noodzakelijk om volle uitwerking te geven aan het recht van verdediging van de eiser, die zelf deze – en enkel deze – geschreven verklaringen heeft voorgelegd; - de oprichting van de geheel nieuwe constructie valt onder geen enkele van de gevallen van vrijstelling van de vergunningsplicht; - er moet besloten worden dat in 1989, dus na de inwerkingtreding van het gewestplan, zonder vergunning een vergunningsplichtige constructie (een nieuwe caravan) werd geplaatst op het perceel; - het behoud van de zonder vergunning geplaatste stacaravan vormt een instandhouding van de wederrechtelijke gevolgen van die stedenbouwkundige overtreding, zodat er, wegens de ligging in kwetsbaar gebied, sprake was van een instandhoudingsmisdrijf en er op heden nog steeds een stedenbouwkundige inbreuk voorligt.
- Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht: - het oordeel dat op de stacaravan, voorwerp van het in de telastlegging bedoelde instandhoudingsmisdrijf, het in artikel 4.2.14, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde vermoeden van vergunning niet van toepassing is; - de verwerping van eisers verzoek tot het horen van getuigen, zonder hierbij eisers recht op een eerlijke behandeling van de zaak en zijn recht van verdediging te miskennen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of komt het op tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 31 januari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230905.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180918.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div